DE VEROPENBARING AAN JOZEF.

Op het bol van een reeds lang gevelden beuk, met de volle zon op

zijn kalen schedel en afgegaan-rood slaaplijf, zat Jozef te peinzen,

altijd maar te peinzen aan hetzelfde ding, hoe het kwam dat Maria

zwanger was, en wat hij nu als bruidegom moest doen; zijn handen

speelden zenuwachtig met een korenaar.

Rondom over het wijde, rijpe koren kookte het licht en in de

nanoenstilte gonsde er ergens een zeisen....

Traagzaam, met den zwaren tikkenhaan en den spitsen neus juist boven

het gele koren, kwam de lange magere pastoor ginder aangewandeld.

Jozef zag hem, en wilde henengaan om den pastoor te mijden. Hij vreesde

iets; maar hij vermande zich, bleef zitten, en trok een nieuwe korenaar

tot zich.

Zijn hart klopte van angstige verwachting.

Daar was de pastoor. Hij deed alsof hij verschoot, schoof zijn bril wat

verder op zijn neus, en pimpelde met de kleine, goede grijze oogskes,

en liet in een vriendelijken lach een mond van zwart berookte tanden

zien.

"Dag Jozef, beste vriend!"

"Dag menheer Pastoor," groette Jozef onderdanig.

"Zit ge weer te dubben vriendje. Kom zeg mij eens rechtuit wat voor

een zwaar pak gij op uw geweten draagt?" Daarmee veranderde het gezicht

van den pastoor; hij trok de wenkbrauwen zonder haar in zijn voorhoofd,

en zag daarbij Jozef uitvorschend aan.

Maar zonder antwoord af te wachten van den bedeesden man, klopte hij

hem op den schouder en zei met groot gewicht: "Jozef, jongen, ik weet

alles!" en daarmee zette hij zich nevens hem op den neergevelden beuk.

Jozef was bijna rood geworden lijk vleesch, draaide met zijn oogen

verlegen overentweer, en zijn onderste lip en zijn handen begosten

te beven.

"Ge weet," zei de pastoor met plechtigheid, "dat er veel over u

gesproken wordt. Nu, zulk geval kon niet verborgen blijven, dat loopt

lijk een vuurken rond, en ieder weet er 't zijne over te zeggen. De

menschen spreken er effenaf schande van, maar gij weet zoo goed

als ik, dat ze van een pink een arm kunnen maken; en daarom zei ik

bij me zelven, daar vraag ik Jozef zelf eens naar.... En nu heb ik

u vast jongen, en ik laat u niet meer los! Nu gaat gij, als goede

vriend, mij eens zonder latijn en zonder omwegen uiteendoen hoe de

zaak gestaan is en gelegen. Want dat een rechtveerdig man leek gij,

zijn zwangere bruid zoo maar om de schoonigheid zou laten loopen,

dat kan ik niet slikken. Ik luister."

In afwachting nam de pastoor kalm en zeker van zijn stuk, zijn zilveren

snuifdoos, waaruit hij op zijn duim een greepken nam, dat hij met

gulzig gesnuffel in zijn neus verdwijnen deed. Jozef begon te zweeten,

slikte zijn speeksel in, en zei toen aarzelend: "Ja mijnheer Pastoor,

't is waar... maar..." Jozef kon niet voort en wist niet hoe zich

uit te drukken. In de stilte die er tusschen hen was, vloog er een

grijs vogeltje op een korenaar, en op en nederwiegend bleef het hen

met schuinsch koppeken bestaren.

"Maar?" vroeg de pastoor als iemand met veel geduld.

"Luistert," sprak toen Jozef kort, "ik heb er geen schuld aan!" De

pastoor trok zijne brauwen naar omlaag, en al sprekend knikte hij

langen tijd met zijn hoofd, lijk er zekere aarden beeldekens doen,

waar de kinderen mede spelen.

"Dus zou Maria, die ik steeds voor een onschuldig lammeken heb aanzien,

en waarvan ik met mijn eigen ooren heb hooren profeteeren door een

heilig man, toen men ze opdroeg in den tempel--ik was daarbij--(en

hier wees hij met zijn langen vinger naar zijn eigen) dat zij een

lelie was der dalen, nu zou zelfs Maria..."

"Neen! neen!" haastte Jozef van te zeggen. "Maria is zuiver lijk

de sneeuw! en witter als de zon! Daar durf ik op zweren op mijn

zielezaligheid!"

