OP DE JOHAUSEN-RIVIER.

Het was des morgens half zeven van den 16en Maart, toen het vlot werd

losgemaakt en den stroom afzakte. Het was nog niet eens geheel licht,

hoog in de lucht joegen donkere wolken. Als het niet ging regenen,

zou het toch zeker den geheelen dag betrokken blijven.

En daarover beklaagden onze reizigers zich niet, want midden op de

rivier zouden zij anders blootgesteld zijn aan de volle kracht der

zonnestralen.

Het vlot meette ongeveer acht bij twaalf voet, en was dus maar even

groot genoeg voor vier personen en eenige weinige bagage, waarbij

thans ook een stapel droog hout gevoegd was, waarvan Khamis vuur zou

kunnen maken. Aan den achterkant was van een paar planken een soort

roer gemaakt, waarmede het vlot althans eenigszins bestuurd kon worden.

De stroom bleek een snelheid te hebben van omstreeks een mijl in het

uur en als dat zoo bleef, zou het vlot twintig dagen noodig hebben,

om de driehonderd kilometer af te leggen, die onze vrienden nog van

de Oebanghi scheidden. Maar er konden zich allerlei hinderpalen in

de rivier voordoen, er konden onverwachte stroomversnellingen komen

of watervallen en men besloot dus goed uit te zien en voorzichtig

te varen.

Tot aan de middaghalte ging de tocht zonder wederwaardigheden, dank

zij de behendigheid van Khamis had het vlot geen enkele maal gestooten.

John Cort, die met de karabijn in de hand voorop stond, bespiedde

zorgvuldig de oevers. Mocht hij het een of ander wild bespeuren,

dat eetbaar was, dan zou hij dat gemakkelijk neerleggen. En tegen

half tien gebeurde dit reeds; de eerste buit was een waterbok, een

soort antilope, die bij voorkeur aan rivieroevers leeft.

"Een mooi schot!" riep Max Huber.

"Maar doelloos, als wij het dier niet kunnen meenemen", antwoordde

John Cort.

"Dat is een oogenblik werk", zei de voorlooper.

Inderdaad wist hij het vlot handig naar den oever te sturen tot aan de

plek waar de antilope lag en daar werd het spoedig gevild en ontweid,

waarna de goede stukken op het vlot werden gebracht.

Onderwijl beproefde Max Huber zijn talenten als visscher, hoewel hij

maar heel gebrekkig vischtuig had: eenig dun touw, in de hut gevonden

en voor haak een acaciadoorn, waaraan een stukje vleesch gestoken was.

En terwijl Max vischte zat Llanga naast hem met groote belangstelling

er naar te kijken.

En inderdaad, het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan

en werd aan boord gehaald. Hij woog zeker acht of negen pond en de

reizigers zouden niet tot den volgenden dag wachten, om zich aan dit

lekkerbeetje te vergasten.

Zoo bestond het twaalfuurtje uit geroosterde antilopenbout en gekookte

snoek, waarvan niets dan de graten overbleven. Het middagmaal zou

bestaan uit een flinke soep van de antiloperib gekookt en daar deze

lang op het vuur moest staan, begon de voorlooper thans reeds den

brand in het dorre hout op de voorplecht te steken en plaatste hij

de ijzeren pot er op. En toen ging de tocht weer verder.

Tegen zes uur liet Khamis stilhouden bij een rotsachtigen inham,

beschaduwd door de lage takken van een gomboom en dit rustpunt bleek

zeer gelukkig gekozen. Allerlei mosselen en andere schaaldieren

zaten hier tusschen de steenen en sommige hiervan gekookt, andere

rauw vormden eene aangename afwisseling in het avondmaal.

Daar het zich liet aanzien, dat de nacht donker zou zijn, wilde de

voorlooper liever niet midden op de rivier blijven, dikwijls toch

dreven daar zware boomstammen en een botsing daarmede, had het vlot

groote averij toegebracht. Men zou dus op het gras aan den voet van

den gomboom overnachten, en dank zij het beurtelings waken van de drie

mannen, kreeg men dien nacht geen onaangenaam bezoek. Alleen maakten

de apen van zonsondergang tot zonsopgang een heidensch spektakel.

Den volgenden morgen regende het hard en dus werd besloten nog maar

wat te blijven schuilen, want die regenbuien in equatoriaal Afrika

gelijken soms een waren zondvloed.

"Als die regen niet ophoudt", zei John Cort, "zouden wij best hier

kunnen blijven, wij hebben nu kruit en patronen genoeg, alleen zouden

wij wel wat nieuwe onderkleeren mogen hebben."

