DE REIS VAN DEN 19EN MAART.

Den volgenden morgen werd de reis hervat met den kleinen passagier,

waarvan Llanga niet wilde scheiden en dien hij behoedzaam onder het

bladerdak op het vlot neerlegde. Dat hij behoorde tot een apenfamilie,

hetzij dan van de chimpanzees, gorillas, mandrils of bavianen,

stond voor Max Huber en John Cort vast. Dat Llanga het jonge dier,

dat hij gered had, wilde behouden, zooals men een jong hondje bewaart,

begrepen zij zeer goed, maar naar het jonge dier zelf keken zij niet

om. Zij hadden zelf den kleinen Llanga tot zich genomen, hij mocht

dus wel een kleinen aap tot zich nemen! Bovendien zou het dier,

zoodra het kans zag aan wal te komen, de plaat wel poetsen en zijn

redder met zwarten ondank beloonen!

Het is waar, als Llanga aan zijn blanke vrienden gezegd had: "Hij

kan praten, hij heeft een paar malen ngora gezegd", dan zouden zij

waarschijnlijk meer belang in het aapje gesteld hebben, maar Llanga

zweeg daarover, in twijfel of hij zelf zich niet vergist had. Alleen

nam hij zich voor, goed op te letten, of het nog eens gebeurde.

Daarom bleef hij dan ook onder het bladerdak naast zijn pleegkind

zitten.

"En hoe gaat het nu met je aap?" vroeg Max, toen Llanga een oogenblik

daarbuiten kwam.

"Hij slaapt nog, mijnheer Max."

"En wilt ge hem bij je houden?"

"Ja,.... als U dat goed vindt."

"O, ik heb er niets tegen, maar pas op, dat hij je niet krabt. Die

jonge apen zijn zoo valsch!"

"O, deze niet, mijnheer."

"En hebt je hem al een naam gegeven?"

"Een naam? Welke?"

"Wel, ik zou hem Jocko noemen, alle apen heeten Jocko."

Maar deze naam scheen Llanga niet te bevallen, hij antwoordde niet

en ging naar zijn beschermeling terug.

Dien middag had men geen last van de warmte, de zon bleef achter

dikke wolken verscholen en dat was voor onze reizigers een geluk,

want de Rio Johausen ging dikwijls door groote open plekken, waar

geen schaduw was. De oevers werden weder moerassig en men zou wel een

halve mijl naar rechts of links moeten gaan, om bij groote boomen te

komen. Het was dan ook te hopen, dat er niet weder zoo'n regenbui kwam.

Van wild vertoonden zich niet anders dan watervogels; tot grooten

spijt van Max Huber kwam geen enkel groot zoogdier, geen antilope,

geen waterbok of hoe zij meer heeten, in het gezicht.

Dien dag zocht Khamis te vergeefs naar een geschikte aanlegplaats,

de oevers met allerlei struikgewas bedekt, waren door het daarvoor

liggend drassig en moerassig terrein onbereikbaar.

Hij vaarde dus verder en het was vijf uur, toen John Cort eensklaps

zijn vriend opmerkzaam maakte, op iets, dat zich op den oever bewoog.

"Een buffel!" riep Max Huber, zijn karabijn richtende, "die zal ons

een heerlijke schotel leveren!"

Khamis wendde het roer eenigszins, zoodat het vlot tot op dertig

meter den oever naderde.

De buffel scheen niet van plan om heen te gaan; hij stond onder den

wind en kon dus met volle teugen de frissche lucht opsnuiven, zonder

het gevaar te bemerken, dat hem bedreigde. Max Huber legde voorzichtig

aan, het schot knalde en werd door een klagend gebrul beantwoord. Het

dier stortte neer, gleed langs den hellenden oever en kleurde het

heldere water van de Rio Johausen met een rooden bloedstraal.

Khamis stuurde er behendig heen en sprong op den oever om de beste

stukken van den buffel af te kappen; met te groote vracht mocht het

vlot niet bezwaard worden en dertig of veertig kilo van dit vleesch

zou bovendien genoeg voedsel zijn voor verscheidene dagen.

Vreemd was het, dat Llanga, anders zoo belangstellend in

jachtavonturen, heel niet van onder het afdak te voorschijn kwam,

maar dit had de volgende reden. Op het geluid van het schot was het

jonge aapje uit zijn slaap of zijn bezwijming ontwaakt, het stak zijn

armpjes uit, opende den kleinen mond en kreet:

"Ngora!.... Ngora!"

Ditmaal kon Llanga er niet aan twijfelen, het woord was heel duidelijk

uitgesproken, met een bizonder ratelende r.

Llanga, die het woord Ngora, moeder, natuurlijk goed kende, was zeer

ontroerd en verdubbelde zijn zorgen voor het schepseltje, dat door

Max Huber zoo minachtend een aap genoemd was. Hij goot het wat frisch

water in den mond en bleef naast hem zitten, tot hij eindelijk weder

in slaap viel.

Maar toen had Llanga ook zijn besluit genomen: hij verliet het afdak

en kwam bij zijn vrienden, die het vlot reeds weder van den oever

afstootten naar het midden der rivier.

Llanga aarzelde een oogenblik, maar zei toen op beslisten toon,

terwijl hij zijn hand op Max' arm legde:

"Het is geen aap."

"Geen aap?"

"Neen, hij heeft gesproken, straks, en van nacht ook."

"En wat heeft hij dan wel gezegd?"

"Hij heeft Ngora gezegd."

"Wat!" riep John Cort, "hetzelfde woord, dat ik op dien nacht ook

gehoord heb?"

