DOKTER JOHAUSEN.

Die naam was een openbaring! Hij onthulde een gedeelte van het geheim,

een treurig geheim, al was het lachwekkende er ook niet vreemd aan,

want de man, die zulke fantastische proeven had willen nemen, was

hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van zijn streven omgekomen.

Misschien herinnert men zich, dat een Amerikaan, Garner genaamd,

de taal der apen heeft willen bestudeeren. In alle couranten der

wereld is daarover geschreven en ook Max Huber en John Cort hadden

alles daarvan gelezen.

"Hij!" riep Max Huber, "van wien men nooit meer iets gehoord heeft!"

"En van wien men ook wel nooit meer iets hooren zal!" voegde John

Cort er bij.

Deze "hij", dien de twee vrienden bedoelden, was dokter Johausen,

maar alvorens over hem te spreken, moeten wij iets mededeelen over

zijn voorganger, professor Garner.

Alvorens naar Afrika te vertrekken had deze Amerikaan bizondere studie

gemaakt van de apen, en hij was tot de slotsom gekomen, dat die dieren

onder elkander een bepaalde taal spraken, met bepaalde woorden om de

gedachten uit te drukken. In de apenkooi in de diergaarde te Washington

heeft Garner phonografen geplaatst om de woorden van die apentaal op

te vangen en na allerlei onderzoekingen hieromtrent vertrok Garner

in 1892 naar de Gabon, kwam den 12den October te Libreville aan en

nam daar zijn intrek in de factory der firma John Holland & Co.,

waar hij tot Februari 1894 vertoefde.

Eerst toen besloot hij zijn studiën in het land der apen zelf voort

te zetten. Met een kleine stoomboot voer hij de Ogoué op en kwam den

22sten April aan het Katholieke Zendingsstation van Fernand Vaz. De

zendelingen namen hem gastvrij op in hun woning, die aan den oever

van een prachtig meer gebouwd is en hielpen hem in alles, wat zijn

onderzoekingen kon bevorderen.

Achter het Zendingshuis begon een groot woud, dat van de apen wemelde,

maar Garner wilde in nauwere aanraking met die dieren komen en in

hun midden leven. Daartoe had hij een ijzeren kooi laten maken,

die uit elkander kon genomen worden en deze kooi liet hij naar

het woud brengen. Als men hem gelooven wil, heeft hij drie maanden

daarin gewoond, meestentijds alleen en dus doende den gorilla in den

natuurstaat kunnen bestudeeren. Maar meer met de waarheid overeen komt,

dat de voorzichtige Amerikaan zijn kooi niet verder heeft neergezet dan

twintig minuten van het Zendingshuis, een plek, die hij den weidschen

naam gaf van Fort Gorilla en die langs een mooi, schaduwrijk pad te

bereiken was. Hij heeft er zelfs drie nachten achtereen geslapen,

maar geteisterd door duizenden muskieten, kon hij het er niet langer

uithouden; hij brak zijn kooi op en vroeg wederom gastvrijheid bij

de zendelingen, die hem dit gulhartig verstrekten. En den 18den Juni

ging hij weer naar Amerika terug, niets anders medebrengende dan twee

kleine chimpanzees, die er niet aan dachten om met hem te praten!

Garner heeft dus al bitter weinig ontdekt. Als de apen werkelijk met

elkander spreken, dan moet hunne taal altijd nog uitgevonden worden.

En toen gebeurde het twee jaren later, dat een Duitsch geleerde

dezelfde poging wilde doen. Te Malinba, in Kameroen, woonde reeds

eenigen tijd een zekere dokter Johausen, een geneesheer, maar die

zich meer aangetrokken gevoelde tot plant- en dierkunde, en hoewel

reeds boven de vijftig, besloot hij het door Garner opgegeven plan

uit te voeren. Daar hij dikwijls in Libreville kwam, had John Cort

hem meermalen ontmoet.

Deze dokter Johausen was een hoogst begaafd man, die niet alleen

Fransch en Engelsch, maar ook de taal der inlanders sprak. Hij was

rijk, oefende de geneeskunde uit zonder zich te laten betalen, had

geen bloedverwanten en was dus volkomen onafhankelijk. Als bediende

had hij een inlander, met wien hij het best kon vinden en toen hij

dezen zijn voornemen te kennen gaf, om midden in het woud tusschen

de apen te gaan leven, verklaarde de neger zich dadelijk volkomen

bereid om zijn meester te volgen.

