DE NEDERZETTING.

Dit eiland van droomen, rust en geluk, dit onverstoorde Eden, kon

niet geheel en al in zijn oorspronkelijken staat worden gelaten. Wel

besloten wij dat onze inmenging zoo bescheiden mogelijk zou zijn,

dat wij den ouden toestand niet ruwelijk zouden omverwerpen, maar

het brengen van een beetje orde en het toegeven aan sommige eischen

van het practisch leven was toch noodzakelijk. Er moest een stuk land

ontgonnen worden voor het kweeken van tropische vruchten, van groenten

voor dagelijksch gebruik, van maïs en gierst voor de kippen. Ook een

bijenstand moest worden ingericht.

Hoe onze plannen tot uitvoering kwamen, in welk opzicht zij faalden

of slaagden, wil ik niet breedvoerig beschrijven, maar liever een

indruk van de vestiging in haar geheel geven, zooals zij thans,

na een tijdperk van negen jaar, er uitziet. Men moet daarbij in

het oog houden, dat wij bijna geheel van de hulp van inboorlingen

afhingen; onze middelen lieten niet toe, tenzij in den allereersten

korten proeftijd, blanke werklieden te gebruiken. En het is niet

gemakkelijk om met negers te werken. Men moet hun grillig karakter

kennen; slechts bij taktvolle behandeling, nauwgezette vervulling van

alle verplichtingen en beloften, toegevendheid voor hun zwakheden,

belangstelling in hun doen en laten en vooral een bereidwillige

tegemoetkoming aan de geringste neiging om een wandelingetje te

maken, zijn zij niet geheel en al onbruikbaar. Toch zijn sommigen

wel intelligent en tot op zekere hoogte eerlijk en kunnen, wanneer

zij goedgehumeurd zijn, stevig doorwerken. Als ze slechtgehumeurd

zijn doet men echter wijs dit feit met blijmoedigheid te aanvaarden.

Het was niet absoluut noodzakelijk voor ons een inkomen te trekken uit

onzen arbeid. Ik wil hiermede geen aanstellerige minachting te kennen

geven voor "den zorgelijken ballast van den rijkdom." Integendeel,

eenige verdienste door den verkoop van producten of kippen zou

ons een weelde hebben kunnen verschaffen die wij zeker hadden

gewaardeerd. Maar, als de verdiensten uitbleven konden wij toch met

den Vicar van Wakefield denken: "Wij hebben nog genoeg om gelukkig te

kunnen zijn." Wij hadden niets geen neiging om een arbeid, die ons van

al het werkelijk noodige voorzag, te gaan wagen aan de voortbrenging

van iets dat achteraf misschien overbodig zou blijken. Wij hadden

het bewustzijn te leven zonder kwaad te doen en sliepen den slaap

des rechtvaardigen.

Soms zijn er in het geheel wel vier negers op het eiland. Zij

komen van het vasteland om eens voor een poosje een oester-dieet te

houden. "Wij hier zitten, wij nu eten oesters." Op andere tijden zijn

wij maandenlang alleen en staat alle tuinbouw stil. Meestal echter

bestaat onze bediening uit één inboorling met zijn vrouw en, met

uitzondering van de huishoudelijke bezigheden, wordt het werk niet

bijzonder ernstig opgenomen of systematisch uitgevoerd. De prikkel

der noodzakelijkheid dwingt niet tot winstmaken en dus wordt er ook

geen gemaakt.

Een paar maanden nadat wij van het eerste brokje wildernis hout

en struiken hadden afgebrand produceerden wij al genoeg om in het

onderhoud van onze vestiging te kunnen voorzien. Onze tuin heeft nu

een oppervlakte van twee hektaren. Wij hebben er sinaasappelboomen

(twee variëteiten), die binnenkort zullen gaan dragen en waarvan

wij eenige winst verwachten; ananasboomen (twee variëteiten),

papaw's (Carica papaya), koffieboomen (Arabische), appelboomen,

granaatappelboomen, litchee's [15] en mangoboomen in overvloed. Zoete

aardappelen worden voortdurend verbouwd, evenzoo pompoenen en

meloenen. Bananen zijn steeds in voorraad. Wij hebben ook goede

oogsten van Engelsche aardappelen gehad en onder de bananen hebben wij

aardbeien gekweekt van fijnen smaak, ofschoon zeer klein. Peterselie,

kruizemunt en alle "gewone kruiden" groeien er rijkelijk. Lezers in

een minder begunstigd klimaat zullen misschien nauwelijks gelooven

dat ananassen in Queensland zóó overvloedig zijn, dat zij aan de

varkens en paarden gevoerd worden. Ook honderden tonnen mango's gaan

er jaarlijks verloren. Deze gezonde en heerlijke vrucht is nog niet

bij de bevolking der groote Australische centra ingeburgerd. Maar het

zelfde gold vroeger voor de bananen, waarin thans een omvangrijken

handel gedreven wordt. Het tijdperk van de mango moet nog komen.

