In den vroegen ochtend van Donderdag den achttienden December waren
vele der hoplieden met Ripperda en enkele leden der nieuwe regeering
in den Doelen bijeen. Nog zag men er een vreemdeling, den schrijver
van »de roomsche bijenkorf,«--Filips van Marnix van St.-Aldegonde. Met
recht was zijne zinspreuk: »elders rust;« want hoezeer in den aanvang
niet handelende volgens de meening van Oranje, had deze hem allengs
zoo meer leeren kennen als den meest geschikte tot kiesche of geheime
zendingen in gewichtige aangelegenheden; en voorwaar het benoemen
van een nieuwen magistraat binnen Haarlem mocht wel eene teedere en
moeilijke zaak gerekend worden.
Eigenlijk kon het nog nacht heeten in een tijd, dat de dagen het
kortst waren; doch voor hen, die daar bij het heldere kaarslicht
en den haardgloed zaten, was het slechts een verlengd uur van den
vorigen avond. De belangen toch van het burgerlijk en krijgsbestuur
waren zoo nauw vereenigd, dat zij als twee ineenvloeiende stroomen
konden beschouwd worden; en die stroomen hadden zoovele zijtakken,
met andere in verband, dat zij geen gering toevoorzicht vorderden,
om bij de tegenwoordige stormen en ijskruiingen geene opstoppingen te
veroorzaken, of buiten hunne oevers te bruisen. Zooals de burgerlijke
regeering thans was, van distels en onkruid gezuiverd, gelijk Ripperda
het noemde, was er iets groots in, die mannen volvaardig te zien, om,
zelfs met opoffering van den slaap, ieder uur, iedere minuut over
de belangen der aan hen toevertrouwde stad, over het dierbaarste
en gewichtigste van duizenden te raadplegen. Aan Van der Laan,
aan Stuiver, Kies en Van Vliet was, acht dagen geleden, alle recht
wedervaren. Den eerstgenoemde toch had men tot voorzittend en elk
der overigen tot mede-burgemeester verkozen, terwijl men mannen als
Adriaansz, Van Heuszen, Bal, Rijken, Mattheusz, Augustijnsz en Adriaan
van Berkenrode tot schepenen had aangesteld. Dat men ook in de keuze
der zestien vroedschapsleden met verstand en rechtvaardigheid was
te werk gegaan, blijkt daaruit, dat men onder dit getal de namen
van Matthijszen, Van Duivenvoorde en Vlasman aantreft. Johan van
Duivenvoorde, overste van de schutterij, en reeds vier maanden tevoren
benoemd, had nu het bewijs, dat men hem in beide betrekkingen wist te
waardeeren. Den kapitein Vlasman had men thans dezelfde onderscheiding
betoond. Matthijszen had het doorslaandste blijk ontvangen, dat men
hem noch om zijne godsdienst, noch om zijne betrekking met jonkvrouw
Van Schagen, verdacht hield, niet met hart en ziel aan de goede zaak
te zijn gehecht,--terwijl, door de benoeming van dit drietal, de zoo
licht argwanende burger de verzekering had bekomen, dat onder hen,
die daar op het raadhuis zaten, ook mannen waren, die wellicht een
uur vroeger op de wallen nog hun leven hadden gewaagd.
Acht dagen waren er nu verloopen sinds die nieuwe regeering de klok
tot op St.-Margriet geschort had. Dit waren wellicht de zoogenaamde
Damiaatjes, doch meer waarschijnlijk de Poortklok, die des morgens
en des avonds een halfuur voor het openen en sluiten der poort moest
geluid worden, iets dat verder doelloos was, daar er geene poorten
meer geopend werden. Sinds ook had Ripperda, op de opeisching der
stad, aan don Frederik geantwoord, dat men eenparig besloten had,
haar met alle vermogen te verdedigen en de vijanden van hare muren te
weren. En gedurende die acht dagen was men rusteloos werkzaam geweest
om de wallen te versterken, om de stad in kwartieren te verdeelen en
aan iederen hopman het punt aan te wijzen, waar hij den aanval moest
afkeeren. Sinds had ook de ongelukkige tocht van den graaf Van Lumey
plaats gehad, een tocht, van welken wij verplicht zijn, met een paar
woorden te gewagen. De prins van Oranje maar al te zeer beseffende,
van welk belang het was, Haarlem in zijne macht te houden, wilde
al aanstonds na de aankomst van don Frederik eene poging tot ontzet
doen. Hij wist niemand daartoe beter geschikt dan den graaf Van Lumey,
den man, die gezworen had, zijn baard te laten groeien tot hij den
godvergeten moord aan Egmond en Hoorne zou gewroken hebben. Lumey was
opgetrokken met vijftien vendels voetvolk en vier benden ruiterij,
benevens zes veldstukken, te Leiden verzameld. Niet zoodra vernam de
vijand, dat hij zich te Sassem had nedergeslagen, of Noircarmes en
Romero trokken hem met ruiterij en voetvolk te gemoet. Bij den Weligen
Berg, tusschen Hillegom en Bennebroek, hield men stand, en terwijl er
een dichte sneeuw viel, die het verschuilen achter boomen en struweelen
begunstigde, werd Lumey omsingeld en vervolgens aan de eene zijde
door het geschut en aan de andere door de ruiterij overvallen. Deze
aanval met de oudste en geoefendste Spanjaards was zoo geweldig,
dat Lumey geen tijd had om zich behoorlijk in slagorde te stellen,
en de meesten zich oogenblikkelijk op de vlucht begaven. Hij echter
wierp zich met de overigen onverschrokken op den vijand, en twee
paarden werden onder hem doodgeschoten. Eenige vaandrigs, onder welke
slechts aan Jacob Martensz, den zoon van een raadsheer uit Vlaanderen,
de eer der gebeurtenis ten deel viel, hadden al het mogelijke gedaan om
het vluchten te beletten. Zij ontwikkelden zich nu met hunne vendels
en verkozen liever op die wijze te sterven dan te vlieden. Dan, in
weerwil van den dappersten tegenstand, bleven er duizend man op het
slagveld en kreeg de Spanjaard vier stukken geschut in handen, terwijl
hij zelf slechts twaalf man verloor. Lumey redde zich ternauwernood
door de vlucht. Albrecht van Egmond van Merenstein een der hoofden
van de Watergeuzen, met welke hij vroeger in zegepraal Den Briel was
binnengetrokken, liep groot gevaar om te worden gevangengenomen; doch
hij en Frederik en Jan van Vervou hadden het aan het ijs te danken, dat
zij zich door de vlucht mochten redden. Bartold Entens van Mentheda,
wiens roekeloozen moed zich te ver had gewaagd, zonder het overige
leger af te wachten, was gedwongen, met schande te vlieden. Een
aantal van Lumey's officieren en soldaten viel den vijand in handen,
terwijl wij dra zien zullen, hoe wreedaardig deze om het leven werden
gebracht.--Zooveel blijdschap en overmoed dit bij den Spanjaard deed
ontstaan, zooveel droefheid bracht het in Haarlem teweeg, omdat de eene
nederlaag zich op de andere hoopte, omdat èn de schans van Spaarndam
èn het Leprozenhuis reeds in 's vijands handen waren; en omdat men
het lot reeds kon vooruitzien van hen, die gevangen geraakten. Ook
had in die acht dagen de Spanjaard zich den ondoordringbaren over de
stad en het buitenleger hangenden nevel ten nutte gemaakt. Hij had de
wegen en geheime gangen door verhak en wolfskuilen laten belemmeren, om
een ontzet te voorkomen. Op den avond vóór den dag, waarvan wij thans
spreken, had hij zijne schansen voltooid, al zijn geschut geplant, en
eenige glippers--zooals men sommige uitgewekene burgers noemde--hadden
met de Spaansche soldaten luide den schimpzang aangeheven:
Christus is opgestanden;
Te Haarlem is een buit voorhanden,
Dus willen wij altegaâr vrolijk zijn:
Want ons zal morgen de stad zijn.
