In het Slachtingskamp.--Van het eene dépôt naar het andere over
goed ijs en in mooi weer.--Terugkomst in Framheim.--De Fram
is aangekomen.--We zeggen ons kwartier vaarwel.--Op weg naar
Tasmanië.--Aankomst te Hobarttown.
Op 3 Januari 1912 hebben we een volkomen helderen hemel en
windstilte bij een temperatuur van slechts 19 graden vorst, echt
zomerweder. We dragen dan ook niet meer dan de allernoodzakelijkste
kleedingstukken. Gelukkig, dat er hier geen gevaar bestaat, dat we
dames ontmoeten. Wat is het interessant in deze atmosfeer de streken
te zien, die we eenige weken geleden passeerden in een sneeuwstorm! We
trokken toen langs den voet van de enorme bergketen, zonder eenig
vermoeden te hebben hoe ze eruit zag en van haar nabijheid. Het is wel
gelukkig, dat er in deze buurt geen spleten zijn in den gletscher,
en God weet wat er zou gebeurd zijn, als we de sneeuwbruggen hadden
moeten passeeren bij zulk een hooge temperatuur.
Er moet nu nog een flinke bestijging volgen, want het
Slachtingskamp ligt 804 meter boven het punt, waar we ons op 4 Januari
bevinden. Vandaag zullen we het dépôt aantreffen dichtbij het kamp waar
zich onze kostbare voorraad hondenvleesch bevindt. Het komt er op aan,
het niet te missen. Niet alleen geven de honden de voorkeur aan dat
vleesch boven het pemmikan, maar wat van meer gewicht is, het houdt
hen in een goeden toestand. Bij een langdurige expeditie als de onze
is verandering in het voedsel naar mijn ervaring nog noodiger voor de
honden dan voor de menschen. Ik heb honden het pemmikan zien weigeren,
omdat ze er beu van waren, en ze snel zien verzwakken. Let wel, dat
hier sprake was van pemmikan, dat voor ons was klaargemaakt en dus
van uitstekende hoedanigheid was.
Om half twee in den morgen vertrekken wij na een slaap van maar
een paar uren. We moeten gebruik maken van het heldere weêr;
bij ondervinding weten we, dat in deze streken het weêr uiterst
veranderlijk is. Vanaf den cairn, waarbij we hebben gekampeerd, naar
het dépôt van het Slachtingskamp is de afstand maar 22 kilometers. In
die tusschenruimte zijn er slechts twee signalen opgericht; het had
ons onmogelijk geschenen, dat er op den terugweg een vergissing kon
gebeuren. Toch was dat het geval.
Dank zij den goeden oogen van Hansen, vinden we na elkander de beide
cairns; maar we herkennen volstrekt niet de naburige bergen. Zooals ik
reeds heb verteld, had het weêr, toen we het Slachtingskamp hadden
bereikt, ons helder geleken. Ik had toen, dien 20sten November,
den weg verkend, dien we hadden gevolgd om op het plateau te komen,
en ik had er een nauwkeurige beschrijving van in mijn aanteekenboekje
geschreven. Toen de laatste cairn voorbij was en we het dépôt meenden
te naderen, bleek het niet mogelijk ons te oriënteeren, we wisten niet
waar we waren! Den 20sten November hadden we hooge bergen gezien in
het Westen en Noorden, maar op grooten afstand. En nu bemerkten we aan
dien kant van den horizon dicht in onze buurt enorme bergtoppen. Ik
kreeg den indruk, dat we dit landschap voor het eerst aanschouwden.
We hebben de 27 kilometers afgelegd, die ons van morgen van het
Slachtingskamp scheidden; bovendien moesten we er zijn aangekomen,
afgaande naar de plaatsing van de signaalposten, die we achter ons
hebben gelaten. Dat wordt in werkelijkheid vreemd; in de richting van
de helling, die we in het heengaan bestegen, zien we nu de helling van
een volkomen onbekende hoogte. Alleen in het Noordwesten schijnt er
een depressie naar de Barrière te zijn, die we waarnemen op grooten
afstand. Terwijl we de situatie bespreken, zegt Hansen op eens:
"Hé, kijk eens hier! Iemand is hier al langs gegaan."--"Ja," zegt
Wisting. "Ik mag hangen, als daarginds niet de gebroken ski ligt,
die ik in de sneeuw heb achtergelaten bij het dépôt."--Ik richt
mijn kijker in de aangewezen richting, en waarlijk, naast een hoop
sneeuw kan ik de ski onderscheiden, opgericht in de lucht. Dus dat
was de rest van Wisting's ski en zij bracht ons weer op den goeden
weg. Onmiddellijk gaat het nu naar den cairn.
