GEEN KEUZE!

Het was toen bijna middernacht. De vluchtelingen waren thans voor

de olifanten veilig, maar zouden minstens zes uren in deze dichte

duisternis moeten doorbrengen! Zes lange uren van gevaar en angst!

"Wij moeten wakker blijven", fluisterde Khamis, zoodra hij wat op

adem gekomen was.

"Ja", antwoordde John Cort, even zacht, "wij moeten ons gereed houden

op een aanval van de inboorlingen. Zij zullen niet ver af zijn, want

hier hebben zij gekampeerd, hier heeft hun vuur gebrand, en kijk,

daar gloeien zelfs nog enkele stukken hout!"

"Nu, ik geloof, dat zij ver weg zijn", hernam de onbezorgde Max Huber,

"maar hoe het zij, ik ben dood van den slaap. Kom aan, Llanga, ga

ook liggen. Ik ga slapen, wel te rusten!"

John Cort haalde de schouders op en bleef met Khamis praten. Zij

hadden het natuurlijk over den ongelukkigen Portugees, die zulk een

vreeselijk einde gevonden had.

"Hij had het hoofd verloren!" zei de voorlooper, "nu hij zag hoe die

lafhartige dragers al zijn bezittingen roofden!"

"Arme kerel!" zei John Cort en dit waren zijn twee laatste woorden,

want door vermoeienis overmand, strekte ook hij zich op het gras uit

en was weldra in diepen slaap.

Zoo bleef Khamis alleen waken. Hij luisterde naar elk geluid, poogde

de duisternis met zijn oogen te doorboren, maar hij hoorde of zag

niets en zoo bleef hij op zijn post tot de ochtend begon te grauwen.

Onze lezers zullen wel reeds hebben opgemerkt, welk onderscheid er

in karakter tusschen Max Huber en zijn vriend den Amerikaan bestond.

John Cort was ernstig van aard en zeer practisch, wat hij met de

meeste zijner landgenooten gemeen had. Hij was in Boston geboren

en dus een echte Yankee, maar had van de Yankees alleen de goede

eigenschappen. Hij voelde zich bij uitstek aangetrokken tot de studie

der volkenkunde en had als ontdekkingsreiziger meermalen grooten moed

aan den dag gelegd.

Max Huber was een echte Parijzenaar, vroolijk, luchthartig, edelmoedig

en dapper, maar altijd verlangend naar iets "bizonders", zoodat hij

zich niet zelden in groote gevaren zou hebben gestoken, als zijn

voorzichtiger vriend hem niet weerhouden had; en dit was sedert hun

vertrek uit Libreville meer dan eenmaal het geval geweest.

Libreville is de hoofdstad van Fransch-Congo en van de Gabon en in 1849

op den rechteroever dezer rivier gesticht. Op het oogenblik telt zij

ongeveer 1600 inwoners. Er woont een gouverneur, er is een hospitaal,

een zendingshuis, maar buiten eenige factorijen en kolenparken biedt

de stad verder niets bizonders aan. Drie mijlen verder ligt het dorp

Glass, waar vooral Duitsche, Engelsche en Amerikaansche factorijen

gevestigd zijn.

En hier hadden Max Huber en John Cort elkander zes jaar geleden leeren

kennen en een innige vriendschap gesloten. Zij waren beiden werkzaam

in de Amerikaansche factorij, die belangrijken handel dreef in ivoor,

oliën, palmwijn, en inlandsche vruchten.

Drie maanden te voren hadden de twee vrienden het plan opgevat, de

streek te bezoeken, die zich Oostelijk van Fransch-Congo en Cameroen

uitstrekt. Zij waren hartstochtelijke jagers en sloten zich gaarne aan

bij een karavaan, die toen juist uit Libreville naar die streken zou

trekken, waar het nog van olifanten wemelt, voorbij Bahar-el-Abiad

tot aan Barghimi en Darfoer. Die karavaan stond onder bevel van den

Portugees Urdax, welke reeds in 1887 deel uitmaakte van de Vereeniging

van Olifantenjagers, waarvan Stanley bij zijn komst in Ipoto eenige

zou ontmoeten.

En aanvankelijk was de tocht met deze karavaan, zooals wij gezien

hebben, zeer voorspoedig. Max Huber en John Cort, die reeds goed aan

het klimaat waren gewend, verdroegen alle vermoeienissen van zulk een

tocht, zij werden wel wat magerder, maar bleven goed gezond en zoo

zouden zij behouden zijn teruggekeerd, als thans die schrikkelijke

ramp niet over hen gekomen was! Het hoofd van de karavaan had zulk een

vreeselijk einde gevonden, terwijl zij nog slechts een zestienhonderd

mijlen van Libreville verwijderd waren!