Kyrie eleison.
Dit een en ander deed de verdedigers denken, dat men des anderen daags
met het beschieten der stad een begin zou maken. Men had derhalve in
den Doele krijgsraad belegd ten einde nog over vele aangelegenheden
te raadplegen, waarvan men eerst dan het hoogste gewicht gevoelt,
wanneer het oogenblik der uitvoering daar is.
--»En blijft het nu nog bepaald, edele heer, dat gij u spoedig zult
onttrekken aan onze tegenwoordigheid?« vroeg burgemeester Van der
Laan aan jonker Marnix van St.-Aldegonde, die tusschen hem en Kies
zijne plaats had: »Uwe komst in deze veste heeft menigeen versaagde
moed bijgezet, zoo noodig in een tijd, dat zooveel overmacht ons
aangrimt. Gij hebt onzen goeden wil en onze beste pogingen tot den
geest van eenheid zeer versterkt; en wat wij zelve zullen teweegbrengen
ten nutte van deze stad, zal getoetst wezen aan het voorbeeld, door
u gegeven.«
--»Heb voor deze woorden mijn dank,« antwoordde de heer Van
St.-Aldegonde, »want ik acht het zuiver en welgemeend, wat uw mond
spreekt. Maar zijne doorluchtigheid ziet verlangend mijne terugkomst
te gemoet, na het ongeval, den grave Van Lumey wedervaren: ook weet
ik thans, in wat trouwe handen ik de bestiering en verdediging dezer
stad achterlaat.« Hier maakte hij eene welgemeende buiging voor allen,
zelfs voor Dirk Stompwijk, rotmeester over de burgers, in hoefslagen
verdeeld, en die, niettegenstaande de algemeene zifting van het kaf
uit het koren, nog door sommigen verdacht werd gehouden, de Spaansche
partij te zijn toegedaan.
--»Wat de verdediging aanbelangt, mijn heere,« zeide Ripperda, »zoo
neem met u het woord, dat ik reeds zoo dikmaals herhaald heb en dat
ik nog spreek in dezen nacht, die mogelijk door een dag van aanval zal
opgevolgd worden. Zeg aan zijne doorluchtigheid, dat Ripperda de stad
niet overgeeft zonder zijn last; dat hij niet zal buigen of zwichten,
ofschoon alles rondom hem buige en zwichte: dat hij daarin door geen
enkel belang of drijfveer van zich zelven bestuurd wordt; dat alles,
wat hij doen mag, wezen zal voor het groote welzijn van Haarlem,
voor de eer van het vaderland, welks burger hij is.« Deze woorden,
op mannelijk krachtigen toon uitgesproken, weergalmden door de zaal
van het schuttersgebouw, en vervulden ook de borst van St.-Aldegonde
met eerbied voor den man, die ze gesproken had.
--»Dat zegt ook mijn mond, ook mijn hart,« liet burgemeester Stuiver
hooren; »trouw en onbezweken in de handhaving van Hollands eer en de
vrijheid van geloof!«--
--»Ik zou veinzen,« zeide Lancelot van Brederode, »wanneer ik
ganschelijk dezelfde woorden sprak. Ook ik zal den Spanjaard toonen,
dat mijn naam Brederode is: ook ik zal iedere minuut voor Haarlem
mijn kop ten beste geven; maar ook voor mij zelven grijp ik 't rapier
aan. Als ik val, dan val ik voor Holland en Brederode, en zoo ik een
Spaanschen hond in den dood breng, dan heb ik het voor Holland maar
ook voor Brederode gedaan!«--
--»Bastaard!« mompelde Stompwijk onhoorbaar en een donker grammen
blik opslaande, dien hij echter spoedig wist te verbergen, ten einde
zich aan niemand te verraden.
Wel begreep ieder, wat Lancelot, de jongere bastaardbroeder van
Hendrik--den aanbieder van het smeekschrift der edelen--bedoelde. Toch
hield ieder het oog op hem geslagen, als wilde men hem tot eene nadere
verklaring zijner woorden uitlokken, woorden, die wel op zijn gewonen
ruwen, doch minder krachtigen toon waren uitgesproken. Er heerschte
eene stilte van eenige seconden, wijl men dacht dat hij nog verder
zou spreken; doch toen hij zweeg, zeide Van der Laan:
--»'t Is waar, de hofstede van Van der Laan is niet het huis Ter
Kleef....«
--»Gij verstaat mij, heer,« hernam Lancelot. »Wanneer ik denk--en
dat doe ik gedurig--hoe don Frederik zich op het erf van Brederode
een nest heeft gemaakt, dan kan ik mijne bittere gal niet in suiker
zulten. Is 't huis Ter Kleef niet het huis van Brederode? Is er dicht
nabij, nu zes jaar geleden, door Jan Arentszoon de goede religie niet
verkondigd? En dat huis, waar zooveel gedaan is tot de afschudding van
het dwangjuk, dat moet ik nu zien in de macht van mijn vijand:--dat
zuiver was en in hooge eere, moet ik nu ontreinigd zien en in smaad
gebracht. Denk, hoe mij dat kwetst en bitter pijnt; en zal ik die
pijn niet elken dag voelen, als mijn oog er zich heen wendt van
de wallen?--Verderf van den Spanjaard voor Haarlem, maar ook voor
Brederode--dat zweer ik!«--
--»Mijne hofstede,« zeide Van der Laan, »heeft dat hoofsche niet of dat
ridderlijke aanzien van het huis Ter Kleef. Zij heeft ook geene reden
om hoog te roemen op een luisterrijken stam; maar ik heb er menig zoet
uur gesleten met mijn huisgezin, mijn vriend Koornhert en Junius. Dat
zal nu wel niet meer wezen; want de graaf Van Bossu heeft er zich
meester van gemaakt, en de Spanjaard is niet gewoon, den aftocht te
nemen, zonder dat hij sporen achterlaat van verwoesting. Maar het zij
zoo; gelaten zou ik er den laatsten steen van kunnen zien afbreken,
den laatsten boom zien omhakken tot brandstof voor de wachtvuren,
zoo ik dit slechts beleven mocht, dat Haarlem de vrijheid had gewrocht
voor zich zelven en heel het vaderland.«
--»Braaf gesproken,« hernam Lancelot, »maar ik herhaal het: ik zou
veinzen als ik zeide, dat ik er zoo over dacht. Maar gij allen, heeren,
krijgt er te meer de wisheid door, dat, wie den Spanjaard ontzien
mocht, Lancelot van Brederode het niet zal doen!« Onwillekeurig of
opzettelijk sloeg hij bij deze woorden zijne oogen op Stompwijk, die
echter de zijne op dat tijdstip op de deur gericht hield en aldus de
vluchtig scherpe aanschouwing ontging.