Aan het belangrijkste dépôt op den terugweg zijn we nu aangekomen. Niet
enkel zijn er de noodige voorraden, maar hier kunnen we ook zien,
hoe de helling zal zijn, waarlangs we moeten terugkeeren. Als we
dit hulpmiddel niet hadden gehad, zou de terugtocht misschien veel
moeilijker zijn geweest. We haalden de lijken van de honden uit de
sneeuw en sneden ze in groote stukken voor de honden. Bij het zien van
de afmetingen der porties zijn de dieren zeer verbaasd; ze zijn aan
een dergelijke royaliteit niet gewend. Drie honden worden nog bewaard,
om hun straks nog een maal te kunnen geven. Ook dezen keer was dit
gebied niet gastvrij voor ons. Al was het weêr niet zoo afschuwelijk
als den eersten keer, het is toch niet aangenaam. Er waait een zeer
koude wind bij een temperatuur van 23 graden vorst. Na de warmte
van de laatste dagen worden we verkild, en zoodra dan ook de honden
hebben gegeten en de sleden geladen zijn, gaan we op weg. Naarmate
we verder komen, wordt het dal, waarin we naar beneden gaan, wijder.
Om ons te beschutten voor de rukwinden, die vanaf het bovenste
plateau op ons kunnen neerstrijken, trekken we voort onder den berg
Engelstad, en aan het eind van de étappe slaan we het kamp op tegen
dien berg. Hier is de sneeuw weer evenals op den heenweg zacht,
en niet zonder moeite vinden we een plek voor de tent. Nu zijn we al
ongeveer duizend meter gedaald, en men bespeurt het aan de ademhaling,
ook zonder de instrumenten te raadplegen. Er is geen wind, en brandende
zon als in het hartje van den zomer in Noorwegen.
Den volgenden morgen bij het opstaan bood zich een verrukkelijk
schouwspel aan. Het kamp is geïnstalleerd in de smalle kloof, die
het Frithiof Nansengebergte scheidt van den Ole Engelstad. Door dien
laatsten berg beschut, ligt ons bivak in de schaduw, terwijl tegenover
ons de verijsde kap van den Nansen verlicht wordt door een stralende
zon, de zon van middernacht. De bovenste sneeuwlagen schitteren
in een fonkeling van geel licht; lager worden ze blauw gekleurd,
en dan gaat het trapsgewijze naar de donkere tinten tot aan den voet
van den berg. De Engelstad vertoont eenzelfde tegenstelling; beneden
een donkere massa, gestreept door witte gletschers en van boven een
aureool van goud rondom den top. Nog verder naar het Oosten verheft
de Don Pedro Christophersen zijn grillige toppen naar den vlammenden
hemel. Een fantastisch décor te midden van een diepe stilte.
Op de aanzwelling, waar we naar den gletscher Axel Heiberg moeten
afdalen, worden de remmen onder de sleden aangebracht. Wij, de
skiloopers, gaan voorop. Op die helling, met een laag sneeuw er op,
is het ideaal glijden; we gaan als pijlen uit den boog. Enkele
minuten later zijn we op den gletscher Axel Heiberg. Dien avond
kampeeren we op de plek van het bivak van 18 November ter hoogte
van 900 meter. Van hier kunnen we het dal overzien, gevuld door den
grooten gletscher, en we kunnen waarnemen hoe hij zich verder met
de Barrière vereenigt. Hij lijkt effen, en in die omstandigheden
is het beter hem te volgen, dan eromheen te gaan over de bergen,
zooals we twee maanden geleden hebben gedaan. De afstand zal langs
den nieuwen weg niet veel korter wezen; maar waarschijnlijk zal het
veel tijdbesparing geven. Van hier af gaan we nu weer achtereen 28
kilometer afleggen, dan zes uren rusten en daarna, in eens door, de
tweede 28 kilometer en zoo verder. Op die manier winnen we veel tijd.
Om zeven uur in den morgen, op den 6den Januari, bivakkeeren we op het
voorgebergte, dat de plaats aanwijst, waar de gletscher Axel Heiberg
en die van de Barrière samenvloeien. Het dépôt van 85.5 moet niet
ver meer verwijderd wezen. In den namiddag vertrekken we weer. Van
den top van een bergje, dat we dadelijk na het vertrek uit het kamp
bestijgen, meent Bjaaland de cache te zien; een oogenblik later komen
we aan den berg Betty en den weg van de heenreis. Van daar kunnen
we met den kijker zien, dat Bjaaland zich niet heeft vergist. De
kleine sneeuwhoop daar ginds in de verte is wel het dépôt. Terstond
wordt daarheen koers gezet en om elf uur in den avond zijn we weer
op de Barrière. Ons verblijf in de bergen, die de Zuidpool omringen,
had één-en-vijftig dagen geduurd.
