Den volgenden morgen was de lucht geheel opgeklaard, strak blauw
spande zij zich boven de toppen der boomen uit. In de zonnestralen
fonkelden de waterdruppels op bladeren en grashalmen als diamanten. De
grond, die zeer snel opgedroogd was, was voortreffelijk begaanbaar,
maar gelukkig behoefde men er nog geen gebruik van te maken. De Rio
Johausen stroomde altijd nog in Zuidwestelijke richting en Khamis
twijfelde niet of hij zou binnen veertien dagen de Oebanghi bereiken.
"Dat onweer is maar juist bijtijds gekomen", zei John Cort, terwijl
hij en zijn vriend hunne karabijnen zaten schoon te maken en Llanga
het kreupelhout was ingeloopen om eieren te zoeken.
"Dat geloof ik!" antwoordde Max Huber, "als die afschuwelijke dieren
nu maar niet terugkomen, nu het weer opgeklaard is. Wij mogen wel
goed oppassen."
"Ik ben straks den oever honderd pas langs geloopen", hernam John Cort,
"maar ik heb geen enkelen aap gezien."
"Gelukkig! Ik hoop, dat wij onze patronen beter kunnen gebruiken. Het
liet zich aanzien, dat wij waarlijk al onze kogels op de apen moesten
verschieten."
Daar riep Khamis zijn reisgenooten voor het ontbijt en tegelijkertijd
kwam Llanga terug met eenige eendeneieren, die met een stuk
antilope-vleesch een goed maal opleverden.
Toen werd het vlot naar de rivier gesleept en kon de tocht worden
voortgezet.
De Rio Johausen bleek steeds breeder te worden, de takken der boomen
aan weerszijden raakten elkander reeds niet meer en mochten zich dus
nu nog apen op de oevers vertoonen, dan zou dit lang zoo gevaarlijk
niet zijn als den vorigen avond.
Deze dieren vertoonden zich echter niet meer, wel honderden
watervogels, eenden, ganzen, pelikanen, snippen en John Cort schoot
er eenige voor het middagmaal.
Zoo ging de tocht zonder ongevallen voort, tot omstreeks vier uur
Khamis, die het roer hield, aan John Cort verzocht het even over te
nemen, waarna hij op de voorplecht ging staan uitkijken.
Max Huber vroeg dadelijk:
"Ziet gij iets?"
"Daar", zei de voorlooper, terwijl hij een eind verder op de rivier
wees, waar het water zeer beweeglijk was.
"Zou daar een stroomversnelling zijn, of erger nog een waterval?" vroeg
Max.
"Neen", begon Khamis, maar hij zweeg, want een groote straal water
spoot uit de rivier op.
"Te deksel, er zijn hier toch geen walvisschen!" riep Max Huber.
"Neen, maar wel nijlpaarden", antwoordde de voorlooper.
Daar klonk een geweldig geblaas en de geweldige kop van een nijlpaard
verscheen even boven het water.
De hippopotamus, de grieksche naam die letterlijk vertaald,
rivierpaard beteekent, komt nog voor van de Kaap de Goede Hoop tot
aan den 23sten Noorderbreedtegraad. Het is een zachtaardig dier,
maar toch te vreezen, want als het verschrikt, of erger nog, door een
kogel getroffen of geharpoeneerd wordt, dan stort het zich woedend
op de jagers en verbrijzelt hunne booten onder zijn reusachtige kaken.
Onze vrienden op het platte, zwakke vlot konden er dan ook niet aan
denken, het nijlpaard aan te vallen. Het zou al erg genoeg wezen als
het dier het hen deed, als het tegen het vlot stootte....
"Wij moeten hem onopgemerkt voorbij zien te komen", fluisterde Khamis,
"laten wij ons plat op het vlot neerleggen, geen gerucht maken en ons
gereed houden om dadelijk in het water te springen, als dat noodig is."
De raad van Khamis werd onmiddellijk opgevolgd. Allen strekten zich
plat op het vlot uit, dat midden op den stroom voortdreef.
Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. Zou het
vlot opgeheven worden door het reusachtige dier? Neen, het geblaas
en geplas verstomde en toen zij het eindelijk waagden zich wat op te
richten en rond te zien, bleek het nijlpaard verdwenen.
Het is waar, jagers die met de karavaan van Urdax op olifanten
gejaagd hadden, zouden in gewone omstandigheden voor een nijlpaard
niet bang zijn geweest. Meermalen hadden zij er in de Oebanghi zelfs
op gejaagd, maar dan niet aan boord van een zwak vlot en dus waren
zij zeer gelukkig er ditmaal zoo goed afgekomen te zijn.
Dien avond liet Khamis stilhouden in de monding van een beekje op
den rechteroever, onder een boschje bananas. De bodem bleek ook
hier wederom bedekt met allerlei schaaldieren, die zeer goed eetbaar
waren. En het beekje verschafte daarbij heerlijk, frisch water.
