V.

Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar

genomen, 't vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het

portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.... en zij tweemaal:--Tot

ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante

zijn niet gekomen.

Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote

Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor

bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze

zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar' liever weggebleven. Ze hebben

zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij,

wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet

niet mee--soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo

vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij,

maar nu.... verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele

verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust

ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten--en

zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem

vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat

en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch

zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger,

heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als

een koopman, met geen ander doel dan winst, nee', 't was niet alles

om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan!

En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal

verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een

renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij

zich reppen moet naar het lokaal--is Zij vertrokken, voor altijd

heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer

een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station

blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over....

Nu is de trein al haast in Capelle.... Gek, die hij is! Of hij mee kon

leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis

zijn; Groo'va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen,

niet verheugd.... En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit

iets zien zal.

Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het

kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende

wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong

leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal

z' er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt

is ze d'er geloof in de menschen. Te rouw is d'er gevoel getrapt.

--Ik deug enkel nog voor tante.--Pijnlijk-lachend heeft ze 't gezegd,

toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.

Heukelman wéét nu. Die laat 'er met rust. Zijn zusters zullen met

norsch-doen hem wreken.

Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school

kwam? Groo'va krijgt nou wel z'en pensioen, maar het nieuwe personeel

zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch'lijker boer

vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk

een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van

bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.

Dat dìe wreedheid d'er niet is bespaard! Die vuile tang van een

juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En

de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst!

Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje's lange

ziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat

Geertje heeft moeten lijden.

Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn

leven niet.

--Ma'k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!

En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt

niet! Meneer in de nacht opeens voor d'er bedstee, terwijl z'en vrouw

boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z'en gepraat:--"Me

vrouw is as steen zoo koud, maar jij!"....

Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche

teef, zijn de mannen d'er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou

naar d'er dorp, sluit zich op bij d'er dorre ouwe, als een wereldsche

roomsche in 't klooster.

Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft,

om, Mevrouw terwille, te blijven. 't Schandaal had dat mensch d'er

dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met 'er kindje. Die

voldoening neemt Geertje mee--en dat de "meneer" zich drie maanden

koest hield.

Maar wat hééft ze doorgemaakt--nog zoo jong en zoo kort d'er dorp

uit. Geest'lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.... Och hij, met z'en

jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met

het één'ge gevoel, dat een mensch z'en leven mooi maakt. Dat heeft

ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze

heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein'ge getrouwden zeggen 't er na!

Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij

het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al

die boompjes. Lente.... Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een

blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.

Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met 'er pakhuis teksten:

één tekst heeft ze waarlijk geléérd: "Al gaf iemand al het goed van

zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten."

Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven is mooier

geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd

slijten daar niet aan af.

Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn

opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver

hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel

toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water,

mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij

hun vrijheidslied mee.

Geertje · 第 53 / 53 题