Toen ons troepje den volgenden morgen ontwaakt was, verheelden John
Cort en Max Huber zich hunne blijdschap niet. Die rivier zou hen zonder
eenige vermoeienis ongeveer driehonderd kilometer verder brengen, tot
waar de Oebanghi was, waarin zij natuurlijk moest uitstroomen. Zoo
zou dus driekwart van den tocht onder de gunstigste omstandigheden
worden afgelegd, en het andere vierde deel was reeds achter den rug,
zooals John Cort met de inlichtingen van den voorlooper uitrekende.
In zuidelijke richting maakte de rivier op ongeveer een halve mijl
afstand een plotselinge bocht en in die bocht toonde het woud zich
weder even dicht als te voren.
Maar John Cort had daar nog niet veel oogen voor, hij dacht maar steeds
aan dat woord "ngora", dat hij in de nachtelijke stilte gehoord had
en dus zocht hij in den omtrek rond, of hij soms menschelijke sporen
kon vinden, maar te vergeefs.
"Ik heb het mij verbeeld", dacht hij, "misschien ben ik een oogenblik
ingeslapen en heb het gedroomd." En hij zei er dan ook maar niets
van aan zijn makkers.
"Wij moeten onmiddellijk aan het werk om een vlot te maken," zei
Khamis, "wilt gij mij helpen mijnheer John, want mijnheer Max moet
op de jacht, er is niets meer te eten."
"Ja, ga je mee, Llanga!" riep Max, "wij zullen den oever eens langs
loopen tot aan die kromming, wie weet of wij geen lekkere visch
kunnen verschalken!"
"Pas maar op de krokodillen, en zelfs op de nijlpaarden," waarschuwde
de voorlooper.
"Nu een nijlpaardenboutje kan heel lekker zijn," schertste Max Huber.
"Maar voor gij het hebt, zal het nijlpaard aardig boos op u zijn,"
zei John Cort, "wees dus verstandig en kom onmiddellijk terug, als
gij eenig gevaar vreest en wees vooral hoogst voorzichtig!"
"Natuurlijk John! Kom Llanga, ga mee!"
"Wees zuinig op uw patronen!" riep de voorlooper Max Huber nog na.
Daarop begon Khamis met John Cort allereerst naar geschikt hout
te zoeken om een vlot van te maken, want hoe eenvoudig dit ook zou
worden samengesteld, hout was er in elk geval voor noodig. Maar zij
hadden geen andere werktuigen dan een bijl en een paar zakmessen
en daarmede konden zij bezwaarlijk de woudreuzen vellen. Khamis
dacht er dan ook maar over om de afgevallen takken te gebruiken,
die met lianen bijeen te binden, en er een vloer over te maken van
vastgestampte aarde en wortels.--Een vlot van twaalf voet lengte en
acht breedte zou voldoende zijn, om het viertal te vervoeren en des
nachts zou men aan den oever kunnen slapen.
Hij deelde dit aan John Cort mede en noodigde dezen uit, met hem het
benoodigde hout te gaan zoeken, zoover zij de rivier langs konden zien,
was alles rustig en dus begaven zij zich onbezorgd op weg. Nog hadden
zij geen honderd schreden afgelegd of zij vonden reeds een groote
hoeveelheid geschikte stukken, maar de grootste moeielijkheid zou
zijn, om ze tot aan den oever van de rivier te slepen. Waren zij te
zwaar voor twee personen, dan zou gewacht moeten worden tot Max en
Llanga terug waren.
Eensklaps hoorde het tweetal luide uitroepen, in de richting van het
Zuidoosten, juist waarheen Max Huber gegaan was.
"Zouden zij in gevaar verkeeren?" vroeg John Cort.
"Vlug! Laten wij gaan zien!" antwoordde de voorlooper.
Na een poos ontdekten zij het tweetal, staande op een hoogte aan
den linkeroever, maar van andere menschen of van dieren was in den
omtrek geen spoor te zien. Zij snelden dus op hunne vrienden toe en
Max Huber ontving hen met de woorden:
"Wij zullen niet noodig hebben een vlot te maken."
"En waarom niet?" vroeg John Cort.
"Omdat er hier een ligt, kant en klaar, wel wat verwaarloosd, maar
gemakkelijk te herstellen."
En werkelijk, in een kleinen inham van de rivier lag een plat vlot,
vastgehouden door een half vergaan touw.
"Zouden de inboorlingen tot hier zijn doorgedrongen?" vroeg Khamis
ongerust.
"Inboorlingen of ontdekkingsreizigers", antwoordde John Cort.