Op het dépôt is alles in orde. Ook hier is de warmte zeker groot
geweest, en de sneeuwberg, die zeer hoog en zeer massief was, waar
de voorraden onder begraven waren geweest, is voor een groot deel
gesmolten. De porties pemmikan, die de directe werking van de zon
hebben gevoeld, hebben de zonderlingste vormen aangenomen. Dadelijk na
onze aankomst verdeelen we de porties over de sleden. In dit bivak
laten we, ten teeken van onze passage, eenige van de versleten
kleedingstukken achter, die we op reis hebben gedragen. Als de
levensmiddelen geladen zijn, gaan twee van ons den berg Betty
bestijgen, om er geologische staaltjes in te zamelen. In dien tijd
richten wij een grooten cairn op van droge steenen, waarin we een
flesch achterlaten met zeventien liter petroleum, veertig kisten
lucifers en een verslag van de expeditie. Misschien zal in de toekomst
dit kleine dépôt den een of anderen onderzoeker te pas komen!
De verschillende dépôts, die op de Barrière zijn opgericht, bevatten
zulk een groote hoeveelheid zeehondenvleesch, dat we er alle dagen
van zullen kunnen eten. In geval van scorbuut zou deze voorraad
ontzaggelijk veel waard zijn geweest. Frisch en gezond als wij zijn,
hebben we er enkel den dienst van, dat onze menu's er afwisseling door
krijgen. Sedert onze aankomst op de Barrière is de temperatuur veel
hooger geworden; ze blijft nu in de buurt van tien graden vorst. Maar
altijd hetzelfde weêr, sneeuw, sneeuw en altijd weer sneeuw. Zal dat
dan nooit eindigen? Daarbij een dichte nevel, waarin men geen tien
meter van zich af kan zien. Temperatuur acht graden vorst. Wat later
begon het zelfs te dooien, en alles werd vochtig op de sleden. Op
de dikke sneeuw werd het loopen moeilijk, maar de honden trokken nog
best. Dien avond van 9 Januari werd het weêr, om tien uur in den avond,
het uur van vertrek, beter en het werd betrekkelijk licht. Niet lang
daarna merkten we een cairn op zoowat 200 meter westelijker. Daarheen
koers gezet! Hij heeft wel wat geleden van de zon en den wind. We
vinden er het document in, dat de richting aangeeft voor het vinden
van den volgenden cairn op 5 kilometers afstands.
Twee meeuwen! Na in een kring te hebben rondgevlogen, gaan ze op de
pyramide zitten. Het gezicht van die vogels maakt op ons een diepen
indruk. Brengen ze ons niet een groet uit de levende wereld in dit
gebied van den dood? De meeuwen blijven een oogenblik onbewegelijk
zitten en gaan dan in zuidelijke richting weg. Thans bevinden ze
zich juist halfweg tusschen Framheim en de Pool, en ze zetten hun
tocht landwaarts in voort! Wij kampeeren op 84.15 bij een van onze
cairns. Den volgenden dag hebben we aan het eind van onze dagtaak 55
kilometers afgelegd. Onze marschmethode vergunt ons, een dergelijke
étappe om den anderen dag te doen. Den eenen dag 28 kilometer en den
volgenden 55, wel het beste bewijs voor de kracht van onze honden.
Naarmate we ons van het land verwijderen, worden het weêr en de
weg beter. Weldra schittert de zon weer aan den helderen hemel en
de sneeuw wordt weer vlak. Bjaaland, die sinds de Pool voorhoede is,
verricht nauwkeurig zijn functie van verkenner. "Niemand is volmaakt,"
zegt het spreekwoord. Als men, om zijn gang te regelen, geen punt heeft
aan den horizon, om zich naar te richten, is het onmogelijk de rechte
lijn te houden, vooral als de nevel het uitzicht belemmert. In zulk een
geval slingert men nu eens naar den eenen kant dan naar den anderen;
die vergissingen wisschen elkander uit, en zoo blijft men zoo wat in
de richting. Bjaaland nu wijkt altijd naar rechts uit. In het begin
wees Hansen hem de richting, die hij moest houden. Dadelijk zette onze
kameraad zorgvuldig zijn ski in de richting, die voorgeschreven was,
en voort ging het. Zijn bewegingen toonden aan, hoe hij zijn best
deed, de gegeven richting te houden. Maar jawel, als Hansen hem niet
dikwijls tot de orde had geroepen, zou Bjaaland na ongeveer een uur
een volkomen cirkel hebben beschreven en zou weer op het punt van
uitgang zijn uitgekomen. Dat gebrek van onzen voorlooper heeft geen
slechte gevolgen gehad. Als we onze signaalposten niet terugvinden,
weten we zeker, dat we te veel naar rechts zijn afgeweken, en bij
gevolg moeten we de cairns meer westelijk zoeken.