"Maar ge weet toch dat ze zwanger is, en dat er een kindeken te

verwachten valt?" vroeg de pastoor koel.

"Ja," zuchtte Jozef, "met eigen oogen heb ik dat gezien," en mismoedig

viel zijn hoofd op zijne borst.

Een windeke liep door de zon, zette zich wat te spelen in de korenaren,

toen sprong het er weer uit, aaide eens in de dunne, weinige haren

van den pastoor en liep verloren in de lucht.

"En hebt ge toen met Maria over dit geval gesproken?"

Jozef richtte weer het hoofd omhoog, zijne zwarte perelen-oogen glommen

en als begeesterd sprak hij: "Dat kon ik niet menheer Pastoor, dat

kon ik niet van groot geluk. Als ik daar kwam en Maria pas ontwaarde,

zoo viel er over mij een fijne zoetigheid, 't was lijk zoete wijn in

den mond, en rozen na den regen om mijn hoofd.

Het scheen mij heel natuurlijk dat zij zwanger was, of beter nog

gezegd, ik dacht er zelfs niet aan, alhoewel ik het pirmentelijk voor

mijn oogen zag.

Ik zag haar maar alleen, en 'k voelde iets uit haar over mij gaan

dat schooner was en beter dan in elk ander mensch.

Ja, iets beter dan zij zelve, 'k geloof dat ik haar zielken zag;

in elk geval 't gebeurde daar iets wonderlijks. Menheer Pastoor,

ge moet het niet gelooven als ge wilt, maar ge weet niet hoe zalig

het is haar te bezien, het is alsof men in den hemel komt."

En droomend met een blijden glimlach in den baard, staarde Jozef in

de gele korenverte.

De Pastoor zat daar als uit de wolken gevallen, en wist niet wat te

denken; hij zat Jozef te bezien met verbazing in de oogen. O, kon

hij ook zoo maar eens in de kerk tot de menschen spreken, lijk Jozef

daar zoo heerlijk nu gesproken had, hij ware al lang ievers Pastoor

geweest in eene groote stad. "Die heeft nog iet van zijn voorouder

David op de tong," peinsde hij.

Maar 'n brommende hommel deed hem het hoofd achteruit trekken en joeg

die naijverige gedachten weg.

"En dan heeft Maria u gezegd," zei de pastoor inleidend.

"Ze zag er ook zoo blij en smiltend van genoegen uit dat ze zeker

vergeten is er over te spreken!"

De pastoor liet een peerdezucht en krabde met een vinger in zijn haar.

"En wat gaat ge nu doen?"

Jozef wrong zijn handen en met een van tranen doorweekte stem en

haperend van vertwijfeling sprak hij: "Zie, menheer Pastoor, ik weet

het niet. En dat is juist mijn groot verdriet. Ik verga lijk sneeuw

in de zon. Wat moet ik doen? Wat zoudt gij doen als g'in mijn plaas

waart? Ik lig er heele dagen op te peinzen en te duizeneeren, en

kan maar niet t'accoord geraken. Ik ben er van buiten en van binnen

van beroerd, het eten smaakt mij niet en 's nachts kan ik geen oog

toe doen.

Ge weet niet wat ik afzie! 't Is een tempteering als van duizend

duivels! Ga het maar eens na wat ik moet doen! Volgens de wetten zou

ik Maria moeten huwen, maar volgens mijn geweten niet en zou ik haar

zelfs voor 't gerecht moeten brengen daar zij mijn naam in schande

brengt, maar zooiets wil ik niet doen! En toch, en toch, en dat zweer

ik op mijn ziel en op mijn plaatsken in den Hemel, blijf ik erbij

dat Maria zuiver is en zonder zonde. Maar wat ik nu moet doen weet

ik niet. Ik zelf ben er niet slim genoeg voor! Och! menheer Pastoor,

als ge wist wat ik doe om te weten wat ik moet doen, uw haren zouden

er van omhoog komen!

'k Lig gansche dagen en nachten te bidden en te lezen voor de

heiligenbeelden, 'k heb al de kerken en kapellen waar er maar wat

heiligdom bestaat op mijn bloote voeten beeweg afgedaan; 'k doe boete,

verstervingen die te zwaar zijn voor éen mensch, en toch doe ik ze

gaarne, en 't weinige geld dat ik door hard werken heb bijeengekregen,

heb ik aan keerzen verbrand en in de offerblokken gestoken. En toch,

menheer Pastoor, toch komt er niets van den hemel noch van de aarde

dat een handje uitsteekt om er in mijn hart wat licht te brengen! Och

ik ben zoo ongelukkig, ik ben zoo ongelukkig!"