--»Buitendien toch waren wij daarop gansch gerust,« merkte burgemeester
Kies aan. »Ik weet niet, hoe het met mij zou gesteld wezen, zoo het
huis Ter Kleef of de hofstede mijn ware; het is mogelijk best van al,
dat noch het eene, noch het andere mij aanbehoort.«
--»Hoe 't zijn mag,« liet nu ook de held van Spaarndam, Michiel,
hooren, »ik acht het niet kwaad, dat er nog bijzondere grieven bij de
algemeene zijn. Ten minste sedert mijne arme zuster, die goede deern,
zoo wreed vermoord werd, zweer ik met een dubbelen eed, dat er voor
Romero of zijne Spanjolen geen pardon bij mij is.«
--»Ik ontken niet,« zeide Ripperda »dat persoonlijke grieven vaak
te grooter prikkels zijn tot moed; maar bij de koenheid slipt ook
niet zelden de lijn van voorzichtigheid uit het oog, en men komt
licht te roekeloos in gevaar, waar men schade in plaats van profijt
inoogst. Doch met rondheid moet ik zeggen, dat noch de grieve van u,
heere Van Brederode, noch die van u, hopman Michiel, halen mag bij
die van onzen edelen heere Van Duivenvoorde, althans, wanneer het
gerucht niet heeft gelogen, dat zijne vrouw zou gevallen zijn in
handen van don Frederik.«
Deze zaak was reeds aan allen bekend, doch werd door velen
tegengesproken, en wel te meer omdat de man zelf ze ten hoogste in
twijfel trok. Doch juist terwijl zijn neef, burgemeester Van Vliet,
er zijn gevoelen over in het midden wilde brengen, trad Johan van
Duivenvoorde, kolonel van de schutterij, de Doelezaal binnen.
Deze was een man van vijf en vijftig jaren, met eene ranke doch
tevens rustig verhevene gestalte. Hij was bijzonder kenbaar aan eene
rosse haar- en baardkleur; nog meer echter aan een groot litteeken
op zijn linkerwang, dat zich over den neusvleugel tot aan de rechter
oogholte uitstrekte, veroorzaakt door een val in zijne jeugd, toen
een schichtig paard hem uit den zadel wierp. Wat hij in uiterlijke
bevalligheid miste, werd nochtans ruimschoots vergoed door een lieflijk
flonkerenden blik, waarin iets lijdzaams bij veel standvastigs te
lezen was en waarbij wij slechts te voegen hebben, dat zijn gelaat
volkomen zijne ziel afspiegelde. Zijne echtgenoot was jonkvrouw
Magdalena van Foreest, weduwe van Jan van Ruiven en bezitster van
het huis te Foreest, oudtijds Het huis te Oisterwijk geheeten. Zij
had eenigen tijd bij eene zuster in Leiden doorgebracht, doch was,
zooals men zeide, in weerwil van Duivenvoorde's raad, om nog eenigen
tijd te toeven, tot hij zelf haar zou kunnen afhalen, zonder eenig
ander geleide dan twee bedienden naar Haarlem vertrokken. Nu had zich
het gerucht verspreid, dat zij in handen van den bevelhebber van het
Spaansche leger was gevallen. Dit moest Dinsdags tevoren plaats gehad
hebben; en ofschoon Van Duivenvoorde het grootelijks betwijfelde,
had hij oogenblikkelijk zijn luitenant Arentzen de Jong afgezonden,
om van waarheid of logen overtuigd te zijn.
--»Hoe is het u, overste?« vroegen hem Ripperda, Van der Laan en
een paar anderen, bij zijn binnenkomen, schier als uit één mond,
»hebt gij al tijding?«
--»Neen, mijne heeren,« was het antwoord, »nog niet. Bedenkt, dat
mijn luitenant gisteren pas vertrokken is. Zoo vandaag mijne onrust
wordt van mij genomen, dan mag ik zeer tevreden zijn.«
--»Maar heeft de gedachte, dat het een loos gerucht zij, nog de
overhand op uwe vreeze« vroeg Ripperda.
--»Gewis,« hernam van Duivenvoorde, »ik houd het voor laster van
lieden, die den Spanjaard zijn toegedaan, of voor een ijdel gekal. Wat
er nochtans het doel van moge wezen, zeer bedriegen zich dezulken,
als zij denken, dat er bij mij verkeerde zaden door zullen gestrooid
worden. Mijne vrouw moet in fellen angst verkeerd hebben om zulk
een onbedachten stap te kunnen doen, en toch ben ik in zware onrust,
zoolang mij de zekerheid faalt, dat zij nog veilig in Leiden is.«
--»'t Zou mij in de ziel bedroeven, heer,« zeide Stompwijk, »maar ik
heb er al te veel van gehoord, en eenige schutters op de Kruispoort
zeggen, er zekerheid van te hebben. Ik bid u, verzuim niet, alle
maatregelen te nemen tot nut.«
--»En wie zijn die schutters bij naam?« vroeg Van Duivenvoorde op
bedaarden toon, schoon inwendig geroerd, en Stompwijk strak aanziende.
--»Bij name ken ik hen niet,« was het antwoord; »ook heb ik het niet
uit hun mond zelven: 't is mijn knecht, die er van heeft hooren reppen
en het mij kond gedaan heeft.«
--»Er zijn er, die altijd klaplust hebben,« liet Michiel hooren;
»en er zijn er, wie 't behaagt, iemands onrust te vergrooten. Ik
voor mij geloof niets, eer luitenant De Jong terug is; maar ik denk,
dat die komen zal met heel ander nieuws.«
--»Maar zoo het eens geene logentaal ware,« vroeg de Duitsche kapitein
Christoffel Vader, »wat zou u dan te doen staan, edele heer?«
--»Het beste kiezen, zooals burgemeester Kies zegt,« antwoordde Van
Duivenvoorde; »misschien zou er dan raad zijn, die er nu niet is: doch
zoo mij alles faalde, zou ik in het droevig lot gelaten zijn, en er
niet door verwrikt worden van de plaats, waar ik zitten en staan moet.«
--»Zulk een antwoord wachtte ik,« zeide Ripperda; »maar God geve,
dat er geen raad zal moeten geschaft worden.«
--»Ja, dat geve God!« sprak de Duitsche kapitein Steenbach, die èn
als held èn als een zeer vroom man bekend stond, ofschoon het laatste
geheel valsch was. »Loopen wij de wijze handelingen der Voorzienigheid
niet vooruit! Hij, die ons in angsten en benauwdheden brengt, redt
er ons weder uit; wat Zijne hand doet, is welgedaan.«
--»Maar wat de hand van den Spanjaard doet, zal niet wel zijn, en
zoo zult gij niet blijven zingen,« sprak Stompwijk; doch hij sprak
het in zich zelven, zoodat niemand het hooren kon en er derhalve ook
niemand op behoefde te antwoorden.
Nog werd er door Van Aldegonde, Ripperda en de overigen over deze zaak
gesproken, toen Lodewijk Horenmaker, met drift de Doelezaal binnentrad,
en zich aanstonds tot Ripperda wendende, zeide:
--»Mijnheer, hopman Boreel zendt mij van de Kruispoort, hij meent,
dat de vijand aanstalten tot schieten maakt.«
--»Op dan!« zeide Ripperda, »'t bevreemdt mij niet; heeft men aan de
Janspoort ook iets vernomen?«
--»Mijn last was, slechts aan de Kruispoort te toeven, heer,«
antwoordde Horenmaker.