Vandaag, 13 Januari, moeten we naar onze berekening het dépôt van
83 graden bereiken. De ligging van alle dépôts, die noordelijker
zijn gelegen, is aangegeven door een lijn van signalen, loodrecht op
onze richting; dus is dit bij gevolg het laatste kritieke punt van
onzen weg. Voor het oogenblik zou het weêr het niet toelaten, dat we
het vonden. De nevel is zoo dicht, dat men niets kan onderscheiden
op een paar meters afstands. Gedurende de heele étappe krijgen we
geen enkelen seinpost te zien. Om vier uur in den namiddag wijzen
de afstandswijzers aan, dat de afstand tusschen het laatste kamp en
den 83sten graad afgelegd is; maar er is nog niets te zien. Laat ons
wachten op beter weêr. Terwijl we het kamp opslaan, trekt de nevel op;
op korten afstand, natuurlijk in het Westen, ontdekken we toen het
dépôt. Onmiddellijk pakken we weer in, om ons te installeeren in de
buurt van ons magazijn.
Op 16 Januari wordt de aankomst aan het dépôt van den 82sten graad
gevierd met een extra. Wisting maakt een pudding, een heerlijken
chocoladepudding. Tusschen den 82sten en den 81sten graad hebben we de
resten teruggevonden van de pakkisten, waarvan we de planken in den
grond hebben gestoken, met tusschenruimten van een mijl, ten tijde
van de tweede expeditie voor de oprichting van de dépôts. Ze zijn er
neergezet in Maart 1911, en nu zijn we in het midden van Januari 1912.
Op 81.20 hebben we een prachtigen, helderen hemel met zwakken wind uit
het Zuidwesten. We zijn nu op de hoogte van de reeksen séracs, die we
vroeger hebben waargenomen. Ze strekken zich uit, zoo ver het oog reikt
van het Noordoosten naar het Zuidwesten. Kort daarna is onze verbazing
groot, toen we in dezelfde richting een hoogland ontdekken, dat vrij is
van sneeuw, en dan wat verder twee hooge witte toppen, waarschijnlijk
gelegen op ongeveer 82 graden Z.B. Het aanzien van de lucht wijst uit,
dat dit belangrijke bergland zich in de richting Noordoost-Zuidwest
uitstrekt. Het moet hetzelfde wezen, dat we zich aan den horizon
hebben zien verliezen dichtbij 84 graden, toen wij ter hoogte van
1200 meter waren en ons boven de Barrière bevonden. We bezitten nu
genoeg gegevens, om dat land in zijn geheel te construeeren, en we
noemen het Carmenland. Hoewel onze waarnemingen ons doen gelooven,
dat het zich van den 86sten graad tot aan zoowat 81.30 uitstrekt, heb
ik het niet op de kaart durven voorstellen. Ik heb er mij toe bepaald,
een naam te geven aan het land, dat tusschen den 86sten en den 84sten
breedtegraad ligt en voor het overige er de formule op toe te passen:
"Gelijkenis op land". Een ontdekkingsreiziger zal er baat bij vinden,
deze streek te exploreeren. Vóór dat bergland is de Barrière zeer
verbrokkeld; in alle richtingen ziet men spleten, séracs, bergen
en dalen.
De volgende étappe is iets nieuws voor ons, hoewel we er al driemaal
zijn geweest. Maar telkens hebben we bedekte lucht gehad, en nu
stelt een heldere hemel ons in staat, alles goed op te nemen. Deze
geaccidenteerde zône, die op 81.12 graden Z.B. begint, is van het
Noorden naar het Zuiden zeer smal, ongeveer 5 kilometer; maar in de
richting Oost-West strekt ze zich uit, zoover het oog reikt. Enorme
brokken van den gletscher zijn losgeraakt en hebben gapende kloven
geopend, die heele karavanen kunnen verzwelgen; daarbij overal heuvels
en kleine bergjes van de afmeting van hooibergen. Dat we driemaal
hierlangs zijn getrokken zonder ongelukken, is een wonder. Thans gaan
we er zoo vlug mogelijk over en maken ons zoo licht mogelijk. Hansen
zakt tot het middel in een spleet, maar redt er zich uit.
Op 21 Januari passeeren we den laatsten cairn op 80.23. Ik zie hem
met leedwezen verdwijnen. We hebben die pyramiden lief gekregen, en
elken keer dat we zoo'n sneeuwhoop zien, krijgen we den indruk, oude
vrienden weer te ontmoeten. Talrijk en belangrijk zijn de diensten
geweest, bewezen door die stille bewakers van onzen langen, eenzamen
weg. In den loop van den dag bereiken we het groote dépôt van 80
graden. Het bevat een document van luitenant Presterud, het hoofd van
de oostelijke groep, waarin hij zijn passage vermeldt met Stubberud
en Johansen op 12 November. Dadelijk na onze aankomst maken we de
honden los. Terstond werpen ze zich op het stuk zeehondenvleesch,
nog niet zoozeer om het op te eten dan wel om te vechten. Nu is er
voor hen een reden om te strijden. Na herhaaldelijk in het rond te
hebben geloopen om de resten van de zeehonden, kijken ze naar het
vleesch, dan gaan hun blikken naar elkander toe en ten slotte werpen
ze zich op elkaâr in een verwoed gevecht. Toen de strijd ten einde
is en het maal genuttigd, leggen ze zich ieder bij zijn eigen slede
te slapen. Het dépôt van 80 graden bevat nog veel voorraden en het
is gemakkelijk te ontdekken. Het kan zeker voor een latere expeditie
dienen. Voor ons is het harde werk afgeloopen!
