--Och jonge, wat heb ie nou?
Radeloos keek Geertje hem aan. Omdat er zoo vroeg nog geen versch brood
was! Zou ze dan Sefie uitsturen? Maar dat wou-d-ie ook al niet. Jezes,
mit die baggerboel buiten: alles was wat in de late. En dat hij
niet goed had geslapen! Zij had net zoo min lekker geslapen. Heusch,
ze voelde zich ziek als 'en hond.
--Zeur niet! Was dan in bed gebleve.
--Ik?.... En wie had voor alles gezorgd? Zeker je vrouw! Die is altoos
zoo vroeg! Vooral nou, na twee avonden uit!
--O jee, bei je jeloers?
--Hè, wa's dat toch onplezierig, as jij 's morge's slecht geluimd
ben. 't Kon net zoo gezellig weze. 'En kort oogeblikkie same. Da'lek
mot ik na de kinders.... Zeg, wat heb ie tége me? Je ben de laaste
dage zoo raar. Is dat nou om die ruzie mit Oom?
--Wat ken mijn jou oom verdomme. As-t-ie nog us komt opspele op me
ketoor, laat ik um de winkel uittrappe.
Hoonend was Jan uitgevallen. Toen, beangst door Geertje's tranen,
opeens gemoedelijk van toon:
--Zeg, hou j'in, denk om Sefie.
Geertje zuchtte. Ze voelde: 't was mis. Jan was plotseling
veranderd. Nadat Oom Maandag was komen razen. Toen was 't dadelijk
begonnen. Net of zij daar wat aan doen kon, of Oom d'er ook maar
zóóveel kon schelen!
En ze voelde zich toch al ellendig. Zondag had ze kou gevat, met
dat lange verschoonen, boven. Hè, die sneeuw, nu 't was gaan dooien,
al de smeerboel in deuren en ramen, boven was het huis zoo oud, 't
was of de vocht door de muren heensijpelde, en dan hier de tochtige
platdeur.... net of je zelf in het nat hadt geloopen. Koud! of ze geen
bloed in d'er lijf had en aldoor die schele hoofdpijn en van nacht zoo
misselek.... Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar
de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got,
stond-ie nou al op!....
--Wee je eerst nog niet un kòpje?.... Toe.... blijf nog effetjes....
En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer
zou gaan zitten.
--Wou je zoo graag dat ze-n-et wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!
Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.
Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de
leuning; zoo blééf z'overeind, schoon de grond om haar zonk.
Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond
open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.
God, wat was dit!.... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd
dat hij plots haar begaf. 't Kon toch niet in werk'lijkheid!?....
Nee. Och, nee, nee, ze was gek. Van overspanning en akeligheid. Laatst
had hij haar 's morgens ook ruw behandeld, toen ze haar armen om zijn
hals sloeg:--Pàs toch op! Denk an Sefie.--'s Morgens was hij altoos
bang. 's Avonds niet. Nou ja, 's avonds alleen maar, als ze.... en dan
was Sefie naar bed. Trouwens, hij vroeg het de laatste tijd zelden. Hij
werd veel voorzichtiger. En de schrik zat er in van Dinsdag.
Dàt was et! Dáár zei-d-ie et om! Got, zoo'n eend as ze weer geweest
was! Dáárom was-ie boos op haar. Dat van Oom, dat wist-ie wel, daar had
ze toch heusch geen schuld an. Dat hij tóen boos had gekeken.... Och,
hij keek zoo dikwijls boos. Geen wonder ook, als je zooveel an je
hoofd heb'. Nee maar Dinsdag, zij met 'er vrage:--"As de Juffrouw
et es merkte, denk je dat ze boos zou weze?" en met er prate van
'en kind.... Jan had eerst d'er angekeke, of-t-ie bang wier' dat ze
gek was. En nou mokte-n-ie d'ar nog om.
Go', d'ar sloeg 't al hallef acht. Gauw naar bove naar de kinders....
Halfweg de trap bleef ze staan. 't Was of ze dadelijk zou' spugen. Dom,
dat ze vergeten had wat te eten! 't Werd wel laat, maar 't moest
toch even....