Hoe dikwijls had Urdax hen niet over "het groote bosch" gesproken, dat

woud van Oebanghi, waarin zij thans waren. En inderdaad, het verdiende

den naam van groot ten volle! Er zijn op de aarde nog enkele streken,

bezet met duizenden boomen, streken zóó uitgestrekt, dat menig rijk

in Europa minder oppervlakte heeft!

Onder de uitgestrekte wouden der aarde worden vooral vier genoemd,

die gelegen zijn in Noord-Amerika, in Zuid-Amerika, in Aziatisch

Siberië en in Midden-Afrika.

Het eerste, dat zich in Noordelijke richting uitstrekt tot aan de

Hudsonbaai en het schiereiland Labrador, beslaat over de districten

Quebec en Ontario ten Noorden van de Sint Laurens-rivier eene

oppervlakte ter lengte van 2750 en ter breedte van 1600 K.M.

Het tweede strekt zich in de Amazonevallei in Noord-Westelijk Brazilië

uit over 3300 K.M. lengte en 2000 K.M. breedte.

Het derde, 4800 K.M. bij 2700 K.M., bedekt met zijn reusachtige

pijnboomen van 150 voet hoogte, een gedeelte van Siberië, van de

Obivlakte in het Westen tot de Indighiska vallei in het Oosten.

Het vierde eindelijk--waarover wij het in deze bladzijden meer

bepaaldelijk hebben--strekt zich uit van de Congo-vallei tot aan de

bronnen van den Nijl en de Zambesi, over een oppervlakte, die nog

niet nauwkeurig gemeten is, maar waarschijnlijk de drie hiervoor

genoemden nog overtreft.

Zooals wij mededeelden, had Urdax zich niet in dit woud durven wagen,

maar het plan gehad het Westelijk om te trekken. Hoe had ook de wagen

met zijn zes ossen in dezen doolhof vooruit kunnen komen?

Maar thans waren de omstandigheden geheel veranderd; geen wagen

meer, geen ossen meer, geen groote sleep van dragers, geen

kampgoederen. Niets was van de karavaan over dan drie mannen en

een knaap, die hier, vierhonderd mijlen in het binnenland, van elk

vervoermiddel verstoken waren!

Wat moesten zij doen? Den weg nemen, dien Urdax had willen volgen,

maar dan onder veel ongunstiger omstandigheden? Of trachten te voet

het woud dwars door te trekken?

Dit was het onderwerp, dat Max Huber en John Cort den volgenden morgen

direct bespraken.

Heel den nacht had de brave voorlooper de wacht gehouden, maar niets

had de rust der slapenden verstoord. Wel was hij meer dan eens met de

revolver in de hand, een vijftig schreden ver door het kreupelhout

geslopen, als hij eenig geluid had gehoord, maar dat bleek dan het

kraken te zijn van doode takken, of de vleugelslag van een of anderen

grooten nachtvogel.

Zoodra John Cort bij het krieken van den dag de oogen opende, had

hij Khamis gevraagd:

"En de inboorlingen?"

"En zouden zij geen sporen van hun doortocht hebben achtergelaten?"

"Wel waarschijnlijk, aan den zoom van het woud, mijnheer John."

"Laten wij dan gaan zien."

Alle vier slopen voorzichtig door het struikgewas tot aan den rand

van het bosch en inderdaad, hier waren nog overblijfselen te zien

van verscheidene vuren, maar van menschen geen spoor.

"Zij zijn weg", zei John Cort.

"Ten minste voor het oogenblik", antwoordde Khamis, "maar anderen

zijn er nog: de olifanten."

Inderdaad dwaalden nog verscheidene dezer dikhuiden over de vlakte rond

en Max Huber en zijn genooten konden zien, hoe het tamarindeboschje

bij den heuvel, waar zij gekampeerd hadden, geheel met den grond

gelijk gemaakt was.

"Wij moeten ons schuil houden", zei Max, "dan zullen de olifanten ten

laatste wel wegtrekken en hebben wij kans naar het kamp terug te gaan

en nog iets te redden, wat kisten met proviand en ammunitie."

"En kunnen wij tevens onzen ongelukkigen Urdax een behoorlijke

begrafenis geven", voegde John Cort er bij.

"Zoolang de olifanten hier blijven ronddwalen, valt daaraan niet te

denken", zei Khamis, "en van de bagage zal bovendien wel alles in

gruizelementen zijn."

Het viertal ging dus weder terug, het woud in, en Max Huber was zoo

gelukkig, onder weg een stuk wild te schieten, waaraan het gezelschap

wel genoeg voedsel zou hebben voor drie dagen.