Den 25sten Januari, om vier uur in den morgen, zijn we op Framheim
terug met twee sleden en elf honden. Allen, dieren en menschen, zijn
nog sterk en volkomen gezond. Als we het huis binnentreden, slapen
onze kameraden een gerusten slaap. Stubberud, die plotseling wakker
wordt, vliegt overeind en staart ons verwonderd aan; blijkbaar houdt
hij ons voor de een of andere geheimzinnige verschijning. De een na
den ander ontwaken onze vrienden, en hun verblufte houding doet zien,
dat ze de zaak nog niet begrijpen... Toen eindelijk ieder bij zijn
positieven is gekomen, worden we hartelijk welkom geheeten. "Waar is de
Fram?" is onze eerste vraag. Groot is onze vreugde, toen we de behouden
aankomst vernemen. Dan pas vragen onze kameraden: "En de pool? Zijt
ge er gekomen?"--"Natuurlijk, anders hadt ge ons niet teruggezien."
Dan zet Lindström water op voor de koffie, en weldra verspreidt zich de
geur van de koeken, die warm worden opgediend, door de tent evenals
vroeger. Het is een weldadig en verkwikkend gevoel en een groote
voldoening, aan het eind te zijn van onze lange afwezigheid. De
expeditie heeft 99 dagen geduurd, in welken tijd wij een afstand
van 3000 kilometers hebben afgelegd. De Fram is den 8sten Januari
aangekomen, na een reis van drie maanden van Buenos Aires. Thans
heeft het slechte weêr het schip genoodzaakt, het ruime sop te
kiezen. Den volgenden dag wordt het gesignaleerd, en dadelijk wordt
het druk op Framheim. Het bont wordt aangetrokken en de honden worden
aangespannen. We zijn erop gesteld, aan onze kameraden de kracht
te toonen, die er nog in onze honden is overgebleven. Daar hooren
we het zuchten van den motor; vervolgens verschijnt het kraaiennest
boven den top van de Barrière en ziedaar den notedop van onze Fram,
onze dierbare Fram! Wat klim ik vroolijk aan boord en hoe uitbundig
en warm begroet ik de brave bemanning, dat ze hun schip na zooveel
gevaren teruggebracht hebben en onderweg vruchtbaren arbeid hebben
verricht. Allen zien er gelukkig uit; maar niemand spreekt over de
Pool. Ten laatste laat Gjertsen los: "En nu, ben jullie er heengegaan?"
Blijdschap is maar een poover woord voor het gevoel, dat zich
toen afspiegelde op de gezichten van onze kameraden; het is iets
hoogers... Kapitein Nilsen stelt mij mijn brieven ter hand en
geeft mij daarna al het nieuws. Toen ik van alles op de hoogte ben
gebracht, treden drie persoonlijkheden meer dan anderen naar voren
onder diegenen, dien mij hun steun hebben verleend in de ernstigste
omstandigheden, en wel: Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,
professor Frithiof Nansen, Don Pedro Christophersen. Altijd zal ik
mij met eerbiedige dankbaarheid de diensten herinneren, die deze
eminente personen mij hebben bewezen....
Den 30sten Januari zijn we, na twee dagen met het inpakken van de
bagage bezig te zijn geweest, gereed, om te vertrekken. Onder de
vreugde van het weggaan mengt zich iets van leedwezen. Men verlaat
niet zonder spijt wat onze woning is geweest voor een jaar, zelfs als
het onder de sneeuw is begraven geweest en onder het ijs. We zijn
te zeer slaven van de gewoonte, om ons plotseling zonder droefheid
te kunnen losrukken van het milieu, waarin we zooveel maanden hebben
geleefd. In de oogen van de meesten onzer landgenooten zou Framheim een
afschuwelijk oord wezen; maar voor ons heeft dat huis slechts aangename
herinneringen. Gedurende een jaar is het een geriefelijke schuilplaats
geweest, waar wij na dagen van harden arbeid rust en kalmte vonden. Den
heelen antarctischen winter door, en dat is een winter die meetelt, is
het huis voor ons een beschutting geweest tegen de koude. Op hoogere
breedten zou menig arme zwerver ons dat nestje hebben benijd. In
dat verijsde land, dat door alle levende wezens in den winternacht
wordt verlaten, hebben wij geleefd, niet als dieren, die zich in een
hol verschuilen, maar als beschaafde menschen, die alles te hunner
beschikking hebben, wat een geordende woning noodig heeft.
