Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij
kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde 's morgens
met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk,
bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte,
met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen
werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de
kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen
verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist
van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig
met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde
spot:--"Wat vertelle ze nou toch van je?" en was doorgeloopen met
een:--"'k Zou me nog maar 'is bedenke, je weet, man, hoe de mense
zijn, as ze wat van je wete, nou!".... In die vijandschap liet hij
haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.... er bleef niemand
om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze
dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten,
beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den
zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar
Geertje dankbaar om had gelachen;--"Ik wil ook wel 'es 'en kinderjuf
in m'en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as 'en ander?" maar aan
een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu
lei het er toe, hij zag geen uitweg--èn als de zorg voor de kinders,
de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden, met wat er, den
toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen
waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke
hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een
angstig geluk. Geer's vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms
vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram,
hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed'lijke
vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder 't eten, met de kinders,
had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil
geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. 't Moest
ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d'er eer,
d'er leven had weggesmeten voor 'en ellendeling, nu nog op de vent
verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die
ze nog had, d'er Groo'va, laat er ook los en haar maakt dat blij,
sedert die dag, dat uur, dee' ze vroolijk. Even had hij gedacht
aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen
meisjes zich trachten te troosten met d'er trots. Maar dat kon 't
toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed
om hem te plezieren, hem te beloonen voor z'en gastvrijheid, nu ze
langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.... Nee,
het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d'er eigen zelf, een zich
dwingen, een willen vergeten.... en die toestand bracht meestal tot
wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan
gevaar voor krankzinnigheid.
Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën;
een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel
verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel,
of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam--als een moeder....
En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering,
de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van
streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar
daarvan te spreken, haar had gevonden als de vrouw, die aan de kinders,
zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.
De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid
wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd
fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de
dingen te weten te komen.
Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen,
wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze
gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld
kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer
aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het
nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw
die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording
van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende
straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje,
bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En op haar vraag:--"Wil
u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik kom."
Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen
door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was
als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep--en
haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.... máár
angstig!....