VII.

Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was,

had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap,

de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg

snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig

gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek

had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij

dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar

toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een

miskraam werd, kon het haar dood zijn.--"Beter wanneer ze niet hier

blijft, ze heeft veel verpleging noodig...." Daarom waakte Maandag

de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het

raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur

van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig,

huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen

sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken,

wanneer hij naar de bedstee liep.

Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar

groo'va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de

lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het

papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw

de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.

Niet Groo'va--d'er vrind Heukelman had haar geschreven. Zij moest het

adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt

zou het bij haar zijn geweest? 't Kòn, dat ze, hópend op Groova's

vergeving, over d'er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat

de brief niet van Groo'va was. Stommeling, die hij was geweest! Om

met zoo'n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:--"Ja,

voor jou!" 't Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw

gevallen. Maar--ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze

het herkend. Van d'er vroegere vrijer--die haar nòg liefhad. Terugkeer

van oude liefde, berouw?.... Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw

veranderen?--Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins

gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan,

dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d'er zoo had

overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd:

is ze soms geschrikt, is d'er wat gebeurd?--'t Feit, dat-ie schreef,

kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De

Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee,

toen Geertje pas hier was en naar 'en dienst zocht, hem, Maandag,

hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó

verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje's afwijzing naar Amerika

was gegaan. Nu bleek-ie terug--en nog verliefd....

Geliefde Geertje.

Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld,

zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp

ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen

hier die het van u weten. "Ik schrijf deze dingen niet om u te

beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u." Alzoo

schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de

gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven

aan u, Geliefde Geertje? "De liefde bedekt alle dingen," staat er

in denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds:

"De liefde dekt alle overtredingen toe", "die de overtreding

toedekt, zoekt liefde," "een vriend heeft te aller tijd lief."

Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander

bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits

uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen

hooren. "Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden

genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de

verleiding der zonde." Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog

zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te

bidden. "En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden

zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is,

daar is geene offerande meer voor de zonde." Denk ook aan dit

uit Daniël: "Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden

en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben."

Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot

Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader,

schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noem

Geliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den

Goeden God voor u te bidden,

Willem Heukelman.

Spreuken 16 : 6; 1 Petrus 4 : 8.

Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo'n kinkel z'en

beschaving. Geer had ommers verteld van d'er groo'va, hoe die gebeden

maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig

aan Meester z'en lessen!--Maandag dacht aan Multatuli, die citaten

bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de

teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De

bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze

hadden maar aan een knop te trekken. Als Kruger in den laatsten oorlog:

z'en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.... Een

troost, als 't gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde

het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als 's zondags

ze'n lakensche pak om z'en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de

vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren

lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor

Heukelman's kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan

zondagsche kleeren. Maar--was 't iets voor Geertje, was zij niet heel

anders?.... Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende

hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had

hij vroeger met 'er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis

gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar

niet anders gekend dan in d'er droevige liefde voor Heins.

Dat ze-n-'en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.

Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de

stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar

kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine

hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar

de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien

zou ze Heukelman's brief nooit lezen.

Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de

bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke

beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed--de Tabbe's

hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met

'er afliep....

Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij

zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat

het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van

morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn

schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf

hij er zich rekenschap van, dat nu hij Heukelman's brief had gelezen,

deze hem verplichtte de man te waarschuwen.

Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de

aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek,

niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was

ommers welgezind.... Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet

mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.

Hij zou--ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de

grootvader,--makkelijk: "hoofd van de school"; en, een tweede telegram,

alleen "Willem Heukelman"; zoo'n rijke boer, 't kwam waarschijnlijk

terecht. "Geertje ongesteld, kom over"--met zijn straat en het

huisnummer....

Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook

om het geld was het beter, was 't noodig: verpleging, waar ook,

wat zou het niet kosten!

Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van "de kinkel", dwong

hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman's vroomheid

terug. Zòu 't gaan met Geertje? Was 't niet het beste?....

Toen.... opeens.... god ja, ze riep!

--"Maandag", riep ze, niet meer--"meneer".

Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.

--'k Heb zoon pijn, zoo'n erge pijn.... Waar ben ik hier? Hoe laat

is het toch?

--Arme maid.... sau'n pain.... ik hèb wat....

Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.

--Wat is dat? Och nee.... 'k Heb zoo'n pijn.....

--Toe no', je hadt et al lang motte neme, ma'r je sliep sau lekkertjes.

--Och....

In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar

mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover

klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen--stil moest het zijn;

als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar

scheen ingedommeld.

Pijn!.... Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens

plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: "geen kwestie van". Maar die pijn,

wat was die pijn dan?

Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot

kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant

en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de

Tabbe's wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.... dan was hij

niet zoo bang meer--och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde

voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn....

Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op

gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit,

toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend,

het licht uitblies.

Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie

te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.

Geertje · 第 47 / 53 题