Den volgenden morgen, 11 Maart, hervatten John Cort, Max Huber,
Khamis en Llanga, geheel uitgerust, hun tocht.
Nog waren zij niet ver gegaan, of zij kwamen op een plek,
die ongetwijfeld dikwijls door groote dieren werd bezocht, want
verscheidene platgetrapte paden liepen hier in allerlei richting. En
het duurde dan ook niet lang of men zag een kudde buffels en kort
daarop in de verte zelfs een paar neushoorns, die men wijselijk
besloot maar ongemoeid te laten.
Eerst tegen den middag, na ongeveer twaalf kilometer te hebben
aangelegd, nam ons troepje rust. John Cort was zoo gelukkig een
paar trapganzen te schieten, groote, zwarte vogels, wier vleesch
overheerlijk smaakte.
En daarna werd de tocht door de wildernis weder hervat en meer en
meer werd het woud ondoordringbaar, dicht struikgewas en een gordijn
van slingerplanten versperden overal den weg en de messen moesten
duchtig dienst doen. Het bladerdak was zóó dicht, dat van een regenbui,
die een paar uren aanhield, bijna geen druppel op den bodem terecht
kwam, maar Khamis kon toch op een meer open plekje den bijna leegen
waterzak vullen, hetgeen niet te versmaden was, want tot dusver had
hij nog geen stroompje of beekje kunnen ontdekken.
De nacht van den 11den op den 12den Maart werd niet tusschen de
wortels van een katoenboom doorgebracht, maar aan den voet van een
niet minder reusachtigen boom, een bombax, wiens stam zich honderd
voet hoog verhief. Het waken geschiedde als naar gewoonte en de rust
werd niet verstoord, dan door het verwijderd geloei van buffels of
neushoorns. Dat het gebrul van een leeuw zich daartusschen zou mengen,
was niet waarschijnlijk, want deze gevaarlijke roofdieren bewonen
de dichte bosschen van Centraal-Afrika niet. Op hoogere breedte,
hetzij ten Zuiden van de Congo, hetzij Noordelijker, in Soedan,
nabij de grenzen van de Sahara, worden zij gevonden. De koning der
dieren heeft ruimte noodig, groote vlakten door de zon bestraald,
waar hij bot kan vieren aan zijn ontembaren vrijheidszin.
En ook kon het geen geloei van nijlpaarden zijn, hetgeen voor onze
vrienden wel te betreuren was, want de nabijheid van die dikhuiden
zou tevens de nabijheid eener rivier hebben verraden.
Den volgenden morgen vroeg, bij betrokken lucht, trok men weder
voort. Het duurde niet lang of Max Huber had het geluk een antilope te
schieten, van de grootte van een zebra. Het was een Oryx, roodbruin
van kleur met een zwarten streep over den rug en zwarte ringen aan
de pooten. De horens van deze dieren zijn niet zelden een meter lang
en dienen hun tot doeltreffend wapen, somtijds zelfs tegen een aanval
van den leeuw.
Khamis vilde en ontleedde het dier spoedig, hetgeen ongeveer een uur
in beslag nam en zoo had het troepje weder voor verscheidene dagen
vleesch genoeg.
Het liet zich echter aanzien, dat men dien dag nog meer kogels zou te
verschieten hebben. Reeds een mijl verder stond de voorlooper in beraad
zijn karabijn af te vuren op een troep apen, leelijke hondskopbavianen,
die geruimen tijd in de nabijheid der menschen bleven en soms een
dreigende houding aannamen. Maar tegen twee uur, toen het viertal een
breeden platgetrapten weg bereikte, die zich tamelijk ver scheen uit
te strekken, verdwenen de ongure beesten in het dichte van het woud.
Mochten zij zich zelf geluk wenschen met zoo'n gemakkelijk begaanbaar
pad, er stond tegenover, dat zij veel kans liepen de groote dieren
te ontmoeten, die het pad gemaakt hadden.