--»'t Is zoo,« hervatte Ripperda, wel wetende dat zijn luitenant
iederen last stipt volvoerde, maar ook nooit verder ging; »het is
halfzeven: zij schijnen dan al vroeg een aanvang te maken. Op, mijne
heeren! naar de wallen; wij weten altegader, wat ons te doen staat.«
Gezamenlijk begaf men zich naar de plaats, die al zoo vaak het tooneel
hunner tegenwoordigheid was geweest en het nog zoo menigmaal zijn
zou. Wel waren daar reeds op hunne posten Matthijszen en Pellikaen
aan den eenen, Schatter en Vlasman aan den anderen kant; wel hielden
Boreel en Van Wittenberg met Van der Laan en Barentzen er reeds
getrouw de wacht, en was ook de jonge vaandrig Hasselaar er met de
vaandrigs Kouseband, Schatter en Ruijkhaver reeds tegenwoordig,
doch ook allen uit de Doelezaal ijlden er op staanden voet heen;
want hunne degens en écharpen hadden hen den ganschen nacht niet
verlaten, en de waakzame wil had bij allen, slechts één uitgezonderd,
geene opwekking noodig. Spoedig waren de wakkere mannen dan ook daar,
waar eer en plicht hen riepen en waar zij dien dag geene werkelooze
aanschouwers zouden zijn.
Reeds begon de ochtendschemering aan te breken, en ofschoon zij,
die zich op het blokhuis en in de torens bevonden, wel een verward
rumoer in het leger van den vijand vernamen, was er echter nog geen
schot gevallen.
--»Ik ben benieuwd,« zeide Pieter Vlasman, die zich met zijn vriend
Pellikaen aan de Kruispoort bevond, »met wat kaliber zij zullen
beginnen, en 't verwondert mij, dat zij zoo lang toeven na al dat
geraas, dat zij reeds gemaakt hebben.«
--»Zij zullen wel wachten, tot het goed licht is,« zeide Pellikaen;
»kunt gij al iets zien met uwe scherpe kijkers?«
--»Niet veel, maar toch, ik geloof, dat het geene pellikaantjes zijn,
waarmede zij ons zullen groeten. Als ik mij niet bedrieg, dan staan
er draken en heele kartouwen geplant.«
--»Als dat waar is, zullen wij het hard hebben, dan is er in den muur
dra eene bres.«
--»Zoo ver is het nog niet, zwaarhoofd!« zeide Vlasman; »wat hij in
dikte te kort komt, wint hij in stevigheid; de handen, die de aarde
aangebracht hebben, waren kloek; alles is zoo vast als metaal.«
--»Hoor, daar steken zij de trompet!« sprak Pellikaen.
--»Maar nog niet de trompet van aanval: 't is het
verzamelingssein. Lang echter zullen ze niet meer toeven.«
--»Ik word zoo vreemd te moede, Vlasman!« zeide Pellikaen, »'t hart
klopt mij eng, en toch is het geene vrees.«
--»Zet u schoor,« sprak zijn vriend, »als ik wist, dat het vrees was,
zou ik uw vriend niet wezen; maar wat is het dan?«
--»Voelt gij u gansch als op gewonen tijd? Geen ander zou ik het durven
zeggen, Vlasman; maar ik ben gesteld als iemand, dien het faalt aan
alle koenheid. Het is of de eerste kogel mij treffen zal, en ik kan
die gedachte niet van mij afzetten, hoeveel kracht ik ook doe.«
--»'k Zou veinzen,« zeide Vlasman, »zoo ik zeide, dat het mij was als
ging ik aan tafel; maar van 't geen gij meent, voel ik bijster weinig.«
--»Mijn gemoed wordt toegeschroefd,« hernam Pellikaen, »en toch zweer
ik, dat het mij aan geene kloekhartigheid haperen zal. Mogelijk komt
het, dat ik een steen meen te tillen, waar gij slechts eene scherf
ziet, en dit is de oorzaak, dat ik meen, een der eersten te zullen
wezen, die voor Haarlem den dood vinden.«
--»Wat dwaze gedachten dat zijn!« sprak Vlasman; »'t is niet kwaad,
dat een mensch over den dood peinst; maar het staat niet geschreven
op de kogels, wien zij 't eerst moeten treffen. Kom, kom, rep daar
niet meer van.«
--»Neen Vlasman, ik kan het niet uit mijn gemoed stellen. Al beukte
ik er op met mokers, 't zou mij toch niet helpen. Ik wil nu juist
niet zeggen, dat het vandaag om mij te doen zal wezen; maar toch, ik
zal de eerste zijn van de hoplieden, die voor Haarlem het leven laat.«
--»Spreek niet aldus, mijn vriend!« zeide Vlasman. »Zijt ge door die
gedachten reeds lang beklemd geweest, dan moet gij zelf zeggen dat
ze dwaas zijn; of is de brave Pruijs al niet gevallen voor Spaarndam
en is hij niet opgevolgd door Van Berkhout?«
--»Het is nog zoo lang niet, dat die gedachten mij overheeren,«
antwoordde Pellikaen.
--»Maar neem, dat ze eens op goed fondament steunden,« hernam Vlasman,
»jaagt de dood u dan zoo felle vreeze aan? Wat grooter eer kan er
wezen, dan dat men sterft in de verdediging van 't geen een braaf
man dierbaar moet zijn?«
--»Vlasman!« zeide nu zijn vriend, op hem aantredende en hem
met gevoel de hand drukkende, »neen, gij moet mij wèl verstaan;
ik sidder niet voor den dood; ik zal hem niet huiverig aanstaren,
zoo hij komt, als ware hij een spooksel; neen, ik zal er glorie in
vinden, te vallen voor mijne stad, maar zóó vroeg te zullen sterven,
zóó weinig te zullen doen, voor hetgeen Haarlem boven al de steden
als eene star zal doen uitblinken--dat is het wat mij kwelt.«
--»Spaar daar de woorden van,« zeide Vlasman; »denk er zoo licht
over als ik, vecht als een leeuw, en komt de dood, dan zij hij een
vriendelijke bode, dien gij kunt toeroepen: »ik deed mijn plicht....«
Maar hoor, daar geven zij klank, het zijn veertigponders, die zij
op de schans hebben geplant; zij hebben het op de Kruispoort gemunt,
zoo meteen vangen zij aan.«
Een paar minuten lieten zich de schelle tonen der Spaansche trompetten,
als het teeken tot den aanval hooren, en nadat ze eenige oogenblikken
hadden gezwegen, hoorde men op eens eene losbarsting zoo dreunend
en geweldig, dat gansch Haarlem met een slag in de lucht scheen te
springen. Geen wonder. Recht op den Jansweg tusschen schanskorven
hadden de Spanjaarden veertien stukken geschut geplant, welke zij,
spottend of ernstig, Vliegen van Namen noemden. Nu verbeelde men zich
deze veertien metalen monsters, ieder van veertig tot vijftig pond
ijzer schietende, en niet achtereenvolgens, maar met één slag. Dat
was de eerste maar vreeselijke groete. Het scheen, dat de Spanjaard
aanstonds bewijs wilde geven, hoe ontzaglijk en geducht zijne macht
was; hij wilde reeds met den eersten aanval een schrik inboezemen,
die verlammend en tegelijk vernielend moest zijn. In het eerste
opzicht had hij ten deele zijn doel bereikt, want nauwelijks was de
ijzervracht van meer dan zes centenaars voortgestuwd, niet zoodra
had zich de nagebootste donderslag, maar veel heviger, veel harder,
doen hooren, of zelfs de onversaagdsten op de wallen konden eenen
onwillekeurigen uitroep van ontroering niet weerhouden, en onder
mannen, vrouwen en kinderen in al de wijken ging een kreet op van
schrik. In andere opzichten had de vijand geene de minste voldoening
over deze kruitverspilling, Men had--bewijs van de mindere ervarenheid
dier dagen--de stukken veel te hoog gericht, en de kogels hadden dan
ook geen enkelen steen getroffen, veel minder verbrijzeld.