De pastoor zag toen uit Jozefs grijzen baard tranen op de bruine handen

lekken, en hij wierd verteederd als een vrouw, nam Jozefs bevende

hand heel vertrouwelijk en zei goedig: "Weet ge wat ge doet Jozef,

ga gij morgen naar Maria, vriend, en spreek er met haar eens over,

want al dat peinzen en dubben is al boter aan de galg."

Maar Jozef schudde vastberaden van "neen".

"Daar ga ik niet heen," zei hij beslist, "dat zou Maria kwetsen zijn,

en 'k weet z'is zuiverder dan het zuiverste wat er ooit geweest

is of ooit zal zijn. Nogeens, er gebeurt hier iets wonders, maar

'k weet niet wat."

De pastoor trok ongeduldig en medelijdend zijne smalle schouders

op. "Luister eens beste vriend," zei hij, "'k ben wel niet diep

geleerd in de heilige boeken en de geschriften van het testament;

mijne ouders waren maar kleine boerenmenschen en die konden zooveel

kosten niet doen; 'k ben maar een pastoor van een gering dorpken

en wil mijn vernuft en kennis over Goddelijke zaken niet meten met

die beroemde klerken der stad Leuven. Neen, maar ik neem de dingen

lijk zij zijn, en mijn klein verstand zegt mij klaar als pompwater,

dat gij in dees geval uw eigen moet in handen pakken; of wel trouwen

ofwel niet trouwen, maar dan ook iedereen laten weten waarom niet. Ge

moogt u niet nutteloos op de tong laten rijden.

Wel ik geef u een gouden raad, ga gij morgen in de vroegte naar Maria

en vraag uitleg... ja uitleg en dan weet ge aan wat u te houden. Schudt

niet neen, Jozef, ik zeg het voor uw goed, ge wordt mager lijk een

rietje en ziet er uit lijk d'Heilig' aarde.

Ge gaat er van kapot! Ewel doe het jongen, luister als 't u belieft

naar mij, en ge zult er mij om bedanken. Zie eens hoe ge nu met dubben

en denken uwen tijd zit te vermorsen dien ge anders zoo schoon aan

uw werk kon gebruiken... maar à propos, het valt mij in, hoe staat

het met 't beeld van profeet Jonas? Ik hoor u daar zoo niets meer

over zeggen. Is 't bijna af?"

Jozef had zich daar niet aan verwacht; hij had in een mollenpijp willen

kruipen, bezag smeekend den pastoor en zei bangerig: "Ik heb... er

nog niets aan gedaan, 'k heb den moed niet om een hamer vast te nemen."

"Jozef, Jozef," vermaande de pastoor, terwijl hij opstond en van

verbauwereering zijn lange armen vallen liet. "En 't moet te naaste

week terug aan het gestoelte in de kerk staan!" Hij was rood geworden

van kwaadheid, maar als hij Jozef daar zoo droevig zitten zag, kwam

er medelijden en ontroering in zijn stem. "Ziet ge wel, beste vriend,

dat ge uw eigen verneukt en den dieperik te gemoet gaat! Als het zoo

voort gaat ligt ge te naaste maand op het kerkhof (de wijzende hand

van den pastoor beefde) ginder op het kerkhof! En ik wil dat niet,

Jozef! Dezen zandwegel heeft God mij laten opgaan om u te redden, ewel

ik zal er gebruik van maken, en als gij morgen naar Maria niet gaat,

dan ga ik in eigen persoon! Van thuis blijven is geen kwestie!" En

de pastoor bleef het uitwerksel zijner woorden nazien, en tot zijn

groote voldoening antwoordde de arme man: "Menheer Pastoor laat er

mij toch nog eens op slapen?"