Sofie kwam uit de keuken geloopen: of zij wel wist, dat het half
acht was. O die ellendeling.... Gauw wat gesneden, eene hap, de rest
zoo mee.... Hè, die kilte van 's och'ends in donker! En et mensch
lag lekker te slapen. Je hoorde d'er snorken, op de trap. Net 'en
varke.... Och die hoofdpijn! Als ze maar eens warm kon worde....
't Kamertje stonk van kille bedomptheid. Geertje's eerste beweging
was naar het venster om het gordijn weg te trekken. Maar ze bedacht
zich--die grijzelige schemer! Net als gist'ren weer de kaars aan,
bij 't nachtlichtje kon ze niet zien met wasschen. Als et mensch wat
dorst zeggen!....
Truusje's oogen lachten haar tegen, stralend in de schijn der kaars.
--Ben je wakker?
't Kind zei niets, sloeg de armpjes uit, met een hunkerend opbuigen
van het lijfje. Dat doet ze niet, als d'er moeder komt, dacht Geertje,
't Stemde haar meer oproerig dan blij:--wat? zij hier weg? wie wàs
hier de moeder, wie Jan zijn vrouw, op wie dreef het huishouden? Toch
niet op dat mensch dat daar ronkte, met open deur, ongesjeneerd als
een varken, terwijl het heele gezin op de been was? Omdat ze gisteren
naar de kemedie geweest was! Mooie manieren, de Juffrouw gaat uit,
jawel, de Juffrouw mot naar de kemedie, mit Meneer, twee avonde-n-uit,
eerst op pertij, en dan naar de kemedie. En de volgende morge sláápt
ze-n-uit! En dan Geertje maar alles doen....
--Toe jonge, haas' je wat! Máák dan toch voort!
Zij zag dat Truusje verwonderd haar aankeek. Ja, ze was boos, kon
d'er niks an doen.... Hè, die kille, klamme kou, waardoor ze telkens
van die inwendige rillingen had!.... Als de kinderen maar niet zoo
treuzelden!....
--Wie an maakt, krijgt 'en pepermuntje!....
't Zakje lag in haar nachttafellaadje, tusschen veters en lint en een
dot watten. Om het daar tusschen uit te nemen, moest ze haar bijbeltje
verschuiven. In hoe lang had ze er niet in gelezen?.... Ze hield even
haar hand er op, doch liet het liggen, wat zou ze nú?
--Toe, Geer, wat is-t-er?
Truus had gezien: Geertjes oogen lagen vol tranen!
--Niks, kind, 'k voel me-n-'en beetje raar.
't Mocht niet. Ze moest zich beheerschen, ze móest het. Nu niet
nadenken.... "Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde,
men zou hem ten eenen male verachten".... Hoe kwam d'er dat nou in
de gedachte! Uit het Hooglied!.... Die bruidsnacht thuis.... Go', 'en
traan in Koos z'en nek!.... Gelukkig, de jongen merkte 't niet. Liet
ze toch ophou'en, nou, met huilen.... 't Gaf toch niks.... Het wàs
zoo erg niet. Jan was bang. Had-ie geen gelijk? Zij metter malle
gedachten van 't mensch. Mos' je d'er net zóó een hebben. Gunde-n-'en
ander nog niet dàt. Nee, ze moesten blijven huichelen. Was ze zwanger,
dan moest ze weg.
Borstelend het haar van Truusje, voelde ze zich als vervloeien in
weemoed. Zij hier weg! Niet meer hier in dit kamertje. Zoo aak'lig
als 't was, zoo laag en zoo somber, toch had zij het lief. Zij niet
meer slapen bij Truus. Niet meer redderen in huis, niet meer alles,
alles doen, hier. Niet meer, in niets meer, zorgen voor hem....
Met heftig gebaar schoof zij open 't gordijn. Koos schrikte, zoo
heftig deed ze 't.
--Ja, 't is dag.
't Wàs, mistgrauwe, dag. Wasem deinde over de daken, langs de gore pap
van sneeuw, die slijmig klefferde tegen de pannen; mistvlagen waarden,
sloegen wentelend neer; overal leekte en droop kil de vocht, onder die
hemel van aschgrijze zakken, eind'looze zakken die dreigden te barsten.