--»Goed gemeend, maar kwalijk gedaan!« zeide Willem Cornelisz, de
busschieter, dien wij bij Spaarndam leerden kennen; »dat viel mij
rauw op de maag, zoo op eens met al de stukken tegelijk. Wij zullen
het zoo grof niet aanleggen.«
--»Het was niet malsch!« liet Vlasman hooren, »maar al schoten zij
verder uit honderd stukken tegelijk--we zijn er nu door. Wie zou het
wezen, die de kanonniers aanvoert? Hij is zeker in grammen moede,
dat het eerste schot zoo slecht is geweest.«
--»Ik weet het niet,« zeide Pellikaen; »maar 't verwondert mij,
dat Brederode nog het sein niet geeft om te vuren.«
--»Daar komt Brazeman!« zeide Vlasman, en zich nu tot de schutters
en soldaten wendende, riep hij: »houdt u vaardig, mannen, zoo fluks
beginnen wij!«
Met drift naderde Brazeman, de luitenant van Brederode, over den
walgang en deelde op ieder punt de bevelen hem door Brederode gegeven,
aan de hoplieden mede. Oogenblikkelijk had er onder de busschieters
en handlangers bij de slang-stukjes, alsmede onder hen, die rechts
en links op den hoofdwal geposteerd stonden, eene levendige beweging
plaats. Het bevel luidde, dat men de vierendeels-slangen slechts
zwak laden moest, ten einde den Spanjaard in den waan te brengen,
dat hij zich ver genoeg buiten derzelver bereik bevond; doch dat men
daarentegen een levendig musketvuur moest aanvangen om hem in het
opwerpen van nieuwe aardwerken de meeste afbreuk te doen.
Met evenveel gezwindheid als die bevelen gegeven waren, werden zij
ook ten uitvoer gelegd, en daar Ripperda uitdrukkelijk bevolen had om,
wegens den nog weinigen voorraad van krijgsbehoeften, niet anders dan
met goed gevolg te vuren, deed men dit dan ook met zooveel juistheid,
dat de vijand het opwerpen van nieuwe aardwerken staken moest,
wijl reeds in den beginne de een voor, de andere na er den dood
vond. Dat Joan de Vergas, de aanvoerder, intusschen ernstig bezig
was, om aan de Vliegen van Namen eene betere richting te geven, bleek
uit het tijdsverloop tusschen de eerste losbranding en de volgende;
maar toen zich ten tweeden male die dreun hooren liet, was hij van
zooveel uitwerking, dat van de Kruispoort kolossale hoeken en steenen
afgeschoten en naar alle richtingen verspreid werden. Alles kraakte
en scheen te sidderen van de geweldige massa, die met volle kracht
aangierde en met rassche vernietiging bedreigde.
--»Vuur!« klonk het ondertusschen op het blokhuis.
--»Vuur op de flanken!« liet het zich van den wal aan de Kruispoort
hooren. Snel weergalmde het bevel van vuren en laden op alle punten
van de St.-Jans- naar de Kruispoort, en telkens, wanneer de musketten
losbrandden, kostte het aan een of meer Spanjaards het leven. Reeds
vijfmaal hadden de veertien stukken geschut de Kruispoort gebeukt, en
nog was geen der Haarlemmers gedood; maar, eer men de zesde losbarsting
hoorde, werden twee der soldaten van Steenbach zoodanig getroffen, dat
zij met verbrijzelde borst voor de voeten hunner makkers nedervielen.
--»Voor Haarlem, voor Holland!« klonk het, terwijl Ruijkhaver en
Hasselaar, nu naar de eene, dan naar de andere batterij snelden en met
jeugdigen moed het vaandel zwaaiden, waarop met groote zwarte letters
de woorden »haec libertatis ergo« aan de linker, en »vivent les Gueux«
aan de rechterzijde met het wapen van Haarlem geschilderd waren.
--»Als het zoo voortgaat,« zeide Brederode tot Van Duivenvoorde, »dan
is er spoedig eene bres; want die schelmen beuken, alsof ze reeds den
eersten dag in de stad willen wezen; dat zijn kogels door den Booze,
niet door menschen gemaakt. Hola, soldeniers! vuurt zoo geregeld niet;
want zij nemen er profijt van.... daar breekt de donder weer los!«--
Terwijl hij het zeide, liet zich een vernieuwde schok zoo geweldig
hooren, dat de Kruispoort door eene mijnontploffing in de lucht
scheen te springen. Dit was echter het geval niet, maar nauwelijks
trok de dikke kruitdamp op, of men zag er met leedwezen eene bres in,
die weldra eene grootere voorspelde, zonder dat men in staat was,
haar te stoppen.
--»Zoo kan het niet,« zeide Brederode. »Geef er bericht van aan de
hoplieden bij de batterijen,« ging hij voort, zich tot zijn luitenant
Brazeman wendende, »het vuur uit de slangen op de kerels, die ons
lam zullen beuken! de ladingen vaster aan!«
IJlings verwijderde zich Brazeman, om het gegeven bevel uit te voeren;
en slechts weinige minuten waren er verloopen, toen van het blokhuis en
van ieder punt een zwaarder vuur op den vijand gelost werd; terwijl
Vlasman, Van der Laan en anderen de lichte serpentijnbuksen nu en
dan lieten verplaatsen, om den vijand op nieuw bezig te houden.
--»Dat lijkt er beter naar,« zeide Lancelot van Brederode. »Het
schelmgebroed is op die mistige dagen genoeg gevorderd met de
schansen. Zet aan, kanonniers! brandt hen de huid, opdat ze niet
klagen over de kou.«
Terwijl Boreel van de Janspoort met al de hoplieden van de cortine
het vuur thans in eene en dezelfde richting onderhield, kon men er
duidelijk de goede uitwerking van gewaar worden. Voor zooveel de
gestadige kruitdamp toeliet te zien, bespeurde men eenige verwarring,
althans verrassing onder den vijand, en het geschut zweeg veel
langer, dan het tot nog toe gedaan had. Dan weldra scheen hij zich
weder hersteld te hebben. Op het oogenblik, toen de kogels uit drie
slangstukjes van de Haarlemmers naar de vijandelijke verschansing
gierden, daverde weder alles van de losbranding. Maar evenals den
eersten keer brachten de Vliegen thans geene verwoesting teweeg,
en dit was blijkbaar het gevolg eener verandering van richting. De
uitwerking van dit schot was nochtans van een zonderlingen aard; want
op dit tijdstip werd bij zekeren Willem Lakeman in de Battejorisstraat
een schoorsteen afgeschoten. Met donderend geweld stortten èn de
kogel èn de vergruisde steenen met den voorraad van rookvleesch op
den haard neder; en het geschiedblad van Haarlems gedenkwaardig beleg
heeft aangeteekend, dat aan de vier kinderen, op dat oogenblik bij
het vuur gezeten, geene de minste schade werd toegebracht.
Dat de Spanjaard echter niet alleen eene fout begaan, maar die ook
herstellen kon, bleek spoediger dan men verwacht had. Geen vijf
minuten waren na het laatste schot verloopen, of de Kruispoort werd
andermaal zoo hevig begroet, dat men ieder oogenblik eene grootere
bres tegemoet zag.