"Bravo Jozef, we zijn op goede wegen! En nu ga ik voort met vrede

in mijn hert, alles zal nu wel goed komen! En nu zult ge weer aan

't werk kunnen gaan met een lieken op lippen! Want 'k zou niet geren

hebben dat met mijn jubilé van vijfentwintig jaar pastoor dezer

parochie, Jonas niet aan 't gestoelte stond. En niet te duur, hè

jongen, want de kerk is maar arm! Allo, couragie, en tot morgen als

't God belieft!" En weg was de pastoor, eerst ging hij wat rapper,

maar dan weer op een lijzen wandelstap; hij sloeg zijn boek open,

en Jozef zag hem biddend voortwandelen, door het wilgenlaantje den

langen, smallen heuvel op.

Het dorp zat op den heuvel...

Jozef voelde zich nog holler dan daarstraks, maar was toch blij dat hij

den pastoor niets had beloofd. Zijn hoofd draaide van al dat klappen

en overpeinzen; hij zou maar liever naar zijn huisken gaan, daar kwam

geen pastoor of niemand hem storen, en zou er wat probeeren te slapen.

Hij wachtte om den pastoor niet in te halen, en zag swenst naar de

roode en blauwe bloemen die in 't gele koren fonkelden, naar een

snellen, groenen kever, en teekende met een wisse een vogel in het

zand. Als de pastoor nu reeds heel verre ging, zuchtte Jozef diep,

stond op en slenterde het wilgenlaantje in. Het was een heerlijk weer

met leeuwerikken in de blauwe lucht en maaiers in de beemden. Aan den

horizont lagen witte wolken, als sneeuwbergen gevlijd. Maar hij zag

het slechts met zijn oogen en voelde het genot er niet van aan zijn

hert komen.

Hoe kon hij anders hier, van op de hoogte, het verre landschap met

geluk beschouwen.

't Was een aangenaam gezicht, boven de weelde van koren, weiden en

bruine velden, de mastbosschen te zien afdonkeren, met daarboven

weer een zonnige, blonde streep van verre heideduinen, waarop een

draaiend moleken. Na etenstijd kwam hij hier dikwijls in de zon zitten

droomen. Hij zag er den uitkoom als het zaad opspringt in de aarde,

en den witten winter als de jongens op het ijs schaverdijnden. En hoe

opwekkend was het niet, 's Zondags de duiven, die van de prijskampen

terugkwamen in de verte snel te ontwaren.

Maar nu kon hij van het landschap niet genieten; zijn hart woog te

zwaar van tranen en verdriet, en al die schoonheid bleven doode dingen

voor hem.

Onwillekeurig zag hij zijwaarts, waar rond het bruine kerktorentje de

dooden lagen met een zwart kruisken boven hunnen kop en een hofken

van simpele bloemen boven hun lichaam. Zij lagen er vergeten en in

diepe rust, en hunne zielen zaten misschien in het licht van den

guldenen hemel.

Och! dat Jozef in zijn oude dagen zulk wreed verdriet en beproeving

moest doorstaan! hij hadde willen slapen en nooit meer wakker worden,

en vergaan in vergeten- en verlatenheid.

Maar hij dreef die sombere gedachten weg. Dat was de wanhoop die in

zijn hert sloop, de zonde, en 't kwam allemaal van den duivel.

Met een schietgebed verjoeg hij dit matte, donkere verlangen, en

snuffelde naar den goeden geur van den vierurenkoffie die uit de

leemen huttekens wandelde. Maar hij zou weeral niet kunnen eten.

Met een zucht zag hij eens naar 't koperen haantje van den toren en

trad zijn huizeken binnen.

In de schemerige keuken zat Jozef te weenen met het hoofd op de tafel,

en een brandend keersken, dat in een guldene vlek der ondergaande

zon verbleekte, stond hem van op den hoek der schouw pimpeloogend te

bezien. En anders was het stil alsof er niets en niemand was. Jozef

dacht weer aan den pastoor en aan de dreigende woorden, dat hij

zelf naar Maria zou gaan, en aan de vermaning om het beeld van den

profeet Jonas.

Die pastoor toch! die hem tusschen de beenen kwam loopen en heel het

geval met messen wilde ontwarren. En 't was juist die ontwarring waar

Jozef zulken schrik van had. En als een bedreiging spookte hem in de

gedachten het einde van de naaste week, de dag waarop hij het beeld

afgewerkt moest leveren. Hij zag eens met de rood-bekreten oogen zijn

laag werkplaatsken in, en voelde medeen een rilling van werklust in

hem opgaan, en een verlangen om te hameren, te beitelen en te kappen

dat de stukken tot in de geburen vlogen.