"Het zou hier volmaakt zijn", zei Max Huber, "als wij nu ook maar
rustig konden slapen, maar daar zullen die verwenschte muskieten wel
voor zorgen!"
Maar Llanga wist daar goeden raad op. Hij schepte allerlei droge mest
van buffels en antilopen bij elkaar en deze brandstof gaf een dikken,
scherpen rook, een doeltreffend en misschien het eenige middel om
de muskieten te verjagen en dat door de inboorlingen algemeen wordt
toegepast.
Wel moest dit vuur den geheelen nacht worden onderhouden, waartoe de
mannen beurtelings waakten, maar de anderen konden dan rustig slapen
en verkwikt kon men den volgenden morgen vroeg de Rio Johausen verder
afzakken.
Niets is verandelijker dan het weer in dit Aequatoriaal Afrika. Na
den helderen hemel van den vorigen dag, was het luchtruim thans
donkergrijs, hetgeen een regenachtigen dag voorspelde. En weldra
viel dan ook een fijne motregen, maar die lang aanhield en verre van
aangenaam was.
Gelukkig had Khamis een goed idee gehad. De bladeren van den
hier voorkomenden bananenboom zijn misschien de grootste van alle
tropische planten. De inboorlingen gebruiken ze om er de daken van
hunne hutten van te maken en een twaalftal waren genoeg om midden
op het vlot een soort afdak te maken, waarbij lianen heel goed als
touw dienst deden. Dit afdak beschutte de vrienden zeer goed tegen
den fijnen regen.
In de ochtenduren vertoonden zich eenige apen langs den rechteroever,
een twintigtal groote, sterke dieren, die wel geneigd schenen te
zijn om de vijandelijkheden te hervatten. Het verstandigst was elke
aanraking met hen te vermijden en daarom werd het vlot dichter langs
den linkeroever gestuurd, waar zich geen apen vertoonden.
In den middag hield het vlot slechts éénmaal op, om een antilope op
te nemen, die John Cort bij een bocht van de rivier geschoten had.
Maar bij deze bocht wijzigde de Rio Johausen ook eensklaps haar
richting naar het Zuidoosten en dit beviel Khamis in het geheel niet,
want om uit het groote woud te komen, moest men in elk geval naar het
Westen gaan. Gelukkig bleek het, dat de rivier een uur verder weder
haar gewone richting hernam en men kon dus hopen, dat zij het vlot
naar de grens van Fransch Congo zou brengen, van waar men gemakkelijk
Libreville zou kunnen bereiken.
Om half acht was het nog niet donker, een schemering hing nog over
het water, waarop allerlei bundels planten en boomtronken dreven.
Terwijl de overigen bezig waren het vlot aan den linkeroever vast te
meeren en droge bladeren op te hoopen om er een vuurtje aan te leggen,
vermaakte Llanga zich met naar die voorbijdrijvende plantenmassa
te kijken.
Daar kwam in de verte een vrij zware boomstam aandrijven, met de
takken vol bladeren en bloesems en gedeeltelijk onder water. Hoogst
waarschijnlijk was deze boom in het laatste onweer door den bliksem
getroffen. Maar toen hij naderbij kwam, meende Llanga er iets bizonders
aan te zien, tusschen de takken bewoog iets.
Hij riep John Cort en Max Huber, de boom dreef steeds nader, daar
klonk eensklaps een kreet, alsof een menschelijk wezen om hulp riep,
en plotseling stortte zich iets uit den boom en trachtte den oever
te bereiken.
Zonder recht te weten wat hij deed, zonder een woord te spreken, sprong
Llanga in het water en wist het kleine wezentje te grijpen. John Cort
en Max Huber snelden naar den oever en staken hem hunne hand toe.
"Maar Llanga, wat doe je nu!" riep Max.
"Een kind ... dat bijna verdronken was", stamelde Llanga.
"Een kind!" herhaalde John Cort, zeer verbaasd.
"Ja ... ja." En Llanga knielde neer bij het wezen dat hij gered had.
Max Huber keek er eens naar en riep:
"Maar dat is geen kind! Het is een aap, een jong van een van die
afschuwelijke dieren, die ons hebben aangevallen! En voor zoo'n
apenjong heb je gevaar geloopen, zelf te verdrinken, Llanga!"
"Het is wel een kind!" hield de kleine neger vol, en hij droeg het
naar het vuur en legde het daar op een hoopje droge bladeren neer.
De twee vrienden bemoeiden er zich niet verder mede en gingen slapen,
terwijl Khamis tot middernacht de wacht zou houden.
Llanga kon niet slapen. Vol belangstelling nam hij elke beweging van
zijn beschermeling waar. Maar wie schetst zijn verrassing, toen het,
ongeveer om elf uur, op klagenden toon "Ngora! Ngora!" riep, ngora,
zijn moeder!