--»De wonde geneest niet,« zeide Van Duivenvoorde, »Vargas schijnt van
meening om het reeds vandaag door te zetten;--maar zie eens, Brederode,
is dat niet Hasselaar, die daar zoo knaphandig het vendel zwaait, en
er dan weer achterheen vuurt, alsof hij zelf een musketier ware. Zie,
nu loopt hij weer van die batterij af en ijlings naar den kant, waar
't volk van Wittenberg bezig is met laden.«
--»Ja, waarachtig!« zeide Brederode, »hij is het; dat is een flinke
borst, die 't niet onder zich zal laten, en die het musket niet in de
verkeerde hand houdt: hij weet te blazen, dat er de wol afstuift....«
Brederode wilde nog meer zeggen, doch hij werd niet gehoord; want
op dit oogenblik had er eene losbranding tegen het Blokhuis plaats,
die onverwijld door eene op de Kruispoort gevolgd werd, en waaruit
bleek, dat de vijand ditmaal de helft zijner stukken op het Blokhuis,
de overige helft op de poort afgevuurd had. Nagenoeg gedurende
een kwartier uurs konden de gegevene bevelen ternauwernood verstaan
worden, want zoowel van de belegerden als van den vijand liet zich een
onverpoosd rumoer hooren, nu van het eene dan van het andere punt, of
wel van verscheidene tegelijk. Het was een voortdurend dof gedonder,
dat mijlen ver weergalmde en het hart van menige angstige moeder of
dochter in Haarlems wijken van vreeze kloppen deed, hoezeer zich ook
telkens door al die wijken de verblijdende maar verspreidde, dat nog
slechts twee der Duitsche soldaten waren gevallen. Het bevel tot vuren,
laden, aanbrengen van kruit was schier het eenige, dat men hoorde. Al
zwegen voor eenige oogenblikken de grove tonen, dan knalden weder de
musketten in alle richtingen van den wal, en de jeugdige Hasselaar
bracht door zijn scherp oog en onverschrokken voorbeeld teweeg,
dat menig, anders wellicht doelloos schot van de soldaten, eene
goede richting bekwam. Zie! zoo even zwaaide hij nog zijn vaandel,
om den moed der verdedigers, bij den aanblik op Haarlems banier,
nog te verhoogen, nu heeft hij den standaard weder op een ander punt
op den wal geplant, en laat het dundoek statig in den wind wapperen,
zonder dat hij er zich verder dan een paar schreden van verwijdert;
geene hand dan de zijne mag het aanraken, en zoo een vijand het
waagt, zal de dood het gevolg dier vermetele schennis zijn. Maar wie
verplicht hem, om behalve dat vaandel nog het musket in den draagband
met zich te voeren? Wèl ziet men daarginds ook de vendels wapperen
van Kouseband, Van Schatter en Ruijkhaver, wèl klinkt het ook daverend
uit hun mond: »voor Haarlem! vivent les Gueux!« maar bij hen ziet men
slechts den draagband met eene opening aan de linkerzijde, om er nu
en dan den vlaggestok in te laten rusten; geen musket of aangestokene
lont wordt men in hunne hand gewaar:--wie legt dien dienstplicht dan
ook aan Hasselaar op? Niemand; maar die zeventienjarige, nog eerder
tengere knaap dan volwassen jongeling behoeft in moed en ervarenheid
voor den meest beproefden krijgsman niet te wijken. Reeds op zijn
tiende jaar wist hij pijl en boog te behandelen als de kloekste
schutter onder de Batavieren, en de kraaien uit den eikentop of in
de vlucht te doen tuimelen. Drie jaren later lagen pijl en boog op
zijde geschoven, en vreesde het wild in bosch en duin het vuurwapen
reeds, dat in zijne hand met zooveel wisheid het doel trof. In het
gilde van St.-Hubertus opgenomen, overtrof hij allen. Toegerust met
het fijnst gehoor en den scherpsten naar alle zijden gewenden blik,
was het schieten hem een hartstocht geworden, zonder dien nochtans
zóó den teugel te vieren, dat zijne plichten er door leden. Zijn
vuurwapen was zijn dierbaarste vriend, zijn getrouwste makker, zijn
leven en vreugd, en hoezeer zijn vernuft nog geen plaatsvervanger voor
de lastige lont van dien tijd had uitgevonden, was zijn musket toch
van een lichter en sierlijker vorm, en het klonk, gelijk hij zeide,
helderder dan eene klok. Met dien vriend, met dien makker was hij
thans, als vaandrig der schutterij, ook naar de wallen gesneld. Geen
dienstplicht, slechts vrije wil van zijn vrij en vaderlandsch hart zou
hem dien makker daar steeds nabij doen zijn, en het zou wel niemand
in den zin komen, hem daarin te weerstreven, want allen wisten, dat
Hasselaar de feniks der scherpschutters mocht heeten, en dat ook zelfs
de vijand hem dien eerenaam niet weigeren zou. Er lag iets grootsch
in, den tenger zachten en toch fieren jongeling met het gevreesde
glinsterende musket en het ontwonden vaandel tevens op de wallen
te zien. Nu eens zwaait hij het doek trotsch en triomfeerend boven
zijn hoofd, en schijnt er den Spanjaard mee uit te dagen, opdat deze
door wrevel en spijt ontstoken, hem een mikpunt aanbiede; dan weder
staat het dreigend op de borstwering geplant, terwijl het voor den
jongen held, die thans door een der schietgaten den Spanjaard het
lood toezendt, eene borstwering te meer schijnt. Maar niet achter de
schietgaten alleen zoekt Hasselaar zijne prooi; wanneer hij ziet,
dat op die borstwering zelve zijn doel zekerder is te treffen, dan
beklimt hij die wakker en naast den opgerichten standaard vertoont
zich dan de koene jongeling als een jeugdig ridder. Hij hoort het
geknal van vijand noch vriend, en denkt er niet aan, dat een kogel
hem kan doen vallen; hij denkt slechts, hoe hij vijanden treffen
zal,--hoe hij de belegeraars zijner stad telkens afbreuk zal doen.
Intusschen troffen de kogels uit de Vliegen onverpoosd de Kruispoort
en de gordijnen. Reeds voor een vierde gedeelte was die poort bres
geschoten, en toch moest men zich, bij de ontzaglijke kracht van het
vijandelijk geschut en hare zwakte verbazen, dat ze nog niet verder
was neergerammeid. Bij een volgend schot echter ontstond op eens eene
zoo wijde bres, dat eenige musketiers, die nog door de schietgaten
vuurden, door de verbrijzelde steenen licht gekwetst werden.
--»Terug!« klonk het, »terug, of die schelmen sussen ons in slaap.«
--»Nog twee zulke barsche schoten,« zeide Brederode, »dan ligt de
poort onder den voet. Laadt, mannen! geeft hun de volle vracht.«
--»Tegen zulk geweld is de poort niet gehard,« zeide Van Duivenvoorde,
»ook hier komt eene bres; aardzakken aan!«
--»Kruitzakken, zeg ik,« zeide Brederode, wiens stem overwegend
was, daar Ripperda bepaaldelijk hem met een bevel over Blokhuis
en Kruispoort belast had, ofschoon dan ook beiden gelijk in rang
stonden. »Vuur, zeg ik, op die honden; iedere steen, dien zij
afschieten, moet hun op Spaansch bloed komen te staan. Kruit en lood;
wij stoppen van nacht.«
--»Dan zal het te laat wezen,« hernam Van Duivenvoorde, »maar zoo
als gij wilt.--Kruitzakken aan!«
--»Ik twijfel niet,« zeide Brederode, »of ze zullen de poort dra onder
den voet krijgen, maar zoolang hier nog één steen staat, moeten wij
hen zoo op de huid branden, dat ze geschroeid om den hoek gaan.«
Op hetzelfde oogenblik had er eene nieuwe losbranding plaats; met
donderend geraas stortte andermaal een gedeelte van de poort neder en
gedurende een oogenblik hoorde men een algemeen rumoer, nog vermengd
met den hollen nagalm van den schok.
