De regeering van Queensland vervult met veel plichtsbesef de taak
de kussens van het stervende ras op te schudden. Langs de kust
zijn talrijke zendingsstations opgericht waar den negers uit den
omtrek door tucht en veel godsdienst geleerd wordt voor zich zelf te
zorgen. Het werk staat onder oppertoezicht van een ervaren ambtenaar,
den "Hoofdbeschermer der Inboorlingen," die mij een verhaal deed dat
licht werpt in meer dan eene richting.
Een welgedane neger die een paar maanden geleden verplaatst was naar
een zendingsstation heelemaal uit de buurt, kwam zich aanmelden bij het
hoofdkantoor en beantwoordde de voorloopige vragen van den Beschermer
zoo schijnheilig mogelijk. Nadat hij vertrouwen had weten te winnen
werden hem nog enkele bijzonderheden gevraagd.
"Behoor je niet bij het station op Fraser-eiland?"
"Ja, mij ben daar."
"Waarom blijf je daar dan niet, het is er toch goed?"
"Nee, niet goed."
"Je krijgt er volop eten en van alles."
Deze opmerking veroorzaakte een langgerekten uitroep van afkeuring en
walging. "N-a-hr! Vragen wel veel, niet krijg hem. Al morgen spreek
tegen dat groot kerel-baas (met een hemelwaartsche hoofdbeweging)
geven mij dagelijksch brood. Etenstijd zeg hem geven mij dagelijksch
brood. Nog keer bij thee zeg hem dat groot kerel-baas geven mij
dagelijksch brood."
"En krijg je 't dan niet?"
"N-a-hr! Niet krijg hem. Krijgen koren (op den grond spuwend) net
als paard."
Maïs-koeken, met gebed, vormden op dit station het standaardvoedsel.