Maar als hij er kwam stond hij weer met slappe armen nevens zijn

lijf en zag met leede oogen naar het beeld van Jonas, dat daar stond

in een donkeren hoek, tusschen latten en palen, krollen en bestoft

gerief. Het was inderdaad de profeet Jonas, die met den wijsvinger

tegen een kapotten neus, en de baard gedoken in de zware plooien van

zijn toga, met slaperige oogen staarde naar een spartelend walvischken

aan zijn voet.

Hij moest gerepareerd worden aan de linkerhand en aan de knokige

knieën, en boven het hoofd moest bijgevoegd een mandeke met fruit

waarop er vogels zongen.

Want Jozef was ook kunstig aangelegd buiten het nederig

schrijnwerkersbedrijf, en zeer ervaren in steek- en snijwerk; en hij

deed het goedkoop, wat de parochiepaap het meest waardeerde.

En Jozef dacht aan 't leven van dien kolossalen profeet, en in een

opwelling van verdriet en geloof sprak hij tot het beeld: "O Jonas,

'k zou nu met Maria moeten trouwen daar zij is mijne bruid en zich

in gezegenden toestand bevindt, en 'k doe 't niet gaarne, daar het

mijne schuld niet is. Wat moet ik nu doen? Och! gij die ook niet

gehoorzaamd hebt toen God u zei van naar Ninieve te gaan, en er toch

zijt naar toe gebracht in de maag van een walvisch, zeg eens, zal er

bij mij ook een oplossing van hierboven komen?"

Maar het beeld antwoordde niet, en vernietigd sleepte Jozef terug

zijn stappen naar de keuken, als er in hem plotseling openknalde een

aangenaam gedacht.

"Doen lijk Jonas en er in stilte van ondertrekken!"

Het verraste hem zoo weldadig dat hij er een hooge roode kleur van

kreeg en begon te lachen.

"Doen lijk Jonas en er in stilte van ondertrekken!"

Dat was de oplossing! Waarom had hij daar niet eerder aan gedacht! Naar

Holland trekken en de zaak laten draaien lijk ze draaide, alles zou

dan wel eens met Gods hulp ten rechte komen. Alzoo schond hij niet

Maria's eer, en was tegenover haar rechtvaardig. Terwille van haar

wilde hij gaarne den achterklap der menschen verdragen; van één ding

had hij nu spijt, en dat was, dat hij aan den pastoor zijn onschuld

had beleden; maar had hij haar tegelijkertijd ook niet verdedigd? En

daarbij, de pastoor zou er niets van voortvertellen en de menschen

in den waan laten.

Jozef bedankte al de engelen en heel den hemel om de klare ingeving,

en ineens kwam er vlugheid en opgeruimdheid in hem, en begon hij

zijn paksken te maken. Hij haalde van den zolder een zwarte houten

kas met lederen draagband aan, zocht een hemd en een paar kousen, wat

kleergoed en gerief, voedsel, als een half brood, een vierdeel boter,

een achterhepsken, en zijne papieren en gebedenboeken. En als hij dit

alles met moeite in de kas dichtgesloten had, wreef hij verheugd in de

handen, en zou nu wachten tot het avonduur gekomen was, om in stilte,

als de menschen sliepen, ongezien het dorp te verlaten.

Want vandaag nog wilde hij gaan, daar morgen reeds de pastoor tot

Maria zou vertrekken. De uitslag van dit bezoek wilde hij volstrekt

vermijden.

Hij wachtte naar den avond in zijn hofken.

Het zakte wat den heuvel af, en was omsloten met een palmenhaag,

waar op elken hoek een haan, uit palmengroen gesneden, de wacht hield.

Het hofken was lijk een gebroken regenboog vol wonderfijne geuren. Van

op een bank zat Jozef verjeugdigd en verjongd de avondweelde te

genieten...

Het gerucht was uit de velden; er brandde ievers een lamp, en eene

blauwe grijsheid groeide uit de lucht en uit den grond.

Een ooievaar wiekte lui naar de oostelijke verte.

In de gebuurte blaatte een geitje een keer of twee, en dan was het

weer stil.

Er waren nog geen sterren, maar ginder in de avondgrauwheid kwam de

matte, roode maan als een groot verwonderd gelaat boven de donkere

bosschen gerezen.