Het was een Inyala, een soort antilope, grijs met bruine stippels,

met spiraalvormig gedraaide horens en lange haren onder den hals en

borst. Het dier woog meer dan tweehonderd vijftig pond, en Llanga,

die als een jachthond er op toegeloopen was, kon er dus niets mede

beginnen. Maar Khamis kwam hem te hulp. Zeer handig stroopte hij het

dier en sneed de bruikbare stukken af, die boven een weldra aangelegd

vuur geroosterd werden. Blikjes levensmiddelen en beschuit hadden

onze vrienden niet meer; zonder twijfel hadden de dragers al deze

kisten geroofd, gelukkig dus, dat een knap jager hier nog altijd

genoeg viervoetig of gevleugeld wild schieten kon.

Erger was, dat de voorraad patronen niet zoo bizonder groot was. John

Cort, Max Huber en Khamis waren wel gewapend met voortreffelijke

karabijnen en revolvers, maar wat baatten hun die wapens, als kruit en

kogels ontbraken! Met alles wat zij op het laatste oogenblik nog uit

den wagen hadden kunnen medenemen, bezaten zij weinig meer dan vijftig

patronen, een schrale hoeveelheid, als zij zich te verdedigen zouden

hebben tegen wilde dieren en inboorlingen, op een tocht zeshonderd

kilometer lang, voor zij den linkeroever van de Oebanghi zouden

hebben bereikt.

Onder het eenvoudige maal, waarbij een teug water werd gedronken

uit een klein beekje, dat tusschen de boomen stroomde, bespraken zij

ernstig wat thans te doen.

"Khamis", zei John Cort tot den voorlooper, "tot dusver was Urdax onze

aanvoerder, dien wij altijd gewillig volgden, omdat wij vertrouwen

in hem stelden. Datzelfde vertrouwen stellen wij ook in u, op grond

van uw karakter en uw ondervinding. Zeg dus, wat gij ons onder deze

omstandigheden aanraadt. Gij kent dit land, reeds vele jaren diende

gij de karavanen hier tot gids, geef ons dus raad en wij zullen doen

wat gij zegt."

"Mijnheer John," antwoordde de voorlooper bescheiden, "gij kunt op

mij vertrouwen."

"Welnu, wat is uw meening? Moeten wij het plan van Urdax volgen en

het bosch omtrekken?"

"Neen, wij moeten er dwars doorheen," antwoordde de voorlooper zonder

aarzelen. "Gevaarlijke ontmoetingen zullen wij er niet hebben,

ja misschien wilde dieren, maar geen vijandige inboorlingen, die

wagen zich nooit zoo diep in dit woud. Wij loopen op de vlakte juist

veel grooter gevaar door die rondzwervende stammen.--Te voet, zonder

wagens of bagage, zal het ons mogelijk zijn een doortocht te vinden,

en als wij in zuid-westelijke richting gaan, heb ik wel hoop, dat

wij de Oebanghi bereiken."

De raad van Khamis scheen verstandig, alleen moest men zich wel

rekenschap geven van de hinderpalen, die men in zulk een oer-woud zou

kunnen aantreffen. Van een eenigszins begaanbaar pad zou natuurlijk

geen sprake zijn, hoogstens wat doorgangen door buffels, neushoorns

of andere groote dieren op hunne geregelde wegen, veroorzaakt. Ook

zou de bodem ongetwijfeld met dicht struikgewas begroeid zijn,

hetgeen men zou moeten wegkappen, waarvoor de voorlooper een bijl,

maar de andere slechts een zakmes zouden hebben.

Ook zou het moeilijk zijn zich onder de zware boomen te oriënteeren,

daar de stand van de zon dikwijls niet zou zijn waar te nemen, maar

dit behoefde geen zorg te baren, want Khamis had als vele negers--en

zooals ook de Indianen van het Verre Westen hebben--een soort instinct,

om meer geleid door gehoor en reuk dan door het gezicht, de juiste

richting te vinden.

"Bedenk echter," zei Max Huber, "dat westelijk van ons kamp een

stroompje liep in de richting van het woud. Misschien wordt het

verder op wel een rivier en wij zouden dan van boomstammen een vlot

kunnen maken...

"Je gaat weer fantaseeren, Max," zei de Amerikaan.

"Toch heeft mijnheer Max gelijk," hernam de voorlooper, "er is

inderdaad een stroom, die in de Oebanghi moet uitloopen...."

"En die wel als alle rivieren in Midden Afrika grootendeels

onbevaarbaar zal zijn," zei John Cort.

"Gij ziet ook niets dan moeilijkheden," merkte Max Huber op.

"Beter vooraf, dan te laat!" antwoordde zijn vriend zeer terecht.

"Nu goed, op weg dan!" riep de Franschman, en inwendig had hij heel

veel lust om dat groote onbekende woud in te trekken. Misschien zou

hij hier nu werkelijk eens iets heel buitengewoons beleven, waarnaar

hij altijd zoo verlangd had!

In de Oer-wouden van Afrika · 第 9 / 40 题