Daarbuiten heerschten duisternis en koude en sneeuwstormen; men
trad over den drempel van het huis, en dadelijk had men licht en
warmte. En dus waren we ontroerd bij het verlaten van dat huisje, waar
het leven zoo goed is geweest. De beschaafde wereld roept ons; ze zal
ons zeker veel dingen verschaffen, die we lang hebben ontbeerd, maar
daarentegen ook veel zaken, waar we wel voor altijd van verlost zouden
willen wezen! Wie weet? Als we weer ons gewone leven zullen leiden
met zijn stoet van zorgen en verdrietelijkheden en beslommeringen,
misschien zal dan de herinnering aan de kalme en rustige dagen,
op Framheim gesleten, een verlangen in ons wekken naar het verleden!
Maar die schaduw van droefheid gaat spoedig voorbij. Het verleden, hoe
aangenaam het moge geweest zijn, het is het verleden! Wij moeten aan de
toekomst denken; ze staat vóór ons, glimlachend en vol beloften. Voor
het oogenblik denkt niemand van ons aan de lotwisselingen, die
het lot later hem kan brengen. Om het vertrek te vieren, is de
Fram met vlaggen getooid, en toen het anker wordt gelicht, is de
voldoening algemeen. We verlaten Framheim, trotsch dat we het doel
hebben bereikt, dat we ons hadden gesteld; dat gevoel overheerscht in
ons. Sinds twee jaren heeft de tijd ons niet lang geschenen, en onze
geestdrift is nooit verflauwd, maar dat het zoo is geweest, komt van
de afwezigheid van wat ik "doode punten" zou willen noemen. Pas was
het eene probleem opgelost, of een ander deed zich voor; het eene
doel was nog niet bereikt, of een ander vroeg onze aandacht. Altijd
werden we bezig gehouden; en in dergelijke omstandigheden vliegen de
uren snel voorbij. Ofschoon onze groote onderneming geëindigd is,
toch is de terugreis niet oninteressant. Onze inspanning zal eerst
haar volle beteekenis krijgen, als ze aan de beschaafde wereld bekend
is geworden; dus is het noodig, de resultaten zoodra mogelijk aan het
groote publiek mede te deelen. Het is van het hoogste belang, dat wij
het eerst op de markt komen. Wij meenen de Pool te hebben bereikt vóór
de engelsche expeditie; maar dat is nog slechts een waarschijnlijkheid.
Van hier tot Hobarttown in Tasmanië hebben we 2400 zeemijlen af
te leggen. Verleden jaar is het varen door de Rosszee een echte
pleziervaart geweest; maar we waren toen midden in den zomer. Thans
is het Februari, dus nadert de herfst, en de vaart kan bezwaren in
hebben. Hoe het zij, het pakijs zal ons niet ophouden, verklaart
beslist kapitein Nilsen. Hij heeft een onfeilbaar middel gevonden,
om erdoor te komen, beweert hij. Zijn zelfvertrouwen lijkt mij wel
wat overmoedig; maar de toekomst heeft bewezen, dat Nilsen niet te
boud heeft gesproken. Moeilijker zal de vaart zijn in de zône van de
westenwinden, waar we den wind op zij zullen hebben.
Uit de brieven, die de Fram heeft meegebracht, heb ik vernomen, dat
de Zuidpoolexpeditie onder Dr. Douglas Mawson, die als australische
onderneming te Hobarttown wordt uitgerust, gelukkig zou wezen, enkele
van onze honden over te nemen, als we die konden afstaan. Het was in
mijn macht, dien kleinen dienst te bewijzen aan een collega. Bij het
vertrek van Framheim hadden we nog 39 honden. Er waren wel veel honden
op reis geboren, maar een groot deel van hen waren toch veteranen uit
Groenland; elf van hen waren mee aan de Pool geweest. Mijn plan was
eerst geweest, slechts enkele te houden als kern voor een nieuwen
troep voor de onderneming naar de Noordpool, waar ik plan op heb;
maar met het oog op den wensch van Dr. Mawson scheepte ik ze alle
in. Toen dus het laatste colli aan boord was gebracht, was de beurt
van inscheping aan de honden. De oudjes hernemen dadelijk op het
dek hun gewone plaats, alsof ze den vorigen dag van het schip waren
weggegaan. Nadat de laatste hond was opgeheschen, wordt de motor aan
den gang gebracht.
In het jaar, dat wij op Framheim hebben gewoond, is het aanzien
van de Walvischbaai niet in het minst veranderd. Zelfs de meest
vooruitstekende punt van den westelijken muur van de Barrière,
kaap Manhue, is niet veranderd. Daarentegen is het ijs veel later
losgeraakt dan in het vorige jaar. Wat een geluk, dat het in 1911
zoo vroeg al den doorgang toeliet! Als het toen zoo lang dicht was
gebleven als in 1912, zou de ontscheping van al het materiaal en
de levensmiddelen het dubbele van den tijd hebben gevorderd en veel
bezwaarlijker zijn geweest.