Dus werd een kooi, in het genre van die van Garner, maar practischer

ingericht, in Duitschland besteld, en in losse stukken te Malinba

aangebracht. Levensmiddelen, kogels, kruit en andere benoodigdheden

waren daar in grooten voorraad verkrijgbaar. Ook werden eenige

eenvoudige meubelen meegenomen en zelfs een draaiorgel, daar de

dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor

de schoonheden der muziek. Ook liet hij een aantal nikkelen medailles

maken met zijn portret en zijn naam er op, zeker om die aan de hoofden

van de apenkolonie uit te deelen.

Zoo scheepten den 13den Februari 1894 de dokter en zijn bediende

zich te Malinba op een inlandsen vaartuig dat hen naar Nbarri zou

brengen. Maar dan verder? Dat had Johausen aan niemand willen zeggen,

hoe men hem ook met allerlei nieuwsgierige vragen lastig viel. Later

werd bekend, dat hij honderd mijlen verder, naar het dorp Nghila

gegaan was, daar een twintigtal negers als dragers had aangenomen en

in Oostelijke richting getrokken was. Maar sedert had men niets van

hem gehoord. De dragers, die in Nghila terugkeerden, konden niet met

duidelijkheid uitleggen, waar zij hem verlaten hadden, en nu waren

twee jaren verstreken, zonder eenige tijding van den dokter of zijn

trouwen bediende.

Maar John Cort en Max Huber leerden er nu iets meer van. Zij wisten

thans, dat dr. Johausen een rivier in het Noordwesten van het woud

van de Oebanghi had bereikt, een vlot had gemaakt en daarmede die

onbekende rivier was afgezakt, tot kort bij de plek, waar hij zijn

kooi of getralied huisje oprichtte.

Dit alles was thans zekerheid, maar omtrent wat verder gebeurde,

verkeerden beide vrienden in duister. Waarom was de hut leeg? Waarom

hadden de twee bewoners haar verlaten? Hoeveel maanden, weken of dagen

hadden zij er in gewoond? Waren zij vrijwillig vertrokken? Of waren

zij opgelicht? Door wie? Door inboorlingen? Maar het woud ging voor

onbewoond door! Zouden zij door wilde dieren verscheurd zijn? Leefden

dr. Johausen en zijn bediende nog?

Op geen van deze vragen konden onze vrienden antwoord geven.

"Misschien geeft het aanteekenboekje ons inlichtingen", zei John Cort.

Max Huber opende het: sommige bladzijden kleefden door vocht aan

elkander.

"Alleen op de eerste bladzijde staat iets", zei Max Huber, en met

veel moeite gelukte het hem het volgende te ontcijferen:

29 Juli 1894. Met mijn eskorte aan den rand van het Oebanghi-woud

aangekomen. Gekampeerd op den rechteroever eener rivier. Een

vlot gemaakt.

3 Augustus. Het vlot is gereed. De dragers teruggezonden naar

Nghila. Alle sporen van het kamp weggemaakt. Met mijn bediende

op het vlot ingescheept.

9 Augustus. Zeven dagen zonder hindernis de rivier afgezakt. Een

open plek in het woud. Talrijke apen in den omtrek.

10 Augustus. Geland. De hut opgericht onder de eerste boomen aan

den linkeroever. Zeer veel apen. Chimpanzees, gorillas.

13 Augustus. De hut betrokken. Geen spoor van menschelijke wezens

te ontdekken. Waterwild in grooten voorraad. Ook veel visch.

25 Augustus. Leven kalm en geregeld. Eenige nijlpaarden

hebben zich in de rivier vertoond, maar toonden geen

vijandelijkheden. Antilopen geschoten. Des nachts komen groote apen

bij de hut, maar schijnen ook niet vijandig gezind. Heb gemeend

in de verte een vuur te zien ... De apen schijnen wel onder elkaar

te spreken, woorden en zinnen. Een jong heeft herhaaldelijk Ngora

gezegd, dat ook bij de negers het woord voor moeder is ...

Llanga, die aandachtig had zitten luisteren, riep thans:

"Ja, Ngora! Ngora! ... Moeder! Moeder!"

En nu hij dat woord hoorde, herinnerde John Cort zich eensklaps weder,

dat hij op dien nacht, terwijl hij waakte, het ook gehoord had, zonder

dat hij het zich verklaren kon en thans deelde hij dit voorval aan

Max Huber mede.

"Zou die professor Garner werkelijk gelijk hebben?" vroeg zijn

vriend. "Zouden er apen zijn, die kunnen praten?"