En toch, als dit gedeelte van het groote woud van Oebanghi reeds
bezocht was, zou dit in den Congo en in Kameroen bekend moeten zijn
en de twee blanken hadden nog nooit gehoord, dat dit woud vroeger
reeds doorzocht was.
"Maar wat doet dat er toe", hernam Max Huber, "de hoofdzaak is of
wij dat vlot kunnen gebruiken."
"Zeer zeker", antwoordde Khamis en wilde er op stappen, toen hij door
een kreet van Llanga teruggehouden werd.
De knaap had iets van den grond opgeraapt en toonde het aan zijn
vriend Max. Het was niets minder dan een hangslot, zwaar verroest en
zonder sleutel, maar een echt hangslot.
"Dat is niet afkomstig van Congoleezen of andere negers", zei de
Franschman, ten hoogste verbaasd. "Hier moeten blanken geweest
zijn...."
"Die nooit teruggekeerd zijn", voegde John Cort er bij.
En dit was inderdaad eene gevolgtrekking, die voor de hand lag. De
zware roest op het slot bewees, dat het zeker reeds eenige jaren hier
gelegen moest hebben en uit deze vondst viel tweeërlei af te leiden:
1e Ontdekkingsreizigers waren op deze plek geweest;
2e Om onbekende redenen hadden zij hun vlot hier achtergelaten.
Maar, wat daarvan zij, vast stond, dat zij nimmer waren teruggekeerd,
John Cort noch Max Huber hadden sedert zij in de Congo woonden,
ooit van blanke reizigers in het groote, onbekende woud gehoord.
En wat hier nog bij kwam: Max Huber moest afstand doen van de eer,
van de eerste te zijn, die deze onbekende streken bezocht.
Volkomen onverschillig voor die eer, onderzocht Khamis de planken
en balken van het vlot. De laatsten waren nog in goeden staat, van
de eersten zouden eenige vernieuwd moeten worden, maar dat was niet
erg, een heel nieuw vlot behoefde men nu in elk geval niet te maken,
met enkele reparaties was men klaar!
Maar de twee vrienden konden over die vreemde vondst maar niet zwijgen.
"Er is geen kwestie of hier zijn blanken geweest!" zei John Cort;
"het vlot kon desnoods nog het werk van negers zijn, maar dat hangslot
nooit!"
"Wie weet wat wij nog verder vinden", merkte Max op; "misschien is
hier in de buurt wel een kampement geweest. Laten wij eens wat verder
langs den oever gaan, misschien vinden wij wel wat keukengereedschap,
dat zou ons goed te pas komen!"
Het viertal liep langs den oever, een soort natuurlijk dijkje tusschen
het moeras links en de rivier rechts, en heele vluchten watervogels
vlogen voor hunne voeten op. Natuurlijk keken allen opmerkzaam rond,
in de verwachting voetsporen te vinden, of een ander voorwerp, maar
zij ontdekten niets.--Toen zij bij de eerste boomen kwamen, werden
zij begroet door het gekrijsch van een troep apen. Deze dieren schenen
niet erg verbaasd bij het zien van menschen.
"Maar zij hebben toch dat vlot niet gemaakt", zei John Cort, "en hoe
slim zij ook zijn, een hangslot zouden zij toch nooit kunnen maken!"
"Evenmin als een kooi", voegde Max Huber er bij.
"Wat bedoelt gij?"
"Wel, ik geloof dat ik daar verder op iets zie, dat wel een kooi
lijkt."
"Mijnheer heeft gelijk", bevestigde Khamis, "daar staat een hut met
traliewerk. Laten wij voorzichtig zijn."
"Komaan, wat voor gevaar kan ons dreigen!" riep Max Huber vol ongeduld.
En inderdaad, menschen schenen hier niet te zijn. Zoo sloop het
viertal behoedzaam nader en kon de hut duidelijker opnemen. Zij
stond tusschen mimosas en had een schuin dak van verdroogde bladeren,
terwijl slingerplanten aan alle zijden tot aan den bodem reikten. Maar
wat haar wel het aanzien gaf van een kooi, dat waren de traliën aan
de voorzijde, precies als van een hok in een menagerie.
En in die tralies was een deurtje, dat open stond en de kooi was leeg.
Max Huber snelde naar binnen en vond eenige kostbare voorwerpen:
een pan, een kop, een wollen deken, een bijl, en een half vergaan
brillenhuisje! In een hoek stond een koperen kistje, zoo verroest,
dat hij het niet open kon krijgen. Eindelijk met behulp van een mes
gelukte dit en in het kistje lag een aanteekenboekje, waar buiten op
een naam te lezen stond: Dokter Johausen.