Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar
genomen, 't vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het
portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.... en zij tweemaal:--Tot
ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante
zijn niet gekomen.
Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote
Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor
bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze
zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar' liever weggebleven. Ze hebben
zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij,
wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet
niet mee--soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo
vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij,
maar nu.... verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele
verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust
ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten--en
zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem
vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat
en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch
zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger,
heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als
een koopman, met geen ander doel dan winst, nee', 't was niet alles
om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan!
En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal
verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een
renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij
zich reppen moet naar het lokaal--is Zij vertrokken, voor altijd
heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer
een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station
blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over....
Nu is de trein al haast in Capelle.... Gek, die hij is! Of hij mee kon
leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis
zijn; Groo'va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen,
niet verheugd.... En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit
iets zien zal.
Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het
kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende
wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong
leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal
z' er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt
is ze d'er geloof in de menschen. Te rouw is d'er gevoel getrapt.
--Ik deug enkel nog voor tante.--Pijnlijk-lachend heeft ze 't gezegd,
toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.
Heukelman wéét nu. Die laat 'er met rust. Zijn zusters zullen met
norsch-doen hem wreken.
Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school
kwam? Groo'va krijgt nou wel z'en pensioen, maar het nieuwe personeel
zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch'lijker boer
vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk
een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van
bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.
Dat dìe wreedheid d'er niet is bespaard! Die vuile tang van een
juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En
de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst!
Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje's lange
ziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat
Geertje heeft moeten lijden.
Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn
leven niet.
--Ma'k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!
En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt
niet! Meneer in de nacht opeens voor d'er bedstee, terwijl z'en vrouw
boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z'en gepraat:--"Me
vrouw is as steen zoo koud, maar jij!"....
Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche
teef, zijn de mannen d'er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou
naar d'er dorp, sluit zich op bij d'er dorre ouwe, als een wereldsche
roomsche in 't klooster.
Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft,
om, Mevrouw terwille, te blijven. 't Schandaal had dat mensch d'er
dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met 'er kindje. Die
voldoening neemt Geertje mee--en dat de "meneer" zich drie maanden
koest hield.
Maar wat hééft ze doorgemaakt--nog zoo jong en zoo kort d'er dorp
uit. Geest'lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.... Och hij, met z'en
jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met
het één'ge gevoel, dat een mensch z'en leven mooi maakt. Dat heeft
ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze
heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein'ge getrouwden zeggen 't er na!
Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij
het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al
die boompjes. Lente.... Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een
blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.
Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met 'er pakhuis teksten:
één tekst heeft ze waarlijk geléérd: "Al gaf iemand al het goed van
zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten."
Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven is mooier
geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd
slijten daar niet aan af.
Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn
opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver
hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel
toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water,
mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij
hun vrijheidslied mee.