Maar het geluk overstelpte hem, het maakte hem zoet lui, en de oogen,

die hij in dagen niet had kunnen sluiten, sloten zich zonder wil,

en Jozef sliep.

En hij droomde.

Hij beklom een hoogen berg met een ronden top. Moeilijk stapte hij

langs de onbegaande wegen, door nijdige dorens en ruwen steen. Maar

hij ging en hij ging. Hij was met de morgenstond begonnen, voelde

heel den dag de zon op zijn rug branden, en de zon was eerder den

berg over dan hij.

Hij wilde ze inhalen, verhaastte zijne stappen, en eerst als de

schemering begon, betrad hij den ronden top. Daar duizelde hij bijna

achterover van het heerlijk vergezicht dat zijne oogen genoten.

't Was een wijde, vruchtbare verte, diep onder en voor hem, en klaar

als op glas geschilderd.

Tusschen velden en bosschen, zaten de boerenhuizen verzaaid, en grijze

en roode dorpen troppelden meerder huizen rond hun toren.

Bezijds stond een lichte witte stad, en nevens een rivierken, dat

kronkelend het land dooraderde, rezen burchten en kasteelen. Molens

draaiden en menschkens beploegden het land, plukten het fruit uit de

boomen en reden met karren over de steenwegen.

En heel, heel ver, waar de perelmoeren lucht de aarde raakte, lag,

in een kling van blonde duinen, een golf van de zee.

En Jozef vroeg zich af wat dit alles toch bedieden mocht.

Maar toen rees er aan den horizont een enorme gouden poort.

't Was de zon die vergroeide tot gothieke torens en kanteelen,

kunstig en fijn uitgebeiteld lijk de toren van Antwerpen.

In de nissen en beuken en bogen stonden al de menschen die eens heilig

zouden worden in schoone gekleurde kleeren. In de open poort, waaruit

kostelijk zilver straalde, groeide er een groote, sneeuwwitte roos,

die hare blaren openlei en waarin troonde het zoete beeld van Maria.

Ze was in 't blauw gekleed en nedrig als voorhenen.

Ongekende geuren vielen over het landschap, er was geruisch van

vleugelen rond het gouden kasteel, en van daar binnen uit kwam er

zoet geluid van duizend orgels en hoog, lenig gezang van: "Ave Maria,

Ave Maria!"

De menschen op het land hielden hunnen ploeg stil en zagen naar omhoog,

deuren en vensters gingen open in dorpen en stad, en iedereen, groot

en klein, kwam met bewonderend geroep naar buiten geloopen.

Regenbogen draaiden in de lucht, en een roodglanzend kruis overspande

heel den hemel.

Jozef voelde dat er het grootste op de wereld gebeurde, en hij knielde

neer in 't gers van den berg, en luisterde naar de schoone stem van

een gevleugeld licht. "Jozef, zoon van David, vrees niet Maria uwe

vrouw tot u te nemen, want wat in haar is geboren is van den Heiligen

Geest, zij zal baren een zoon dien gij zult Jezus noemen, want Hij

zal zijn volk verlossen van hunne zonden."

Jozefs hart sprong op van verheuging, en de andere woorden kon hij

niet nagaan van loutere blijdschap, en heeft ze zich slechts nadien

herinnerd.

Een davering schudde de wereld, en Jozef ontwaakte uit zijn diepen

slaap.

Hei! zie! hij zat nog in zijn hofken, was nat van den dauw en aan de

oosterkimme, door een wolkenscheur rees de zon terug over de wereld!

't Was morgend en een nieuwe dag!

Jozef kreet het uit van geluk!

God zelf had hem nu alles veropenbaard. Maria was rein, Maria was

heilig!

Hij meende op zijn knieën te vallen om vergiffenis te vragen nopens

zijn voornemen, maar het beroerde hem zoo, dat hij in tranen uitbarstte

en in zijn handen zat te weenen.

"O Maria!" riep hij nadien, "'k heb aan u nooit getwijfeld! en dat

verblijdt mij uitermaten!"

En nog den eigensten stond kletste hij wat water over zijn gezicht,

deed zijn beste kleederen aan, en een schoonen foulard om den hals.

En met een boterham in de eene en een mispelaar in de andere hand

begaf hij zich, geestelijk verheugd, door de frissche, besmoorde

morgenvelden naar Maria!

Van al de dorpen luidden de klokken.

Het Kindeken Jezus in Vlaanderen · 第 5 / 15 题