Een dichte nevel omhult de baai; dus kunnen we niets zien van het werk
van onze japansche collega's. De storm van 27 Januari had de Kaïnan
Maroe evenals de Fram genoodzaakt, het ruime sop te kiezen, en sinds
dien tijd hebben we het schip niet weergezien. In de laatste tijden
hebben de leden van de japansche expeditie, die hun kamp hebben op
den rand van de Barrière, zich nog al op een afstand gehouden van ons.
Op den dag van de inscheping ging Presterud de vlag halen, die geplant
was op kaap Manhue, om aan de Fram onze aankomst te seinen. Naast dat
sein was een tentje opgeslagen, waar een bewaker kon worden geplaatst,
in geval ons schip eens niet gauw was binnengekomen. Bij zijn aankomst
was Presterud niet weinig verbaasd, plotseling tegenover zich te zien
twee Japanners, die bezig waren den inhoud te onderzoeken van de tent
in quaestie. De vreemdelingen begonnen het gesprek over de helderheid
van de lucht en den overvloed van ijs; na daarmee ingestemd te hebben,
beproefde onze vriend belangwekkender inlichtingen te krijgen. De beide
mannen zeiden hem toen, dat twee van hun metgezellen meteorologische
waarnemingen waren gaan doen op de Barrière en gedurende een week
ongeveer afwezig zouden blijven. Wat de Kaïnan Maroe betreft, die was
vertrokken in de richting van Koning Eduardsland. Vóór 10 Februari
moest hun vaartuig terug wezen; alle leden van de expeditie zouden zich
dan inschepen, om naar het Noorden te gaan. Presterud had de beide
Japanners uitgenoodigd, ons op Framheim een bezoek te brengen; maar
we zagen hen niet opdagen. Als ze later naar het station zijn gegaan,
zullen ze hebben gezien, dat wij alle maatregelen hadden genomen,
om ons huis zoo prettig mogelijk in te richten voor onze opvolgers.
Bij het optrekken van den nevel zijn we in open zee, in een volkomen
vrije zee, om zoo te zeggen. Welk een heerlijk gevoel, die donkerblauwe
zee onder ons te hebben en dien open hemel te zien voor onze oogen,
die zoolang niets anders dan witheid hebben aanschouwd van sneeuw
en ijs. Nu kunnen we weer de buitenwereld bekijken zonder berookte
glazen, en zonder dat men met de oogen moet knippen, om niet te worden
verblind... Ook dezen keer is de Rosszee ons weer genadig. Door een
zuidwestenwind voortgedreven, zijn we twee dagen later reeds 200
mijlen ten noorden van de Barrière. Nilsen heeft een kaart opgemaakt
van de grenzen van het pakijs naar de waarnemingen in den loop van
de drie reizen, door de Fram in deze streken gedaan. Het voortdurend
aanwezig zijn van een doorvaart langs den 150sten graad W.L. schijnt
wel voldoende vastgesteld door zijn werk. De verplaatsingen in
lengte, die trouwens niet veel beteekenen, van deze opening in de
verschillende jaren moeten volgens Nilsen aan de werking van de winden
worden toegeschreven. Daar, waar het pakijs te dicht wordt, heeft hij
opgemerkt dat, als men zich maar naar den wind richt, er altijd wel
een open kanaal is te vinden. Al noodzaakt die methode tot omwegen,
ze maakt het daarentegen altijd mogelijk, vooruit te gaan.
Drie dagen na het vertrek ontmoeten we het pakijs bijna op dezelfde
plaats, waar het op de drie vorige reizen was te vinden. Eenige
uren later wordt het zoo dik, dat het gevaarlijk zou wezen voort
te gaan. Nu is het oogenblik gekomen om de methode van Nilsen toe
te passen; de zeer zwakke wind blaast uit het Westen; dus zetten we
westwaarts koers, en na een paar uren in den wind op te hebben gevaren,
krijgen we verscheiden openingen. Indien we in de eerste richting
waren doorgegaan, zouden we misschien lang zijn opgehouden, terwijl
er op een paar mijlen afstands een passage was. Het is de eenige wat
langere omweg, waartoe we zijn genoodzaakt geworden. Weldra vermindert
het ijs, en den 6den Februari hebben we het einde van het pakijs.