De oorspronkelijke cederhut is nu uitgebreid met een bungalow [16],

die in overeenstemming is met de eischen van het klimaat. Rondom deze

woning is een tuin van omstreeks een halven bunder aangelegd. De kippen

zijn comfortabel behuisd, een kleine kudde geiten voorziet ons van melk

en nu en dan van versch vleesch. Wij hebben twee paarden, waarvan één

op het eiland geboren, voor het zware werk; de boot heeft een loods,

waar zij bij het intreden van de ruwe maanden door een windas wordt

ingehaald, terwijl zij anders aan een boei in de baai vastligt.

Men zal misschien verwachten dat ik evenals Thoreau tot in

bijzonderheden alle door ons aangebrachte veranderingen en de kosten

er van zal opgeven, maar ik heb dit denkbeeld verworpen zoodra het

in mij opkwam, want, ofschoon ik een trouw volgeling ben van dezen

filosoof is het toch verre van mij hem te willen parodieeren.

Een groot gedeelte van het huis is het werk van mijn eigen ongeoefende

handen. Ik ben er achter gekomen hoe bewerkelijk het maken van een

omheining is, vooral bij gebruik van prikkeldraad en dat het in orde

houden van zelfs maar een klein tuintje, waarin bandelooze planten

met de snelheid van de pompoen van den profeet groeien, en dat bij

verwaarloozing in korten tijd weer tot een wildernis zou worden, een

voortdurenden inspannenden arbeid vereischt. Een werk over plantkunde

leert "dat de gemiddelde perspiratie van planten zeventien maal zoo

groot is als die van den mensch." Alleen bewoners der tropen kunnen

de beteekenis van deze woorden beseffen. Nergens is de plantengroei

zoo weelderig en verkwistend.

Gegeven een rustigen tevreden geest, een bananenboschje, een stukje

grond met zoete aardappelen, sinaasappel-, mango- en pawpaw-boomen,

een paar koffieplanten, de zee voor visch, de rotsen voor oesters,

en de mangroven voor krabben; zou het dan niet mogelijk zijn gezond

te worden met een minimalen arbeid? Wordt niet algemeen beweerd dat de

banaan meer voedsel bevat dan vleesch? Ik heb mijn goede redenen om het

te gelooven. In Queensland moet ieder geld verdienen om zijn directe

en indirecte belastingen te betalen, maar zou men, afgezien hiervan,

méér noodig hebben dan een paar shillings voor thee, suiker en andere

luxe en enkele onontbeerlijke kleedingstukken? Doch ik zal hierop

niet verder ingaan, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben

indirect zelfs maar een verloren schipbreukeling de hoop te benemen

om eens eerste minister te worden en hem aan te moedigen een leven

van zorgelooze onverantwoordelijkheid, zooals het mijne, te beginnen.

Zoodra ons werkelijk was gebleken dat het leven op de grens der

beschaving niet alleen dragelijk was, maar "net wat wij wenschten,"

