Den volgenden morgen werd de reis hervat met den kleinen passagier,
waarvan Llanga niet wilde scheiden en dien hij behoedzaam onder het
bladerdak op het vlot neerlegde. Dat hij behoorde tot een apenfamilie,
hetzij dan van de chimpanzees, gorillas, mandrils of bavianen,
stond voor Max Huber en John Cort vast. Dat Llanga het jonge dier,
dat hij gered had, wilde behouden, zooals men een jong hondje bewaart,
begrepen zij zeer goed, maar naar het jonge dier zelf keken zij niet
om. Zij hadden zelf den kleinen Llanga tot zich genomen, hij mocht
dus wel een kleinen aap tot zich nemen! Bovendien zou het dier,
zoodra het kans zag aan wal te komen, de plaat wel poetsen en zijn
redder met zwarten ondank beloonen!
Het is waar, als Llanga aan zijn blanke vrienden gezegd had: "Hij
kan praten, hij heeft een paar malen ngora gezegd", dan zouden zij
waarschijnlijk meer belang in het aapje gesteld hebben, maar Llanga
zweeg daarover, in twijfel of hij zelf zich niet vergist had. Alleen
nam hij zich voor, goed op te letten, of het nog eens gebeurde.
Daarom bleef hij dan ook onder het bladerdak naast zijn pleegkind
zitten.
"En hoe gaat het nu met je aap?" vroeg Max, toen Llanga een oogenblik
daarbuiten kwam.
"Hij slaapt nog, mijnheer Max."
"En wilt ge hem bij je houden?"
"Ja,.... als U dat goed vindt."
"O, ik heb er niets tegen, maar pas op, dat hij je niet krabt. Die
jonge apen zijn zoo valsch!"
"O, deze niet, mijnheer."
"En hebt je hem al een naam gegeven?"
"Een naam? Welke?"
"Wel, ik zou hem Jocko noemen, alle apen heeten Jocko."
Maar deze naam scheen Llanga niet te bevallen, hij antwoordde niet
en ging naar zijn beschermeling terug.
Dien middag had men geen last van de warmte, de zon bleef achter
dikke wolken verscholen en dat was voor onze reizigers een geluk,
want de Rio Johausen ging dikwijls door groote open plekken, waar
geen schaduw was. De oevers werden weder moerassig en men zou wel een
halve mijl naar rechts of links moeten gaan, om bij groote boomen te
komen. Het was dan ook te hopen, dat er niet weder zoo'n regenbui kwam.
Van wild vertoonden zich niet anders dan watervogels; tot grooten
spijt van Max Huber kwam geen enkel groot zoogdier, geen antilope,
geen waterbok of hoe zij meer heeten, in het gezicht.
Dien dag zocht Khamis te vergeefs naar een geschikte aanlegplaats,
de oevers met allerlei struikgewas bedekt, waren door het daarvoor
liggend drassig en moerassig terrein onbereikbaar.
Hij vaarde dus verder en het was vijf uur, toen John Cort eensklaps
zijn vriend opmerkzaam maakte, op iets, dat zich op den oever bewoog.
"Een buffel!" riep Max Huber, zijn karabijn richtende, "die zal ons
een heerlijke schotel leveren!"
Khamis wendde het roer eenigszins, zoodat het vlot tot op dertig
meter den oever naderde.
De buffel scheen niet van plan om heen te gaan; hij stond onder den
wind en kon dus met volle teugen de frissche lucht opsnuiven, zonder
het gevaar te bemerken, dat hem bedreigde. Max Huber legde voorzichtig
aan, het schot knalde en werd door een klagend gebrul beantwoord. Het
dier stortte neer, gleed langs den hellenden oever en kleurde het
heldere water van de Rio Johausen met een rooden bloedstraal.
Khamis stuurde er behendig heen en sprong op den oever om de beste
stukken van den buffel af te kappen; met te groote vracht mocht het
vlot niet bezwaard worden en dertig of veertig kilo van dit vleesch
zou bovendien genoeg voedsel zijn voor verscheidene dagen.
Vreemd was het, dat Llanga, anders zoo belangstellend in
jachtavonturen, heel niet van onder het afdak te voorschijn kwam,
maar dit had de volgende reden. Op het geluid van het schot was het
jonge aapje uit zijn slaap of zijn bezwijming ontwaakt, het stak zijn
armpjes uit, opende den kleinen mond en kreet:
"Ngora!.... Ngora!"
Ditmaal kon Llanga er niet aan twijfelen, het woord was heel duidelijk
uitgesproken, met een bizonder ratelende r.
Llanga, die het woord Ngora, moeder, natuurlijk goed kende, was zeer
ontroerd en verdubbelde zijn zorgen voor het schepseltje, dat door
Max Huber zoo minachtend een aap genoemd was. Hij goot het wat frisch
water in den mond en bleef naast hem zitten, tot hij eindelijk weder
in slaap viel.
Maar toen had Llanga ook zijn besluit genomen: hij verliet het afdak
en kwam bij zijn vrienden, die het vlot reeds weder van den oever
afstootten naar het midden der rivier.
Llanga aarzelde een oogenblik, maar zei toen op beslisten toon,
terwijl hij zijn hand op Max' arm legde:
"Het is geen aap."
"Geen aap?"
"Neen, hij heeft gesproken, straks, en van nacht ook."
"En wat heeft hij dan wel gezegd?"
"Hij heeft Ngora gezegd."
"Wat!" riep John Cort, "hetzelfde woord, dat ik op dien nacht ook
gehoord heb?"