En inderdaad, een paar uur later hoorden zij niet ver af een dof
geloei, het waren twee neushoorns.
Khamis zag hen het eerst en wenkte zijn makkers stil te blijven staan.
"Gevaarlijke dieren, die neushoorns", fluisterde hij, zijn karabijn
gereed houdende.
"En toch eten zij alleen planten", merkte Max Huber op.
"Wat moeten wij doen?" was de verstandige vraag van John Cort.
"Hen ongemerkt voorbij zien te komen of voorbij laten gaan", antwoordde
de voorlooper. "Maar wij moeten ons gereed houden, want als zij ons
zien, zullen zij zich op ons storten."
Het viertal overtuigde zich, dat de karabijnen in goeden staat waren
en sloop van het breede pad zijwaarts in de struiken.
Vijf minuten later kwamen de dikhuiden aandraven, recht op het boschje,
waar onze vrienden zich verscholen hadden, en bleven eensklaps
staan. Ongetwijfeld hadden zij de aanwezigheid der menschen geroken,
of op andere wijze bespeurd.
Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan, een schot weerklonk,
gevolgd door een, twee andere, maar de kogels drongen te nauwernood
door de op een pantser gelijkende huid heen.
De boomstronken en struiken zouden zeker geen hinderpaal voor die
twee kolossen opleveren. In een oogwenk zou alles vertrapt, zou het
viertal vermorseld zijn. Te nauwernood aan de olifanten ontkomen,
zouden zij thans gedood moeten worden door de rhinocerossen uit het
groote woud. De vlucht konden zij niet nemen, de dichte slingerplanten
en lianen zouden hen te veel belemmeren, zij zouden dadelijk zijn
ingehaald. Maar er stonden boomen en dichtbij zelfs een groote
boabab, op wiens takken zij veilig zouden zijn en die stevig genoeg
in den grond stond, dat een paar neushoorns zijn wortels niet zouden
kunnen loswoelen, zooals de olifanten met de tamarindeboomen gedaan
hadden. Maar de eerste takken waren wel vijftig voet van den grond
en de zware stam bood geen enkel hulpmiddel om er tegen op te klimmen.
Nog stond Khamis na te denken, hoe hij zijn troepje in veiligheid
kon brengen, toen de struiken aan den rand van het pad bewogen en
daar vertoonde zich de groote kop van den neushoorn.
Fluks schoot John Cort zijn karabijn af, maar de kogel drong slechts
in den schouder en onder een hevig gebrul kwam de neushoorn aanstormen,
met den anderen dicht achter zich.
Dit ging zóó vlug, dat niemand tijd had gehad zijn karabijn opnieuw
te laden, het was zelfs te laat om in verschillende richtingen in de
struiken te vluchten en instinctmatig snelden allen naar den boabab,
om zich achter diens dikken stam te verschuilen.
Onder een hevigen schok trilde de boabab tot in zijn wortels;
de eerste rhinoceros was in blinde woede er op aan gestormd, maar
zijn hoorn was in den stam gedrongen als de bijl van een houthakker
en welke kracht hij ook inspande, hij kon hem niet dadelijk weder
losrukken. Het tweede dier bleef verschrikt op eenigen afstand staan
en alleen uit het stampen zijner hoeven en het zwaaien van zijn staart,
bleek zijn groote woede.
"Vlug! Vlug!" riep Khamis en op zijn voorbeeld snelden allen zijwaarts,
het struikgewas in. Tot hun verbazing werden zij niet achtervolgd
en na een dollen loop van vijf minuten bleven zij eindelijk buiten
adem staan.
Dit was inderdaad een wonderbaarlijke redding en geen hunner dacht
er aan, naar den boabab terug te keeren, om te zien of de neushoorns
er nog waren. Met een breeden omweg kwamen zij op het pad terug en
tegen zes uur in den avond kozen zij een haltepunt aan den voet van
een hooge rots.
De volgende dag bood geen wederwaardigheden aan; de weg werd niet
moeilijker begaanbaar en zoo konden weder een dertigtal mijlen in
Zuidwestelijke richting worden afgelegd. Maar van een stroom of rivier
was nog altijd niets te bespeuren.
