Een toko-wagen reed het erf op van het hôtel. Van Vleuten stapte er
uit, vroolijk, niettegenstaande de warmte. Hij liep door de
binnengalerij naar achter.
„Mana kamar toewan contrôleur?” vroeg hij den mandoer, die hem tegemoet
trad.
Deze wees het galerijtje in, dat langs de bijgebouwen liep, waar vóór
een kamer een meisje zat, blijkbaar pas aangekleed, en onder de hoede
der baboe wachtend, op een luierstoel, waarvan de bloote beentjes
afhingen.
Hij liep door, en het kind bekijkend, knikte hij haar toe, daarmee een
vriendelijk lachje op het kleine snoetje te voorschijn roepend.
Hij nam haar op, hoog in de lucht, en toen op den arm, wat de kleine
erg prettig scheen te vinden. Maar toen ze tot rust gekomen was, legde
zij de uitgespreide handjes tegen zijn gezicht, zoekend naar iets
bekends.
„Oom portret!” riep zij uit. „Mama, mama, oom portret!”
De kamerdeur ging even open, en iemand gluurde door het reetje.
„Mama,” herhaalde de kleine, die dit bemerkt had. „Oom portret.”
De deur ging nu geheel open, en Ella kwam voor den dag, het haar
opgemaakt, maar nog niet gekleed.
„Dag, meneer van Vleuten,” zeide zij, haar hand uitstekend. „Hoe
vriendelijk van u! Maakt mevrouw het goed? Carel zal zóó klaar zijn.”
„Alles goed en wel,” zeide hij. „Maar Betsy staat erop, dat ik jelui
meebreng. Dus zal ik maar beginnen met de kleine mee te nemen, en
dadelijk ons rijtuig sturen?”
„Als ze wil....”
„Ga je mee, met de paardjes, naar tante? Met oom.... Wie ben ik?” vroeg
van Vleuten, de kleine op zijn arm latende dansen.
„Oom portret,” herhaalde het kind.
„Foei, Marietje,” deed Ella. „Weet je oom zijn naam niet meer?”
„Oom portret,” kraaide Marietje. „Marietje gaat mee naar tante.”
En of mamaatje al deed of zij heel bedroefd was, dat Marietje van haar
weg wou, het hielp niet, de kleine volhardde bij haar voornemen, en
ging mee met „oom portret.”
„Maatje ook komen!” riep ze over zijn schouder heen bij het weggaan,
wat maatje al knikkend beloofde.
Niet alleen de „oom”, maar gelukkig voor dezen, die nog baden moest,
ook de tante en het neefje, vielen in Marietjes smaak, zoodat, toen in
den vooravond Ella en haar man de kleine zwerveling gevolgd waren, deze
zich in de nieuwe omgeving best thuis gevoelde.
Zoowel Betsy als van Vleuten hadden met verbazing hun vroegeren
reisgenoot zien uitstappen, en de voorgalerij inkomen. Was dat dezelfde
jonge man, die nog geen vijf jaar geleden met hen was uitgekomen? Een
dikzak, van wien men zich afvroeg hoe hij den moed had zich op een
gewonen stoel neer te zetten! Het was haast vreemd hem op gewonen toon
te hooren spreken, en werkelijk verstandige dingen te hooren zeggen.
Natuurlijk klaagde hij over zijn dik-worden, en beweerde, op een vraag
van Betsy, dat hij haast niets at. Maar de schrik sloeg haar om het
hart, toen zij hem dat „haast niets” bij de eerste maal, dat hij zich
bediende, op zijn bord zag nemen, hoewel de tafel in Indië altijd op
een ruim overschot voor de bedienden berekend is; en onder een
voorwendsel stond zij even op, om de kokkie te waarschuwen, dat er gauw
nog een paar blikjes geopend moesten worden en van een en ander wat
bijgemaakt, om de door „haast niets” geschoten bres weer eenigermate
aan te vullen.