sloten wij een overeenkomst met de regeering om ons het rustig

bezit van ons eiland te verzekeren. Aanvankelijk hadden wij een

klein deel van het eiland voor dertig jaren tegen een rente van

f 1.50 per acre (0,4 hectare) gehuurd. Toen echter onze proeftijd

verstreken was, zonder dat wij ook maar één enkele illusie hadden

verloren, verlangden wij ons land ook in bezit te krijgen. Volgens

de zeer liberale wetgeving op het grondbezit in Queensland mag een

landbouwonderneming, al naar mate de grond als van eerste, tweede of

derde kwaliteit wordt aangemerkt, 160, 320 of 640 acres omvatten. De

verwerver moet hiervoor f 1.50 per acre betalen, in jaarlijksche

termijnen van 15 cents gedurende tien jaar en al dien tijd op het

land wonen. Binnen vijf jaar moeten de aangebrachte verbeteringen

en inrichtingen, huis, ontginning, omheining, bebouwing enz. een

waarde van f 6, f 3 of f 1.50 per acre bezitten, naar gelang van de

kwaliteitsklasse van den grond. Aan het eind van deze vijf jaar kan

de verwerver òf de rest van de koopsom in eens afbetalen, òf doorgaan

met de jaarlijksche delging van 15 cts., om dan eerst na wederom vijf

jaar in het vrije bezit van zijn land te komen. In elk geval kan

men dus voor een som van f 1.50 per acre, verdeeld over tien jaar,

vermeerderd met een kleinigheid voor opmetingskosten en nog eens f

1.50 per acre voor opstal, bezitter worden van gronden die nergens ter

wereld in vruchtbaarheid worden geëvenaard. Andere bepalingen van de

Landwet zijn nog veel aanlokkelijker. Niet alleen kan de betaling der

rente worden opgeschort totdat de verwerver profijt van zijn grond

trekt, maar zelfs wordt hem in bijzondere omstandigheden geldelijke

hulp verleend. Letterlijk kan op deze wijze de nederigste mensch het

uitgelezenste deel der aarde beërven.

Wat van de natuurlijke gesteldheid van Dunk-eiland gezegd is, geldt

voor de geheele kuststreek over een lengte van wel 300 mijlen. Er

is geen vruchtbaarder land dan daar. Maar wij hebben hier nog een

bijzonder voordeel: Brammobaai ligt slechts drie à vier minuten

stoomens buiten de route der schepen, die wekelijks langs de kust varen

en door een overeenkomst met den eigenaar van een dier lijnen ontvangen

wij iedere week onze post en verschillende benoodigdheden. Zonder dit

verkeer met het vasteland zou ons leven hier geheel anders zijn. De

stoomvaartmaatschappijen, waarvan er een vlak langs de kust vaart en

de andere achter de eilanden om in diep water, hebben al veel gedaan

om noordelijk Queensland te ontsluiten.

Een van onze bedrijven, de bijenteelt, moesten wij na een aanvankelijk

succes, om een bijzondere reden opgeven. Na veel onkosten en nog

meer arbeid waren onze twee Italiaansche korven aangegroeid tot

een dozijn en toen reeds eenige malen de geurende honing uit den

separator gevloeid was begon al de hoop in ons te ontwaken dat wij een

bescheiden winstje zouden kunnen behalen uit dit zuiverste, mooiste,

interessantste en onschadelijkste aller bedrijven. Niemand kan zonder

diepe bewondering het leven der bijen bestudeeren en het is waarlijk

niet hun schuld wanneer de wijste menschen sommige van hun wonderwerken

niet begrijpen, of zich over zich zelf leeren schamen. Hoe komt het,

dat uit een ei, door de koningin gelegd in een eenigszins ruimer cel

dan gewoonlijk, een larf komt, volkomen gelijk aan andere larven,

maar die zich door een rijkelijker voeding ontwikkelt tot een nieuwe

koningin? Bijenhouders leeren dat de koningin en de hommels de eenige

volkomen insekten in de korf zijn en de horde noestende slaven slechts

wijfjes zijn die in hun ontwikkeling bleven staan. Elke werkbij zou,

in beter omgeving en bij beter voeding een koningin kunnen worden. Door

kunstmatige koninginnecellen te bouwen kan men de werkbijen dwingen

koninginnen op te voeden. Zoo kan de mensch de ontwikkeling van een

insekt beheerschen. Is dit geen troostrijke gedachte, hoop gevende

voor hen die klagen over het ongelijke geboorten-cijfer van mannen

en vrouwen?

De belangstelling in de bijenkultuur werd bij ons steeds grooter

en langzamerhand moest alle beschikbare vaatwerk, tot zelfs leege

petroleumblikken, gebruikt worden om den nektar, uit myriaden bloesems

vergaderd, te bewaren. Maar na een poosje kwam de teleurstelling;

de produktie werd minder en minder en de separator snorde nog maar

zelden. Het aantal bijen scheen weer af te nemen. Een atmosfeer

van traagheid, besluiteloosheid en wanhoop hing over de korven. De

sterkeren beroofden de zwakken en alleen de zwakken zamelden nog,

onder een klagelijk gegons, zelf honing in. Als de korven werden

uitgehaald ontstond er geen tumult onder de verbolgen en opgewonden

bewoners, maar werd er nauwelijks eenig protest vernomen, zeker teeken

van afnemende bevolking, verzwakking en ontmoediging.