Op de Rosszee geen van die zuidoosten- en oostenwinden, die zoo vaak
in de buurt van Framheim waaien. Meestal waait het uit het Noorden,
niet krachtig maar sterk genoeg om ons goed, oud scheepje tegen
te houden. Gedurende de eerste acht dagen blijft de lucht bedekt,
dus kunnen we geen waarnemingen doen. Enkel op 7 Februari kan er
een meridiaanshoogte worden genomen, die onze plaats aangeeft ten
noorden van kaap Adare. Acht-en-veertig uren van een flinken zuidenwind
brengen ons nog al vlug bij de Balleny-eilanden en den 9_den_ Februari
verlaten we het Zuidpoolgebied. Ruim een jaar geleden waren we vol
vreugde over den poolcirkel gegaan, en thans is onze voldoening niet
minder groot, nu we die lijn passeeren, om in de bewoonde wereld terug
te keeren. Te midden van de drukte van het vertrek is de samenkomst
van de beide groepen van de expeditie niet kunnen gevierd worden, en
nu besluiten we die heugelijke gebeurtenis te vieren op den dag van
het passeeren van den poolcirkel. Het programma is zeer eenvoudig;
het belooft een kopje koffie extra, met punch en sigaren.
De thermometer stijgt aanmerkelijk boven nul, en wie nog bont draagt
legt het af, om tot lichtere kleedingstukken over te gaan. De bewoners
van Framheim gaan het laatst tot die verandering over. Men vergist
zich, als men meent dat een langdurig verblijf in de poolstreken iemand
minder last van de koude geeft. In het algemeen is het tegendeel
waar. In een streek, waar de temperatuur alle dagen 45 graden onder
nul is, of zelfs nog lager daalt, maakt goed en warm bont, dat ge de
koude niet gevoelt en men gewent aan het behagelijk warmtegevoel.
Nu we meer naar het Noorden komen en geen last meer hebben van het
pakijs, moet er nog rekening worden gehouden met de ijsbergen. In
den nacht kan een goede uitkijk van zeer ver het witte licht, dat
de groote blokken uitstralen, waarnemen, maar de kleinere komen
zeer weinig boven het water uit en stralen dus geen licht uit in
de duisternis. En ze zijn precies even gevaarlijk als de groote. De
wateren, waarin we ons bevinden, zijn nog niet zeer bekend. Kapitein
Colbeck, commandant van een der schepen, die de eerste expeditie van
Scott van het noodige moest voorzien, heeft ten oosten van kaap Adare
een onbekend eilandje ontdekt, waaraan hij den naam van Scott heeft
gegeven. Er kunnen nog best andere in deze buurt wezen.
Na nog veel last van tegenwind te hebben gehad, krijgen we den 4_den_
Maart Tasmanië in 't zicht. De zuidkust van dat eiland heeft drie
kapen. Welke van de drie hebben we vóór ons? Wij weten het niet. De
nevel belet, de omtrekken van het land te onderscheiden. Toen na
een nacht van onzekerheid de dag weer aanbrak, zagen we de kust,
en we meenen Tasman Head te herkennen. Gedreven door een sterken
wind, nadert de Fram snel het land. Binnen enkele uren denken we in
Hobarttown aan te komen. We zetten ons aan tafel, om te ontbijten,
toen de officier van de wacht ons bericht, dat we aan den verkeerden
kant van de kaap zijn, en toen we allen aan dek komen, zien we, dat we
in een dichten regen ons hebben vergist. De punt, die we voor Tasman
Head hebben gehouden, is niet in de Storm Bay, en in plaats van daar
te zijn, bevinden we ons nog in de Stille Zuidzee. De hevige wind
doet ons nog wat rondzwalken en eerst den 7den zijn we in de Storm Bay.
Er schittert een mooie zonneschijn, terwijl er vreugde op ons aller
gelaat is te lezen. De oude Fram moet schitteren, zij ook; en de
menschen zijn dan ook aan de beurt om wat toilet te maken. Lindström
zelfs besluit, in aanraking te komen met het water.
Daar is een loodsstation. Een motorbootje klampt ons aan: "Een loods,
kapitein?" Op die vraag van de eerste vreemde stem, die zich tot ons
richt, beven we van aandoening. De verbinding met de buitenwereld is
hersteld! De loods kijkt met verbazing naar al wat hij ziet bij het aan
boord komen. "Ik zou nooit hebben gedacht, dat een poolvaartuig zoo
goed kon zijn ingericht; men zou niet zeggen, dat ge uit de poolzee
komt; het lijkt er meer op, dat ge een pleziervaart met toeristen
hebt gedaan, en dat ge altijd maar pret hebt gemaakt."
Over wat we hebben uitgevoerd, willen we ons voorloopig nog niet
uitlaten, en de goede man, die dat wel bemerkt, staat ons toch graag
te woord met wat hij weet. Hij heeft van de Terra Nova van Scott
nog niets gehoord, maar weet, dat het schip van de Mawson-expeditie
onder kapitein Davis elken dag te Hobarttown wordt verwacht. In het
begin van Februari heeft men zich over de Fram ongerust gemaakt,
en toen ze niet kwam, dacht men er niet meer aan. Dus zal onze komst
een verrassing zijn.
Daar zijn wij terug! Ik heb het genoegen te hooren, dat geen der andere
expedities de Zuidpool heeft bereikt. Aan ons dus de overwinning!