Dat de tafel overigens smakelijker was dan in het hôtel, gaf misschien
den doorslag om hem te overreden de weinige dagen, die zij op hun
doorreis te Soerabaja zouden vertoeven, met vrouw en kind de door van
Vleuten en Betsy aangeboden gastvrijheid te accepteeren, en misschien
deed ook de eenigzins onvoorzichtige uitlating van Betsy, dat zij, naar
van Vleuten had verteld, in de kamer logeerden, waar zooveel jaren
geleden Mr. van Groningen gestorven was, er iets toe bij, want
blijkbaar was Becker erg bang, voor wat men in de wandeling „zijn
hachie” pleegt te noemen.
„Ik heb een verzoek aan u,” zeide hij tot van Vleuten, twee dagen
later. „Met dat verhuizen enzoovoort raakt een mensch uit zijn gewone
doen, dat begrijpt u.”
„Zeg gerust wat op uw hart ligt,” zeide van Vleuten.
„Nu dan, ik heb een brief aan mijn vrouw opengemaakt, en eer ik mijn
vergissing bemerkte, las ik zooveel, dat ik erover denk hem maar in het
geheel niet aan haar te geven. Hij is van mevrouw van Groningen, over
wie we juist een dag of wat geleden spraken. Een lief mensch. En iemand
moest er zijn, die Ella het bericht zond, nietwaar?”
„Welk bericht?” vroeg van Vleuten.
„Wel, haar... meneer Wiechen... u kende hem?”
„Ja, is hij dood?”
„Niet heelemaal. Eigenlijk erger. Hij is krankzinnig geworden, en men
heeft hem moeten opsluiten.”
„Kassian!” zeide van Vleuten. „Ik bedoel voor Ella, voor uw vrouw.”
„Juist,” zeide Becker. „Ik geloof, dat het maar gelukkig is, dat die
brief haar niet inhanden gekomen is. Maar, hoe kan ik het op den duur
voor haar verbergen? Ziet u, daarin zou ik wel eens uw raad willen
hebben. Zij is bovendien weer in positie.”
„Ik wil het morgen wel eens met mijn vrouw overleggen,” zeide van
Vleuten. „In elk geval zou ik haar niets zeggen, eer dat afgeloopen
was. Maar, laat Betsy eerst eens zeggen wat zij er van denkt.”
„Goed. Ik laat u dan den brief.”
„Zeg liever het pakket,” zeide van Vleuten verbaasd, terwijl hij het
met dien naam bestempelde aannam.
„O, er staat een heele boel meer in,” zeide Becker. „Mevrouw van
Groningen heeft zeker gemeend, dat na zoo’n treurig bericht, afleiding
het beste was, en over allerlei geschreven.”
Betsy was verontwaardigd.
„Het kan zijn,” zeide zij, „dat Marie dit alles met een goede bedoeling
geschreven heeft. Maar waar haalt ze al die schandaaltjes vandaan?”
„Hoe het zij, ik vind het geen lectuur voor Ella,” zeide van Vleuten.
„Maar wat denk je?”
„Ik zal haar morgen vertellen, dat ik een brief van Marie gekregen
heb,” besloot Betsy, na eenig nadenken. „Dan kan ik haar dat van haar
vader vertellen, zonder het precies bij den naam te noemen. Erg
overspannen zenuwen, of zooiets, die zijn opname in een sanatorium
hebben noodig gemaakt. Men hoopt natuurlijk op beterschap. Als die
dikke Becker nu maar zorgt, dat zij den eersten tijd geen brieven te
lezen krijgt, dan is alles in orde. Die later komen, spreken natuurlijk
over den toestand als een bekend iets. Het gaat iets beter, of altijd
eender, enzoovoort. Dan denkt zij het te weten, en de menschen, die er
nogeens over mochten spreken, denken dat zij het weet, en men noemt het
kind niet meer bij den naam.”
„Dat is een gelukkig denkbeeld,” vond hij.
Er werd gehandeld zooals afgesproken.
