Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was,
had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap,
de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg
snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig
gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek
had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij
dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar
toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een
miskraam werd, kon het haar dood zijn.--"Beter wanneer ze niet hier
blijft, ze heeft veel verpleging noodig...." Daarom waakte Maandag
de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het
raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur
van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig,
huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen
sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken,
wanneer hij naar de bedstee liep.
Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar
groo'va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de
lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het
papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw
de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.
Niet Groo'va--d'er vrind Heukelman had haar geschreven. Zij moest het
adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt
zou het bij haar zijn geweest? 't Kòn, dat ze, hópend op Groova's
vergeving, over d'er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat
de brief niet van Groo'va was. Stommeling, die hij was geweest! Om
met zoo'n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:--"Ja,
voor jou!" 't Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw
gevallen. Maar--ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze
het herkend. Van d'er vroegere vrijer--die haar nòg liefhad. Terugkeer
van oude liefde, berouw?.... Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw
veranderen?--Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins
gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan,
dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d'er zoo had
overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd:
is ze soms geschrikt, is d'er wat gebeurd?--'t Feit, dat-ie schreef,
kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De
Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee,
toen Geertje pas hier was en naar 'en dienst zocht, hem, Maandag,
hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó
verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje's afwijzing naar Amerika
was gegaan. Nu bleek-ie terug--en nog verliefd....
Geliefde Geertje.
Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld,
zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp
ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen
hier die het van u weten. "Ik schrijf deze dingen niet om u te
beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u." Alzoo
schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de
gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven
aan u, Geliefde Geertje? "De liefde bedekt alle dingen," staat er
in denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds:
"De liefde dekt alle overtredingen toe", "die de overtreding
toedekt, zoekt liefde," "een vriend heeft te aller tijd lief."
Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander
bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits
uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen
hooren. "Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden
genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de
verleiding der zonde." Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog
zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te
bidden. "En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden
zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is,
daar is geene offerande meer voor de zonde." Denk ook aan dit
uit Daniël: "Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden
en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben."
Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot
Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader,
schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noem
Geliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den
Goeden God voor u te bidden,
Willem Heukelman.
Spreuken 16 : 6; 1 Petrus 4 : 8.
Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo'n kinkel z'en
beschaving. Geer had ommers verteld van d'er groo'va, hoe die gebeden
maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig
aan Meester z'en lessen!--Maandag dacht aan Multatuli, die citaten
bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de
teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De
bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze
hadden maar aan een knop te trekken. Als Kruger in den laatsten oorlog:
z'en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.... Een
troost, als 't gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde
het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als 's zondags
ze'n lakensche pak om z'en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de
vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren
lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor
Heukelman's kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan
zondagsche kleeren. Maar--was 't iets voor Geertje, was zij niet heel
anders?.... Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende
hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had
hij vroeger met 'er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis
gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar
niet anders gekend dan in d'er droevige liefde voor Heins.
Dat ze-n-'en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.
Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de
stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar
kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine
hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar
de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien
zou ze Heukelman's brief nooit lezen.
Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de
bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke
beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed--de Tabbe's
hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met
'er afliep....
Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij
zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat
het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van
morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn
schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf
hij er zich rekenschap van, dat nu hij Heukelman's brief had gelezen,
deze hem verplichtte de man te waarschuwen.
Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de
aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek,
niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was
ommers welgezind.... Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet
mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.
Hij zou--ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de
grootvader,--makkelijk: "hoofd van de school"; en, een tweede telegram,
alleen "Willem Heukelman"; zoo'n rijke boer, 't kwam waarschijnlijk
terecht. "Geertje ongesteld, kom over"--met zijn straat en het
huisnummer....
Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook
om het geld was het beter, was 't noodig: verpleging, waar ook,
wat zou het niet kosten!
Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van "de kinkel", dwong
hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman's vroomheid
terug. Zòu 't gaan met Geertje? Was 't niet het beste?....
Toen.... opeens.... god ja, ze riep!
--"Maandag", riep ze, niet meer--"meneer".
Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.
--'k Heb zoon pijn, zoo'n erge pijn.... Waar ben ik hier? Hoe laat
is het toch?
--Arme maid.... sau'n pain.... ik hèb wat....
Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.
--Wat is dat? Och nee.... 'k Heb zoo'n pijn.....
--Toe no', je hadt et al lang motte neme, ma'r je sliep sau lekkertjes.
--Och....
In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar
mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover
klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen--stil moest het zijn;
als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar
scheen ingedommeld.
Pijn!.... Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens
plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: "geen kwestie van". Maar die pijn,
wat was die pijn dan?
Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot
kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant
en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de
Tabbe's wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.... dan was hij
niet zoo bang meer--och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde
voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn....
Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op
gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit,
toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend,
het licht uitblies.
Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie
te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.