--»Lager gericht!« liet zich de ruwe bastoon van Brederode hooren,
terwijl eenige verdedigers door de naar alle richtingen springende
steenscherven getroffen werden.
--»Stopt de bressen!« klonk het nu op eens uit den mond van iemand,
dien Brederode nog niet zag, maar wiens stem hij aanstonds voor die van
Ripperda herkende, »ook de wal ligt voor de helft omver, en nog zulk
een schot--dan stort ook de poort in. Men stoppe de bres en brenge
aarde aan; waarom daar al niet eerder de hand aan gelegd? dicht,
mannen, wat de Spanjaard opgebeukt heeft; houdt u kloek, wakker aan.«--
--»En 't vuur staken, heer?« vroeg Brederode.
--»Gansch niet, vuur zonder vertraag;--zoolang als het kan, den vijand
onverpoosd afbreuk gedaan!«
Na deze woorden verliet Ripperda weder ijlings het Blokhuis,
om ook op andere punten tot het verder stoppen der bressen zijne
bevelen te geven, terwijl de Spanjaard onverpoosd de slangstukken
deed losbranden, zoodat eenige oogenblikken later niet slechts de
Kruispoort nedergeschoten was, maar ook het Blokhuis en de naaste
gordijnen zoo hevig beschadigd waren, dat er aan een langer verblijf
op dat Blokhuis niet meer te denken viel. Op last van Ripperda werd
het dan ook spoedig verlaten.
Waar men intusschen de oogen heensloeg, overal zag men handen,
rusteloos in de weer, om de verwoesting te herstellen. En niet slechts
soldaten of schutters waren het, die hier puin aanvoerden, dáár
den wal ophoogden.... menschen van allerlei rang en jaren, vrouwen,
meisjes, knapen, allen toonden, dat ook zij geen gevaar vreesden,
waar het den algemeenen nood gold.--Hier zag men een grijsaard, wien
in het gedrang de hoed was ontvallen, eene vracht steenen aandragen,
wel wankelende onder den last, doch zich met geweld inspannende om aan
anderen niet te doen blijken, hoe zwaar het hem viel. Daarginds een
knaap, insgelijks gebukt onder een gewicht boven zijne krachten. Wat
verder zag men een in lompen gewikkelde, met ijver en inspanning eene
mand met aarde op den rug torsen, terwijl achter hem een deftig-gekleed
burger met eene houtvracht beladen was, en weer gevolgd werd door
een lid der vroedschap, die wolzakken aandroeg. Ginds waren vrouwen
en meisjes met gloeienden ijver bezield, om de eersten te zijn,
die bouwstoffen aansleurden of op lichte handwagens voortkruiden;
en ofschoon wel hier en daar eenige verwarring heerschte, was
Ripperda overal de groote spil, die al de raderen in gelijke beweging
bracht. Maar wien geen arbeid, geen sleuren, geen sleden te zwaar
viel, was burgemeester Van der Laan, was zijn ambtgenoot Van Vliet,
waren Stuiver en nog anderen van de magistraat. Zie, hoe Van Vliet,
de aanzienlijke jonker, wien wel nooit de geringste handenarbeid
werd opgelegd, aan de zijde van zijn knecht rusteloos bezig is, een
last van hout te torsen, zich een weg door de menigte te banen en
met eigen hand op den afgeschoten muur weer een nieuw bolwerk daar
te stellen. Wat eerbiedwaardig schouwspel! een adellijk en achtbaar
burgervader van 1572 aan de zijde van een dienaar, door edele drift en
ijver ontgloeid te zien, om op verbrokkelde steenen ander puin aan te
voeren, om vernielde borstweringen door andere te doen vervangen! hoe
grootsch, hoe schoon, hem onder dezen arbeid, nu aan deze, dan aan
gene zijde, de door elkander kruisende menigte te hooren toespreken:
--»Hebt moed, mannen, broeders! weest niet versaagd; zoolang onze
handen zich mogen reppen, helpen wij in het gevaar; het is voor vrouw
en kind, het is voor Haarlem. Houdt moed!«
--»Leve burgemeester Van Vliet!« klinkt het hier.
--»Leve burgemeester Van der Laan!« galmt het daar.
--»Wakker op, kompaan!« hoort men weder aan een anderen kant, »de
heeren durven óók handen uit de mouwen reppen.«
--»Nog niet half gedaan!« klinkt het uit de verte, »de Spanjaard
schiet omver, wat wij ophalen; de Kruispoort ligt er al bij neer.«
--»Dood aan de Spanjaards, Haarlem, triomf!« davert het bij ieder
schot van de wallen en uit de vijandelijke stukken.
--»Hier die balken, hier die wolzakken! Hier is de bres op zijn
wijdst,« laat Pieter Janszen, de fabriekmeester, hooren, terwijl hij
niet minder krachtdadig de hand legt aan het ophoogen van den wal,
en snel al de punten overziet, die het eerst hersteld moeten worden,
ofschoon hij er aan het grootste gevaar blootstaat en de zware kogels
hem dicht over het hoofd gieren.
Maar terwijl zich allen om het zeerst reppen om op te bouwen
wat vernield was, terwijl zich allen moedig en onbevreesd aan de
vijandelijke kogels blootstellen, hoort men op eens een akelig gegil
en gekerm. Aan sommigen ontvalt de last, dien zij torsen; anderen
worden in hunnen loop gestremd door eene zich opeenpakkende menigte;
te midden van het rumoer klinkt de doffe kreet: »Hij is dood!«
En nu ziet men daar, deerlijk verminkt, den wakkeren dienaar van
burgemeester Van Vliet. Aan de zijde van zijn heer voerde hij aarde en
wolzakken naar de bressen; aan die zijde giert een kogel op hem aan,
en te zelfder tijd dat zijne vracht om hem heen springt, wordt hem
het hoofd van den schouder genomen, terwijl Van Vliet zelf suizelt
door den windvang van het ijzer, dat hem rakelings voorbijgonst.
--»Hij is dood!« herhaalt men op doffen toon.
--»Uwe hulp kan hier niet baten, meester Floris!« roepen anderen
tot dien in de thesauriersrekeningen bekenden heelmeester of stads
chirurgijn, »de dood heeft hem al doen glippen; het is voor altijd
met hem gedaan.«
--»Brave borst, die mij zoo houw en trouw waart!« sprak de
burgemeester, »moest gij 't aldus bekoopen? Dat grieft mij fel. Maar
gij zijt met eere gevallen,--dat troost. Draag zorg voor zijn lijk,
meester Floris, of geef het eene rustplaats van eer in de bres; maar
gij, mannen-broeders, laat u niet versagen door dit droevig geval;
wakker aan, met nieuwen moed: 't is voor onze vrijheid! voor Haarlem!«
Niet allen, maar toch enkelen zagen den burgemeester diep getroffen
over den deerlijken dood van een man, die hem reeds jaren menige trouwe
dienst had gedaan; en zij zagen tevens hoe hij zich geweld aandeed om
zijn leed te verkroppen, opdat de moed der menigte niet zou verflauwen
op een oogenblik, dat er zooveel werkdadige moed vereischt werd.
--»Aarde! balken aan!« liet Volkert Jansz. hooren; »op den hoek daar
de wolzakken. Nog meer puin daarginds; wakker aan, mannen! haast is
't gedaan.«
IJveriger en onvermoeider draafde jong en oud met vrachten, die
in gewone gevallen hunne kracht zouden te boven hebben gegaan. Nu
en dan werd eene opnieuw aangelegde hoogte door het geschut weder
omvergeworpen; doch, in weerwil van de gedurige afbreuk, vorderde men
zichtbaar, en nooit zag men grooter blijk, hoe eendracht macht maakt
en hoe de handen van velen muren en wallen als door een tooverslag
doen herrijzen.