"Ja, ngora", hernam Llanga.

"Dat moeten wij onderzoeken, Max!" zei de Amerikaan.

Beiden gingen naar het afdak en beschouwden het kleintje. Ja, op het

eerste gezicht zou men zeggen, dat het een aap was, maar het trof John

Cort dadelijk, dat hij hier geen vierhandig, maar een tweehandig wezen

voor zich had. Het kleine schepsel had werkelijk slechts twee handen,

zooals alleen de mensch heeft, want alle apen, zonder uitzondering,

hebben er vier. Zijn voeten waren inderdaad ingericht om er op te

loopen en niet om er iets mee aan te grijpen, zooals bij de apen.

John Cort maakte er zijn vriend opmerkzaam op en deze erkende:

"Het is werkelijk zeer merkwaardig!"

Wat de grootte van het schepseltje aangaat, deze bedroeg nauwelijks

75 centimeter, maar het scheen dan ook nog jong te zijn.

Men kan zich voorstellen hoe verbaasd Max Huber en John Cort waren,

toen zij daar eensklaps tegenover een volkomen vreemd schepsel stonden,

nog door geen enkelen geleerde of natuuronderzoeker ontdekt en dat

de schakel scheen te vormen tusschen den mensch en de dieren!

Zwijgend bleven zij staan, hopende, dat het wezentje weer zou gaan

spreken en terwijl Llanga zijn gelaat met water bette, opende het

eensklaps den mond en stamelde met zwakke stem:

"Ngora!... Ngora!"

"Te deksel, nu hoor ik het ook!" riep Max Huber.

John Cort bukte zich over het schepseltje heen, om beter te luisteren

of het nog andere woorden zou spreken, maar wie beschrijft zijn

verrassing, toen hij zag, dat het iets om zijn hals droeg. Hij betastte

het en het bleek een zijden koord te zijn, waaraan een medaille!

Haastig maakte hij die los en beschouwde haar. Het was een nikkelen

medaille, zoo groot als een cent, met een kop op de eene zijde en

een naam op de andere, en naam en kopstuk beide waren die van dokter

Johausen.

"Hij is waarlijk gedecoreerd door den Duitschen geleerde, wiens ledige

hut wij gevonden hebben!" riep Max Huber meer en meer verbaasd.

Dat die medailles in de streken van Kameroen verspreid waren, had

niets verwonderlijks, want de dokter had ze op ruime schaal onder

de Congoleezen rondgedeeld, maar dat zulk een medaille aan een koord

om den hals bevestigd was van dezen vreemden kleinen bewoner van het

groote Oebanghi-woud...

Maar zij werden in hunne beschouwing gestoord door de stem van den

voorlooper, die hen riep.

"Wat is er?" vroegen zij, buiten komende.

"Luister", antwoordde Khamis.

Vijfhonderd meter verder maakte de rivier eensklaps een rechtsche

bocht, in eene kromming, waar de boomen weer in dichte massa's

stonden. In die richting nu klonk een dof gerommel, heel iets anders

als het geloei van buffels of het gebrul van roofdieren.

"Een vreemd geluid", zei John Cort.

"Misschien is daar een waterval", zei de voorlooper, "de wind komt

uit die richting en ik voel, dat de lucht vochtig is."

En Khamis bedroog zich niet. Verder op boven de rivier dwarrelde fijn

water, als stof en schuim, dat alleen ontstaan kon als het water daar

zeer woest bewogen werd. Als daar een hindernis was, die de verdere

vaart van het vlot belette, zou het voor onze reizigers een ernstig

ding zijn.

Het vlot dreef intusschen tamelijk snel voort en na enkele minuten was

het in de bocht. Thans kon men zien en de vrees van Khamis bleek maar

al te gegrond. Honderd schreden verder vormde een opeenstapeling van

zwartachtige rotsen een barrière van den eenen oever naar den anderen

en alleen in het midden was eene opening, waardoor het water schuimend

en spattend, met groote kracht heendrong. Als het vlot niet spoedig

naar een van de oevers kon gestuurd en daar stevig vastgemaakt worden,

zou het worden meegesleurd en tot splinters geslagen tegen die rotsen.

Er was geen oogenblik te verliezen, Khamis behield al zijn

koelbloedigheid en stuurde op den oever aan. Maar de stroom was te

sterk en Max Huber moest helpen om het roer vast te houden. Misschien

zou het met hun vereende kracht gelukt zijn uit den snellen

middenstroom te komen, maar daar trof hen een groote ramp, de houten

plank, die als roer dienst deed, knapte midden door en het vlot dreef

met duizelingwekkende vaart, zonder stuur, verder.

"Wij moeten tegen de rotsen opspringen", riep Khamis, "anders komen

wij om in den waterval."

Inmiddels was ook Llanga verschrikt te voorschijn gekomen en

onmiddellijk begreep hij het gevaar. Hij keerde naar het bladeren

afdak terug, nam het kleine schepsel in zijn armen en knielde op het

achterste gedeelte van het vlot neder.

Met woeste snelheid dreef het vlot voort, daar rezen de rotsen omhoog

en met schriklijke kracht stootte het zwakke vaartuig er tegen aan. De

opvarenden hadden ijlings hunne vuurwapens en wat verder onder hun

bereik kwam, boven op die rotsen geslingerd en trachtten nog zelf er

op te springen, maar dat gelukte hun niet, zij werden meegesleurd in

de kolk, terwijl de stukken van het verbrijzelde vlot in het schuimende

water werden voortgezweept.

In de Oer-wouden van Afrika · 第 23 / 40 题