"Ja, ngora", hernam Llanga.
"Dat moeten wij onderzoeken, Max!" zei de Amerikaan.
Beiden gingen naar het afdak en beschouwden het kleintje. Ja, op het
eerste gezicht zou men zeggen, dat het een aap was, maar het trof John
Cort dadelijk, dat hij hier geen vierhandig, maar een tweehandig wezen
voor zich had. Het kleine schepsel had werkelijk slechts twee handen,
zooals alleen de mensch heeft, want alle apen, zonder uitzondering,
hebben er vier. Zijn voeten waren inderdaad ingericht om er op te
loopen en niet om er iets mee aan te grijpen, zooals bij de apen.
John Cort maakte er zijn vriend opmerkzaam op en deze erkende:
"Het is werkelijk zeer merkwaardig!"
Wat de grootte van het schepseltje aangaat, deze bedroeg nauwelijks
75 centimeter, maar het scheen dan ook nog jong te zijn.
Men kan zich voorstellen hoe verbaasd Max Huber en John Cort waren,
toen zij daar eensklaps tegenover een volkomen vreemd schepsel stonden,
nog door geen enkelen geleerde of natuuronderzoeker ontdekt en dat
de schakel scheen te vormen tusschen den mensch en de dieren!
Zwijgend bleven zij staan, hopende, dat het wezentje weer zou gaan
spreken en terwijl Llanga zijn gelaat met water bette, opende het
eensklaps den mond en stamelde met zwakke stem:
"Ngora!... Ngora!"
"Te deksel, nu hoor ik het ook!" riep Max Huber.
John Cort bukte zich over het schepseltje heen, om beter te luisteren
of het nog andere woorden zou spreken, maar wie beschrijft zijn
verrassing, toen hij zag, dat het iets om zijn hals droeg. Hij betastte
het en het bleek een zijden koord te zijn, waaraan een medaille!
Haastig maakte hij die los en beschouwde haar. Het was een nikkelen
medaille, zoo groot als een cent, met een kop op de eene zijde en
een naam op de andere, en naam en kopstuk beide waren die van dokter
Johausen.
"Hij is waarlijk gedecoreerd door den Duitschen geleerde, wiens ledige
hut wij gevonden hebben!" riep Max Huber meer en meer verbaasd.
Dat die medailles in de streken van Kameroen verspreid waren, had
niets verwonderlijks, want de dokter had ze op ruime schaal onder
de Congoleezen rondgedeeld, maar dat zulk een medaille aan een koord
om den hals bevestigd was van dezen vreemden kleinen bewoner van het
groote Oebanghi-woud...
Maar zij werden in hunne beschouwing gestoord door de stem van den
voorlooper, die hen riep.
"Wat is er?" vroegen zij, buiten komende.
"Luister", antwoordde Khamis.
Vijfhonderd meter verder maakte de rivier eensklaps een rechtsche
bocht, in eene kromming, waar de boomen weer in dichte massa's
stonden. In die richting nu klonk een dof gerommel, heel iets anders
als het geloei van buffels of het gebrul van roofdieren.
"Een vreemd geluid", zei John Cort.
"Misschien is daar een waterval", zei de voorlooper, "de wind komt
uit die richting en ik voel, dat de lucht vochtig is."
En Khamis bedroog zich niet. Verder op boven de rivier dwarrelde fijn
water, als stof en schuim, dat alleen ontstaan kon als het water daar
zeer woest bewogen werd. Als daar een hindernis was, die de verdere
vaart van het vlot belette, zou het voor onze reizigers een ernstig
ding zijn.
Het vlot dreef intusschen tamelijk snel voort en na enkele minuten was
het in de bocht. Thans kon men zien en de vrees van Khamis bleek maar
al te gegrond. Honderd schreden verder vormde een opeenstapeling van
zwartachtige rotsen een barrière van den eenen oever naar den anderen
en alleen in het midden was eene opening, waardoor het water schuimend
en spattend, met groote kracht heendrong. Als het vlot niet spoedig
naar een van de oevers kon gestuurd en daar stevig vastgemaakt worden,
zou het worden meegesleurd en tot splinters geslagen tegen die rotsen.
Er was geen oogenblik te verliezen, Khamis behield al zijn
koelbloedigheid en stuurde op den oever aan. Maar de stroom was te
sterk en Max Huber moest helpen om het roer vast te houden. Misschien
zou het met hun vereende kracht gelukt zijn uit den snellen
middenstroom te komen, maar daar trof hen een groote ramp, de houten
plank, die als roer dienst deed, knapte midden door en het vlot dreef
met duizelingwekkende vaart, zonder stuur, verder.
"Wij moeten tegen de rotsen opspringen", riep Khamis, "anders komen
wij om in den waterval."
Inmiddels was ook Llanga verschrikt te voorschijn gekomen en
onmiddellijk begreep hij het gevaar. Hij keerde naar het bladeren
afdak terug, nam het kleine schepsel in zijn armen en knielde op het
achterste gedeelte van het vlot neder.
Met woeste snelheid dreef het vlot voort, daar rezen de rotsen omhoog
en met schriklijke kracht stootte het zwakke vaartuig er tegen aan. De
opvarenden hadden ijlings hunne vuurwapens en wat verder onder hun
bereik kwam, boven op die rotsen geslingerd en trachtten nog zelf er
op te springen, maar dat gelukte hun niet, zij werden meegesleurd in
de kolk, terwijl de stukken van het verbrijzelde vlot in het schuimende
water werden voortgezweept.