Na het gewone avondmaal van antilopevleesch legde men zich ter ruste,
maar de slaap werd verstoord door honderden vleermuizen, kleine en
groote, die eerst tegen het aanbreken van den dag verdwenen.
"Afschuwelijke beesten", mopperde Max Huber, "ik heb geen oog dicht
kunnen doen!"
"En toch hebt gij geen reden tot klagen", antwoordde de voorlooper.
"Wat zegt ge daar! En waarom niet?"
"Omdat het beter is met vleermuizen te doen te hebben dan met muskieten
en daarvoor zijn wij tot dusver gelukkig gespaard gebleven."
"En zullen die ons ook nog komen plagen, Khamis?"
"Zonder twijfel, zoodra wij bij een rivier komen."
"Bij een rivier! Gelooft gij dan nog aan een rivier, hier in dit
bosch? Ik niet meer!"
"En toch is zij misschien niet eens zoo ver meer af", hernam de
voorlooper.
Hij had werkelijk eenige verandering in den bodem opgemerkt en
zij waren nog geen drie uur verder, of de grond werd moerassig
en hier en daar vertoonden zich gewassen, die aan waterplanten
deden denken. Weldra zag men eenige gaugas, een soort wilde eenden,
opvliegen en toen de zon naar de kim begon te dalen, begon het gekwaak
van kikvorschen.
"De muskieten zijn niet ver meer af!" merkte Khamis droogjes op.
De plantenwereld begon van aanzien te veranderen, er vertoonden
zich insekten, die men tot dusver niet gezien had, reusachtige,
afschuw wekkende duizendpooten, maar ook wespen en de beruchte
tsetsé-vlieg. Maar hoe gevaarlijk deze laatste ook moge zijn voor
paarden en kameelen, voor den mensch is hij onschadelijk, evenals
voor roofdieren.
Het kleine troepje bleef tot ongeveer half zeven in Zuidwestelijke
richting voorttrekken en Khamis zag reeds uit naar een geschikte
rustplaats voor den nacht, toen de aandacht van Max Huber en John Cort
getrokken werd door roepen van Llanga. De negerknaap was naar zijn
gewoonte wat afgedwaald en zijn onduidelijk geroep verschrikte beide
vrienden niet weinig. Zou hij in gevaar verkeeren? Met de karabijn
in de hand snelden zij toe, maar waren weldra gerustgesteld.
Llanga stond op een omgevallen boomstam en riep luidkeels:
"De rio!.... de rio!"
Ook Khamis was spoedig toegesneld en daar, op een halven mijl
afstands, slingerde zich een stroom, waarvan het water de stralen
van de ondergaande zon weerspiegelde.
"Nu komen wij gemakkelijk aan de Oebanghi", zei de voorlooper verheugd.
En inderdaad, het zou den vier mannen niet moeilijk vallen een soort
vlot te maken, waarmede zij den stroom zouden kunnen afzakken.
Door een moerassige streek, terwijl de duisternis meer en meer begon
te vallen, liepen onze vrienden in de richting der rivier en het was
donker, toen zij haar tamelijk hoogen oever bereikten. Hier stonden
zeer weinig boomen, geheel anders dan aan den overkant, waar het woud
dicht en somber scheen. John Cort schatte de breedte der rivier op
een veertig meter, het was dus geen beekje, maar werkelijk een stroom
van eenige beteekenis. Intusschen deed men wijzer tot den volgenden
dag te wachten, om zich rekenschap te geven van den toestand en zoo
zocht Khamis een geschikte plek voor de nachtrust op, die hij in een
soort rotsachtige uitholling in den oever meende gevonden te hebben.
De eerste uren zou John Cort waken en hij zag niets verdachts, maar
wel meende hij af en toe een klagende stem te hooren, die "Ngora,
Ngora!" riep, het woord dat in de negertaal moeder beteekent.