"En waarom zouden wij ons niet naar het gebruik van het land

kleeden?" vroeg Max Huber lachende. "Als wij dan baden wasschen wij

tegelijkertijd ons linnengoed!"

Tegen half acht begon de regen te bedaren, maar het bleef toch

onstuimig weer. Het vlot ging weer de rivier af en Khamis besloot

niet de gebruikelijke middaghalte te houden, om den verloren tijd in

te halen.

Dit gedeelte van het woud bleek zeer rijk aan wild. Niet alleen

vertoonden zich talrijke watervogels, maar ook pallahs en sassabys,

twee soorten van antilopen. Ook verschenen soms groote elanden,

damherten, zeer kleine gazellen, koedoes, verder quaggas (een soort

zebra) en zelfs bespeurde men eenige giraffen. Het zou zeer gemakkelijk

geweest zijn, eenige dezer dieren te schieten, maar waartoe? Er was

nog voedsel genoeg, het was daarbij elk oogenblik te krijgen en men

behoefde het vlot niet te overladen.

Zoo werden een tiental Kilometer afgelegd. De rivier liep nog altijd

naar het Noordwesten; haar oevers waren afwisselend hoog en laag,

maar steeds bezet met zware boomen, waaronder de bombax of katoenboom,

wiens bladerdak soms de geheele rivier overwelfde.

"Het lijkt waarlijk wel een park!" riep John Cort, vol

bewondering. "Het gelijkt soms op het nationale park van Yellowstone!"

"Behalve dat daar geen apen zijn", antwoordde Max Huber. "En het

lijkt wel of alle apen van de wereld hier hun verzamelpunt hebben

gekozen! Wij zijn waarlijk midden in het apenland!"

En hij had gelijk, want aan de oevers en op de takken der boomen

wemelde het van deze dieren.

"Maar eigenlijk is het geen wonder", hernam de spotzieke

Franschman, "want wij zijn immers in Midden-Afrika en ik geloof dat

tusschen de tweehandige en de vierhandige inboorlingen hier eigenlijk

weinig onderscheid is!"

Het was op het oogenblik de geschikte tijd niet om daarover met Max

te twisten. Van meer belang was het, voorzorgsmaatregelen te nemen

tegen een mogelijk vijandigen aanval dezer apen, die sterk zouden

zijn door hun kolossale overmacht.

De voorlooper bereidde zijn tochtgenooten dan ook op zulk gevaar voor.

"Houd uwe karabijnen en patronen gereed", vermaande hij, "want wij

weten niet wat gebeuren kan."

"Ba! Een enkel schot en de heele bende is op de vlucht", riep Max,

zijn karabijn aanleggende.

"Schiet niet, mijnheer!" riep Khamis, "lok hen niet uit, wij moeten

hen niet aanvallen, wij zullen genoeg te doen hebben met ons te

verdedigen!"

"Maar zij beginnen al!" zei John Cort.

"Schiet alleen, als het bepaald noodzakelijk is", zei de voorlooper.

En werkelijk, van den oever werd met takken, zelfs met steenen gegooid,

door de apen, waarvan sommige buitengewone kracht schenen te hebben.

Khamis deed zijn best het vlot midden op de rivier te houden, maar

toch kon men zich tegen al die projectielen niet geheel beschermen.

"Het wordt te erg!" riep Max Huber en aanleggende op een gorilla,

dien hij aan den oever bespeurde, gaf hij vuur.

Maar op het geluid van het schot werd met een schrikbarend gekrijsch

geantwoord en de bende nam de vlucht niet. Indien men alle apen,

stuk voor stuk, had willen neerleggen, zou het aantal patronen lang

niet toereikend zijn geweest en John Cort beval dan ook spoedig:

"Ophouden met vuren, het maakt de dieren nog maar boozer!"

Dus voer het vlot verder, aan beide oevers door troepen apen

vergezeld. Misschien zouden zij tegen den nacht de vijandelijkheden

staken, maar de voorzichtigheid gebood om geen halteplaats aan den

oever te zoeken; het was echter pas vier uur en om zeven uur zou het

eerst donker zijn; vóór dien tijd kon nog veel gebeuren.

En dat was inderdaad het geval. Om vijf uur werd de hemel aschgrauw,

bliksemflitsen sneden door het luchtruim, gevolgd door geratel van

donder en in weinige oogenblikken hadden de apen, als alle dieren

bang voor onweer, in het dichte woud de vlucht genomen.

In de Oer-wouden van Afrika · 第 19 / 40 题