Al spoedig ontdekten wij de oorzaak der verandering in het karakter en

gedrag onzer bijen in de aanwezigheid van twee vogels, de Australische

bijeneter (Merops ornatus) en de bleekbuikige boschzwaluw (Artamus

leucogaster) [17]. De eerste is een van de aardigste der kleinere

Australische vogels. Hij leeft in groepjes van vier of vijf tot twee

dozijn toe en blijft soms midden in zijn vlucht, op uitgestrekte

vlerken en staart stil staan. Hij zit graag op kale twijgen vanwaar

hij een ruim uitzicht heeft, om met onfeilbare juistheid op bijen

en andere insekten in volle vlucht neer te schieten en hen met een

getjuik van voldoening te verslinden. De boschzwaluw draagt een kleed

van teer parelgrijs en wit, dat sterk contrasteert met haar zwarten

kop en keel. Zij heeft een gracelijke vlucht en kweelt lieflijk. In

sommige jaargetijden zitten ze bij massa's op een tak bij elkaar,

in zulk een dichte rij dat hun borsten als het ware een doorloopenden

witten band vormen. Als er een haar plaats verlaat om een insekt te

snappen schuiven de anderen allen op en al dringt en wringt zij bij

haar terugkomst nog zoo, zij moet op een hoekje gaan zitten. Bij een

boschbrand cirkelen zwermen van boschzwaluwen er rondomheen om de

vluchtende insekten te vangen.

Deze twee vogels waren de roovers die al onze verwachtingen van de

bijenteelt op niets deden uitloopen. Dag aan dag verslonden zij

honderden bijen, elke korf moest hen zware schatting betalen. Ik

stond voor een lastig vraagstuk: ik moest kiezen tusschen mijn eigen

geliefkoosde theorieën en mijn praktisch voordeel. Er was volop

honing om op de markt te kunnen brengen, mits ik de bijen slechts

tegen hun roofzuchtige vijanden beschermde. Maar was ik niet ook

volgens eer en geweten verplicht de vogels te beschermen? Was niet

het eiland sinds mijn vestiging er op een toevlucht, een wijkplaats,

een heiligdom, een koninkrijk geworden voor alle vogels, behalve

tyrannen en kannibalen? Had ik niet altijd anderen gewaarschuwd voor de

verschrikkelijke gevolgen die een geweerschot in deze gewijde atmosfeer

kon teweegbrengen? Maar hoe moest ik nu recht doen wedervaren aan de

hulpelooze bijen, die ik zelf hierheen had gebracht en hun ontelbare

nakomelingen? En hoe het geld te redden dat ik in mijn bijenstand

gestoken had? Hoe den blanken, goudgeel en bruinen, kostelijken

honing te behouden en toch de rechten der vogels niet te kort te

doen? Hadden de vogels, nog afgezien van mijn gevoelsoverwegingen,

niet een wettigen aanspraak wegens eerste occupatie? En niet alleen

dat zij mooi en lieflijk waren, dat zij tam en vertrouwelijk waren

geworden, dat zij tot de oorspronkelijke bewoners behoorden van het

eiland, dat ik zoo graag onverstoord wilde laten; zij waren bovendien

nog bijzonder nuttig door de verdelging van tallooze insekten die de

mensch gewoonlijk schadelijk pleegt te noemen.

Gelukkig duurde mijn tweestrijd niet lang, ik besloot liever het

bedrijf op te geven dan de vogels onrecht te doen. Een vriend nam

den geheelen stand van mij over. Wij missen nu den honing, maar

wij hebben de vogels behouden, die wij anders bij honderden hadden

moeten verdelgen. Het geld dat wij aan patronen zouden hebben besteed,

dient nu om honing van buitenaf te koopen. Het zou verwaand zijn te

zeggen dat ik vrij ben van die verwaandheid die Carlyle, met begeerte

en inhaligheid, een der erfzonden der menschheid noemt; maar ben ik

niet vrij van de zorgen van hen die naar loon en eer van deze wereld

streven? Beter deze eenzaamheid en matiging in alle dingen dan,

verteerd door zorgen, te morren om mislukking in den onophoudelijken

strijd om rijkdom of zijn vermeerdering; beter dan te knielen in den

bezoedelden tempel van het Commercialisme, den ouden afgod Mammon;

beter dan rust en gezondheid op te offeren aan de dwaze eischen van

fatsoen en maatschappij. Misschien zal deze of gene mij "onpraktisch"

noemen. Ik geef hem gelijk, maar stoor mij niet aan zijn oordeel. Deze

gedenkschriften zijn voor hen die naar nog iets anders streven dan naar

"vooruitkomen in het leven" en het maken van wat drukte.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 13 / 97 题