Toen Ella enkele dagen later tot verder reizen gereed stond, om, zooals
dat in officieelen stijl heet „haar bestemming te volgen”, was zij
opgewekt, zorgend voor de kleine en den dikke, zooals zij zelf
gekscherend zeide.
Het was zomer geworden. Aan den rand van het bosch, te Bloemendaal, lag
een kleine villa, met naar verhouding groot erf. Een groote
kastanjeboom stond dicht bij den rijweg in een grasperk, en daaronder
zaten van Vleuten en Betsy, terwijl een meisje van een jaar of vijf
languit in het gras lag.
„Kom eens hier, Ella,” riep Betsy. „Weet je het nog? Als straks broer
Jan komt, wat zeg je dan?”
„Fl.... fliseteer”, zeide de kleine oolijk lachend.
„Goed, en niet vergeten, hoor!”
Een gezet heer met langen grijzen knevel kwam dicht onder het hek
voorbij. Hij keek aandachtig naar het groepje, en lichtte toen den
hoed, bleef nog even staan, en richtte zijn schreden naar den ingang
van het hek.
„Wie is dat, Jan? Gauw!”
Van Vleuten had de beteekenis van deze uitroep begrepen, en was
opgestaan, den bezoeker tegemoet loopend.
„Meneer van Vleuten, u kent mij misschien niet meer?”
„Inderdaad....”
„Boom! Uit den Haag.”
Van Vleuten keek hem vragend aan, alsof hij op nadere mededeelingen
wachtte.
„Ik hoorde, dat u hier was komen wonen,” ging Boom voort. „Mijn vrouw
en ik brengen hier ’s zomers meestal een paar weken door, en.... toen
herinnerde ik mij een oude schuld....”
„Ja,” deed van Vleuten, onverschillig. „Voor ’n uitvinding, of zoo
iets, niet waar? Is u geslaagd?”
„Geslaagd wel,” antwoordde Boom. „Maar ik heb besloten de uitvinding te
laten rusten. Ze is mij steeds ten voordeele geweest, en ik heb
gewetensbezwaren haar te publiceeren. De geweldige gevolgen....”
„Wat verschaft mij eigenlijk de eer?” vroeg van Vleuten.
„Zooals ik zeide. We hebben nog een oude schuld te vereffenen. Ik ben
daartoe nu in staat.”
„Meneer Boom, ik wil voor u niet onder doen. Laat ons de menschheid
niets in handen geven, wat haar ongelukkig zou maken. Mocht u dus
omtrent het geld, dat u mij indertijd ontfutseld hebt, ook
gewetensbezwaren hebben, welnu, er is een armenbus. Ik zie er van af,
en tevens van voortzetting onzer kennismaking.”
Boom wijfelde een oogenblik. Hij scheen de kansen te berekenen, die hij
kon hebben bij een persoonlijken aanval. Van Vleuten keek hem bedaard
in de oogen, en haalde een zilver fluitje uit zijn vestzak.
Op dat gezicht wendde Boom zich om, en vertrok zonder groet.
Van Vleuten kwam terug bij Betsy.
Op hetzelfde oogenblik, dat Boom, zich zooveel mogelijk houding gevend,
het erf verliet, reed een jongmensch op een fiets hem rakelings voorbij
naar binnen.
„Hoera, er door!” riep hij, springend van zijn rijwiel, dat in de mulle
grond bleef steken.
En wuivend met een bedrukt papier, liep hij naar de plaats waar van
Vleuten en Betsy zaten.
„Fliseteer!” riep de kleine meid, toen Jan haar hoog in de lucht hief.
„Er was bijna een ongelukje gebeurd,” vertelde Jan. „Een der jongens
had notities, en meenende gesnapt te worden, gooide hij die onder mijn
plaats. Gelukkig had een der leeraren het gezien, anders was ik er
misschien bij geweest. Nu is hij de eenige die gezakt is.”
„Wat leert je dat, Jan?” vroeg van Vleuten.
„Eerlijk te zijn?”
„En nog wat. Op te passen voor schelmen.”