Khamis was onder het voorlezen volmaakt onverschillig gebleven. Wat

er met dr. Johausen gebeurd was, kon hem niet schelen. Hoofdzaak was,

dat hij een vlot had gemaakt, waarvan men thans gebruik kon maken en

bovendien nog eenige nuttige zaken in de hut achtergelaten had.

"Het blijkt uit alles", hernam John Cort, "dat de dokter den 9den

Augustus op deze plek is aangekomen. Zijn aanteekeningen loopen niet

verder dan den 25sten van diezelfde maand en om welke reden dan ook,

hij schijnt op dien dag de hut verlaten te hebben, om er niet meer

terug te komen."

Maar voor het oogenblik moesten onze vrienden aan zich zelven denken;

het vlot moest hersteld en weggesleept worden. Later zou men misschien

een expeditie kunnen uitrusten, om het woud te doorzoeken en de twee

vrienden zouden desverlangd kunnen meegaan, maar thans hadden zij

een andere taak.

Alvorens de hut te verlaten, onderzochten zij haar echter nog

eens in alle hoekjes en gaatjes. Zij bood nog een voortreffelijke

schuilplaats aan; het zinken dak bleek onbeschadigd. De traliezijde

was naar het Noorden gericht en dus het minst blootgesteld aan

schadelijke winden. Eenige kleine reparaties waren echter noodig,

een paar planken zouden vernieuwd moeten worden, evenals een paar

palen, die in den vochtigen grond waren beginnen te rotten. Maar

waarom zouden Max Huber en zijn makkers het zich daar moeilijk mede

maken? Het was hoogst onwaarschijnlijk, dat de hut nog eens betrokken

zou worden door een onderzoeker van de apentaal.

Van wapens, gereedschap, kleeren of proviand vond men geen

spoor. Zonder twijfel was alles van dezen aard medegenomen en Khamis

wilde de hut reeds verlaten, toen hij in een hoek tegen iets trapte,

dat een metaalachtig geluid gaf.

Het bleek een ijzeren kistje te zijn, dat daar bijna geheel in den

grond begraven was. Khamis groef het op, opende het en de inhoud

bleek te bestaan uit een honderdtal volkomen onbeschadigde patronen.

"Dank, brave dokter!" riep Max Huber, "mogen wij u ooit dezen dienst

kunnen vergelden!"

En de dienst was inderdaad groot, want de patronen bleken juist van

hetzelfde kaliber te zijn hunner karabijnen.

"Laten wij nu buiten gaan zien", zei John Cort, "of wij daar soms een

spoor van den dokter en zijn bediende kunnen vinden. Het is mogelijk,

dat zij door inboorlingen overvallen en weggevoerd zijn, maar het

is ook mogelijk dat zij zijn gedood en dat hun gebeente nog op een

begrafenis wacht...."

Maar hunne nasporingen waren vruchteloos, althans over een oppervlak

van honderd meter straal leverden zij niets op. Men moest dus wel

aannemen, dat de ongelukkige dokter weggevoerd was... En door wie

anders dan door inboorlingen, dezelfde die Johausen voor apen aanzag

en die onder elkaar praatten?

"Er blijkt in elk geval uit", merkte John Cort op, "dat het woud door

inboorlingen bezocht wordt en dus moeten wij op onze hoede zijn."

"Juist", antwoordde de voorlooper. "En thans naar het vlot!"

Omstreeks negen uur kwam het viertal bij de grot terug en Khamis begon

allereerst voor het ontbijt te zorgen; er was nu een ijzeren pot, men

kon dus een soort soep koken, aangename afwisseling in het gewone menu.

Onderwijl werkten de anderen met grooten ijver aan het repareeren van

het vlot, hetgeen bij gemis aan goed gereedschap nog zoo gemakkelijk

niet ging. Maar lianen en andere sterke slingerplanten bewezen even

goede dienst als touw en toen de zon achter de zware boomen op den

rechter rivieroever wegzonk, was het werk gereed.

Den volgenden morgen vroeg zou men vertrekken, want het was raadzaam

den nacht nog in de grot te blijven. Alvorens te gaan slapen, riep

Max Huber echter eensklaps:

"Ik heb een voorstel!"

"En dat is?" vroeg John Cort.

"Wij moeten iets voor den dokter doen."

"En wat dan?" vroeg de Amerikaan nieuwsgierig.

"Wij moeten deze rivier naar hem noemen."

Niemand had daar iets tegen en dus zou men voortaan kunnen spreken

van de Johausen-rivier.

De nacht ging rustig voorbij, en noch John Cort, noch Max Huber,

noch Khamis, die beurtelings waakten, hoorden ook maar een enkel woord.

In de Oer-wouden van Afrika · 第 17 / 40 题