DE WAGDIES.

"Wat verlangt gij nu nog meer, beste Max?" zei John Cort spottend,

"mij dunkt dat dit nu iets buitengewoons en onverwachts is! Niet

alleen een dorp in de lucht, maar zelfs een koning daarin!"

"Wat ik verlang John?" antwoordde de luchthartige Franschman, "wel,

ik verlang niet mijn leven lang in deze hoofdstad van het rijk der

Wagdies te blijven!"

"Maar Max, wij moeten hier toch een poos blijven om de bewoners van

dit dorp te bestudeeren, wij moeten er een paar dikke folianten over

schrijven, die de verbazing zullen opwekken van alle geleerde bollen

uit Europa en Amerika!"

"Goed, ik wil bestudeeren en informeeren en al wat je verlangt,

maar op twee voorwaarden!"

"En die zijn?"

"Ten eerste dat wij frank en vrij in het dorp mogen rondloopen en

ten tweede, dat wij mogen heengaan, zoodra wij daar lust in hebben."

"En aan wien moeten wij die voorwaarden kenbaar maken?"

"Wel natuurlijk aan Zijne Majesteit Vader Spiegel; maar à propos,

hoe zou de Koning aan dien naam komen? Zou hij bij geval kippig zijn

en een bril dragen?"

"Maar waar is die bril dan van daan gekomen?" vroeg John Cort terecht.

Max Huber kon hierop geen antwoord geven, want wederom werd de deur

van de hut geopend en ditmaal verscheen Li-Mai, die verheugd op

Llanga toeliep. John Cort stelde dadelijk voor van de gelegenheid

dat de deur open stond gebruik te maken en zoo traden onze vrienden

dus naar buiten. Voorafgegaan door Li-Mai, die Llanga bij de hand

hield, kwamen zij op een soort pleintje--een vrij open ruimte, die

overschaduwd werd door het dichte bladerdak der boomen, wier krachtige

stammen dit luchtdorp torsten.

Het was heerlijk weer en de zonnestralen speelden door het

loover. Boven de hoogste takken vertoonden zich groote stukken van

den blauwen hemel en een koel windje, bezwangerd met welriekende

geuren van boschplanten, maakte de lucht heerlijk zuiver.

Terwijl het troepje zoo rondliep, keken de Wagdies, mannen, vrouwen

zoowel als kinderen, naar hen, zonder bizonder veel verbazing te

toonen. Wel wisselden zij onderling, met een schor stemgeluid, eenige

vlugge, overstaanbare woorden. Slechts een hoogst enkele maal meende

de voorlooper een paar woorden in de Congoleesche taal op te vangen,

hetgeen niet zoo onmogelijk was, daar Li-Mai immers ook het woord

ngora gebruikt had.

Maar het meest verbaasd was John Cort, toen hij duidelijk een paar

Duitsche woorden meende op te vangen, waaronder het woord Vater

(vader) en dadelijk deelde hij dit aan zijn reisgenooten mede.

"Ik verbaas mij over niets meer", gaf Max Huber ten antwoord, "ik zou

het zelfs niets vreemd vinden, als die zwartjes mij vriendschappelijk

op mijn schouder klopten en zeiden: 'Zoo amice, hoe gaat het?'"

Af en toe liet Li-Mai de hand van Llanga los en liep hij, als een

vroolijk, spelend kind, naar een der Wagdies. Blijkbaar was hij er zeer

trotsch op de vreemdelingen door het dorp te mogen rondleiden. Maar

het was duidelijk, dat hij niet maar wat met hen ronddwaalde, hij

bracht hen ergens heen en zij hadden niet anders te doen dan hunnen

vijfjarigen gids te volgen.

Onderwijl hadden zij alle gelegenheid zich een oordeel te vormen over

de uitgestrektheid van dit zonderlinge dorp, dat in omtrek zeker wel

drie mijl zou meten.

De hutten, in den vorm van een bijenkorf, waren bijna alle open en

men kon daar binnen de vrouwen bezig zien in hare huishouden. Van

de mannen verzamelden sommige vruchten tusschen de takken, andere

kwamen terug met gevangen wild of met kuipen water, dat zij uit de

Rio geschept hadden.

Intusschen had Khamis getracht den kleinen Li-Mai in de inlandsche

taal aan te spreken, maar het knaapje scheen niets daarvan te

begrijpen. Toch had hij op het vlot duidelijk het woord ngora gezegd,

wat toch een inlandsch woord was.