Thans was het ongeveer drie uren in den middag geworden, en nog altijd
donderde het vijandelijk geschut op de Kruispoort, het Blokhuis en de
naaste gordijnen. Hoezeer schier ongelooflijk, schijnt het, volgens
het verhaal, waarheid, dat op dat oogenblik nog niemand dan de vroeger
gemelden den dood had gevonden--een voordeel, waarop geenszins de
Spanjaard mocht roemen.
--»Zou de vijand het moe zijn, heer?« sprak Van St.-Aldegonde, die
zich aan de zijde van Ripperda bevond, waar deze bij het versterken
en herstellen van den wal de noodige bevelen gaf. »Sinds het laatste
schot is veel tijd verstreken, en ook behoeft hij niet wrevelig te
zijn, dat hij geen rumoer genoeg heeft gemaakt.«
--»Ik geloof niet, mijnheer, dat dit zwijgen lang duren zal. Indien
zij ook verder nog al iets euvels brouwen, ik ben toch verheugd,
dat het zoo wijd is gebracht. De brave burgers hebben meer dan hun
best gedaan, en zij doen het nog; eer het morgen is, zal de wal bijna
wezen, zooals hij gisteren was; en hierop verpand ik mijn woord, dat
de vijand ten minste vandaag niet binnen de stad komt, en morgen niet,
en zoo God wil, nooit.«
--»Het tooneel van zooveel kloekheid heeft mij verrukt,« hernam
Van St.-Aldegonde; »het zou mij neigen kunnen, voortdurend deel te
willen hebben aan zoodanige verdediging, ware het niet, dat andere
plichten jegens den prins, mijnen heer, mij naar elders riepen. Maar
nog verlaat ik deze stad niet, schoon dit reeds mijn plan was. Nog
wil ik getuige wezen van meerdere stoutheid, en ik zal eenen bode
afzenden, om er zijne Doorluchtigheid kennis van te geven.«
--»Dat besluit verheugt mij,« zeide Ripperda, »en het zal de heeren van
de wet tot geene mindere blijdschap zijn. Zoolang de meer....« Doch
hier werden zijne woorden eensklaps afgebroken door eene vernieuwde
losbranding, en geen tien seconden waren verloopen, of men zag naar
den kant van de Janspoort op eens een grooten toeloop.
--»Wat is het? dood?« liet zich uit verscheidene monden tegelijk
hooren.
--»Zwaar gewond, geloof ik,« was het antwoord.
--»Neen, niet gewond, en ook niet dood,« klonk het weder van
eene andere richting: »'t is eene klucht van de wonderlijkste
soort.« Inderdaad, het mocht een komisch tooneel genaamd worden
te midden van het ernstigst bedrijf. Men verbeelde zich eene jonge
dienstmaagd, wonende bij den koopman Janszen in den Spiegel, in de
Lange Bagijnestraat. Den ganschen middag reeds had zij ijverig menige
steen- en houtvracht aangedragen, en weer is zij door de Lombardsteeg
naar den wal bij de Janspoort gesneld, om haar arbeid te hervatten,
toen zij door een kogel van het laatste schot wordt getroffen. De
dood noch eene bloedige wonde is er echter het gevolg van. Zooals
zij daar gaat met haar eng-sluitend jakje van blauwkleurig grein,
met het haarlokje, krollend zwierende over de slapen, met den zwarten
wollen rok of bouwen, die thans een paar vingerbreedten hooger dan
naar gewoonte boven den schoen reikt, treft haar het ijzer zoodanig,
dat het haar van dat laatste kleedingstuk bijna ten eenenmale berooft
en haar eenige oogenblikken suizelen doet. Dan schier terzelfder tijd
keert haar bewustzijn terug en een plotselijk gevoel van maagdelijke
schaamte doet haar niet slechts de oogen neerslaan, maar ook uit
die oogen een traan springen. Even schielijk echter nadert haar
burgemeester Van Vliet, die zich met anderen juist in de nabijheid
bevindt; aanstonds werpt hij haar zijn fluweelen mantel om, geleidt
haar in eene naburige woning en wenscht haar geluk met het verlies
van haren bouwen en hare wonderlijke redding, die bij de Haarlemmers
nog langen tijd in 't geheugen bleef.
Intusschen is ook dit schot het laatste niet geweest. Weldra wordt
het door een ander achtervolgd, en hoort men het geroep: »de trap van
de Janspoort ligt neer,« terwijl Steenbach, door Boreel afgezonden,
oogenblikkelijk naar Ripperda ijlt om hem daarvan kennis te geven. Deze
trap was, namelijk voor dien tijd, iets fraais: men noemde het een
kunstigen wenteltrap, doch eigenlijk was het een dubbele, dewijl
de treden zoodanig rond elkander aangebracht waren, dat ofschoon
twee menschen ze tegelijk bestegen, zij eerst vanboven te zamen
kwamen. Boven zijnde, zag men een boogvormig vierkant vertrek, dat
tot kerker diende, en waarin op dat tijdstip ettelijke gevangenen
waren. Ofschoon de vijand met niet half zooveel geweld op deze poort
had gerammeid, was er nochtans groote schade aan toegebracht geworden,
wat zich begrijpen laat door het gedeeltelijk beschadigen van dien
trap, die, als tot het inwendige behoorende, geenszins aan de eerste
schoten bloot stond. Reeds des morgens was men voornemens geweest, de
gevangenen naar de Stadhuiskelders over te voeren; doch men had het
gedurig verschoven, totdat de vijand tegen den avond zijn kanonvuur
zou staken. Thans echter kon het niet langer uitgesteld worden,
want de angstkreten, die men van tijd tot tijd onder hen gehoord had,
werden luider en terwijl de schemering reeds inviel, gaf Ripperda er
last toe. Maar het laatste vijandelijke schot van den achttienden
December was gevallen, en--in geregelde orde werden de gevangenen
van de Janspoort naar de Stadhuiskelders overgebracht.
Het laatste schot uit de Vliegen van Namen was gehoord, en wanneer men
geloof mag hechten aan hen, die gedurende het gansche merkwaardige
beleg dag aan dag de schoten aanteekenden, dan bedroeg dit op den
achttienden van wintermaand een getal van zeshonderd tachtig. Welk
eene menigte ijzer was dus op dien dag door de kracht van het buskruit
voortgestuwd, en ook welk eene massa kruit, wijl op iederen Draak van
veertig pond kaliber de lading vier en twintig pond bedroeg, en men
voor elke losbranding eener heele kartouw van acht en veertig pond
kaliber dertig pond noodig had. Dat was de donderende groete van den
eersten dag, en--toch waren slechts drie der verdedigers gevallen. Wel
had de vijand vernield, maar niet wat hij wenschte, en hetgeen hij
omver had gebeukt, was als door tooverkracht herrezen. Geene schrede
was hij gevorderd, geen voetstap dichter zijn doel genaderd. Toch
had de poging om dat doel te bereiken, hem groote sommen gekost;
toch was hem iedere schrede voorwaarts belet geworden. Het is waar,
de slangen waren enkel tot rust overgegaan om morgen misschien nog
feller te woeden, maar men zou ze niet meer vreezen, en zoo groot is
de moed der Haarlemmers, dat zij met geestdrift uitroepen: »Voor uw
ijzer hebben wij steen en puin, en rest ons steen noch puin meer, dan
zullen wij ons zelven tot wal wezen, want God strijdt met ons! Vivent
les Gueux!«--