Na een uur kwamen de tochtgenooten aan het eind van het dorp, waar een

hut van grooter afmeting stond, tusschen de takken van een reusachtigen

wolboom. Voor den ingang stonden twee gewapende Wagdies. Was deze

groote hut het koninklijk paleis, of het heiligdom der toovenaars,

die men bij alle wilde volken in Afrika vindt? John Cort zag thans de

gelegenheid om van Li-Mai eene inlichting te krijgen en zoo vroeg hij,

op de hut wijzende:

"Mselo-Tala-Tala?"

Een knik met het hoofd was het eenige antwoord.

Daar woonde dus Zijne Majesteit de Koning der Wagdies en overmoedig

en zonder veel complimenten liep Max Huber naar de hut, toen de beide

schildwachten hem dreigend den weg versperden.

"Mooi, wij mogen er niet in!" spotte de Franschman. "Dan zullen wij

Zijne Majesteit schriftelijk om een audiëntie moeten verzoeken!"

"Alsof hij zou kunnen lezen, verbeeld je!" antwoordde John Cort.

"Weet gij niet waar de hut van Li-Mai's ouders is?" vroeg Khamis

aan Llanga.

"Neen, maar Li-Mai zal er ons bepaald wel heenbrengen, laten wij hem

maar volgen."

Weinige minuten later kwamen onze vrienden in een meer beschaduwd,

donkerder gedeelte van het dorp en daar bleef Li-Mai staan voor een

strooien hut met een dak van bananenbladeren, dezelfde die Khamis

voor het afdak op het vlot gebruikt had. Hij strekte de hand naar de

hut uit en Llanga, die hem begreep, zei: "Hier woont hij."

De deur van de hut stond open en van binnen bleek zij te bestaan uit

een enkel vertrek.

Tegen den achterwand lag een soort veldbed van droge kruiden en het

overige huisraad bestond uit een drietal kalebassen, een aarden pot,

gevuld met water en twee kleinere aarden potten. Van vorken hadden

deze boombewoners nog nooit gehoord, zij aten met hunne vingers. Hier

en daar waren planken gemaakt, waarop het proviand lag: vruchten,

wortels, een stuk vleesch, eenige geplukte vogels. Aan een paar sterke

dorens, die als spijkers dienst deden, hingen eenige uit boombast

geweven doeken.

Twee Wagdies, een man en eene vrouw, stonden op, toen Khamis met zijn

troepje voor de hut verscheen.

"Ngora... ngora... Lo-Mai... La-Mai!" riep het negerknaapje, terwijl

het dadelijk naar zijn moeder liep, die het liefkoosde.

John Cort nam het paar eens goed op. De man was van krachtigen,

goed geëvenredigden lichaamsbouw, zijn armen waren iets langer dan

bij den mensch, ook zijn handen iets grooter; zijn voeten rustten

met den geheelen zool op den grond. Zijn gelaatskleur was lichter

dan van de bekende inlanders, zijn haar zwart en kroezend en hij had

een korten, dunnen baard. Zijn hoofd was middelmatig van grootte,

de kaakbeenderen staken niet ver naar voren en de oogen hadden een

levendige uitdrukking. De vrouw was kleiner en had een zachtaardiger

uiterlijk; haar tanden waren prachtig wit, maar wat John Cort vooral

opviel, waren hare sieraden: glazen kralen en paarlen en om haar hals

de medaille van Dr. Johausen, zooals haar kind er ook een had.

Praten met dit tweetal, ging tot John Cort's grooten spijt niet, maar

het was duidelijk, dat zij de grootste gastvrijheid wilden betoonen,

want den bezoekers boden zij dadelijk allerlei vruchten aan.

De Amerikaan luisterde intusschen goed naar de taal, die man en

vrouw met elkander spraken en het kwam hem voor, dat hij, zij het dan

ook verminkt, eenige woorden uit de Congoleesche en uit de Duitsche

taal herkende.

Na een kwartiertje vertrokken de bezoekers weder, thans onder geleide

van den man Lo-Mai zelf en zoo kwamen zij bij de hut, waarin zij den

vorigen nacht hadden doorgebracht en die hun weder tot woning zou

strekken. Voor hoe lang?...

Lo-Mai nam vooral hartelijk afscheid van Llanga, in wien hij

ongetwijfeld den redder van zijn kind herkende en onze vrienden waren

weder alleen.

In de Oer-wouden van Afrika · 第 29 / 40 题