Met hekel aan alles keek Geertje naar buiten. Hè! wat 'en weer, wat
'en stad, wat 'en leven. Waarom was ze hier heen gekomen? Anders
schonk ze nu thee voor Groo'va, luisterde zij daar hij las uit de
Bijbel, in een lekker-warme kamer, och!.... ze kon....
Zij liep snel uit de kamer.
Even naar de zolder maar. Even alleen zijn. Uithuilen. Och! wat was ze
rampzalig! Hòe ver was het met 'er gekomme!.... Hè?--En Jan?--M'en Got,
wat had ze! Ongelukkig? Zìj, bij hem?.... Alleen moest ze oppassen. Jan
had gelijk. Ja, zij was niet voorzichtig. Als iemand het merkte,
was het uit. Jan, toch zoo slim! Nog nooit gebeurd, in al de tijd
die Geertje hier was, dat hij twee avonden achtereen was uitgegaan
met zijn vrouw. Natuurlijk gedaan om het mensch te vangen, vóór dat
ze iets vermoedde. O, zoo'n slimmert!--Zij óók slim zijn. Noodig. En
hij vond het prettig. Hij had zoo'n eerbied voor klevvere menschen,
altijd sprak-ie van klevver, klevver.... 't mòest zoo iets wezen als
drommels leep.... Geertje zou ook klevver wezen. Dat Bijbelwoord,
waar zij straks aan gedacht had--misschien had Gòd het 'er in de
gedachte gegeven. Want zij mòest vol zijn van liefde. Zooals ze
in haar Bruidsnacht beloofd had. 't Was anders geloopen: dàt was
gebeurd.... Maar nu moest zij niet méér begeeren. Een kindje zou zij
nimmer hebben....
Toen zij terug kwam bij de kinderen, zaten die, tegen haar bed aan,
te wachten. Blijkbaar had zij hen verschrikt. Anders waren zij wel
gaan spelen. Zij stotterde een jokkentje van nat goed, dat boven hing
te drogen, waar zij vergeten had naar te kijken.
Het was Zaterdag. Geertje hielp bij de winkel-schoonmaak.
Ze had een gevoel, of ze nu zou sterven. Soms wist ze heelemaal niet
wat ze deed. Dan ontwaakte ze plòts, en dan werd ze zóó angstig. Het
beste was, als ze gedachteloos voortging. Met Reinders, de nieuwe
winkeljongen, deed ze de kasten. Bos sorteerde prentenboeken, en
kreeg telkens ruzie met de moeder van Sefie, die dweilen wou, waar
hij moest wezen. Meneer was achter in 't pakhuis bezig.
Plotseling sjorde de katroldeur en Meneer riep:
--Geertje, kom es!
Zij schrikte. God, wat was er nu weer! Straks had hij Sefie
uitgescholden: hij was in zoo'n slechte luim door de herrie met
die smous, die 't weekblad nu weer niet anders wou drukken, dan met
aandeel in de winst.... Geertje sleepte zich naar achter.
Maar hij keek weer vriendelijk.
--Help es effe....
Een kist met mooi briefpapier. Meermalen had zij meegesorteerd. Toch
was ze verheugd, dat hij haar had geroepen. Dikwijls deed hij het
met Reinders. Zij was ook eer bij de schoonmaak noodig. Zij hoopte,
dat hij iets had te vragen.
Hij zei alleen:
--Je ziet nog bleek, zeg.
--Ja, ik voel m' ook niet lekker.
Verder werkten zij zwijgend voort. Een paar maal raakten hunne handen
elkander, bij 't overgeven van het papier. Hij lett'er niet op. Ging
rustig door.
Toen dorst zij fluisterend vragen, of hij soms al eens rondgehoord had.
--Rondgehoord? Waarvoor?
Ze had een vermoeden, dat hij begreep, doch er plezier in vond,
dat zij het zeide.
--Nou je weet wel, voor dat middel.
--O!....
Weer reikte hij haar een vel over. En, zich bukkende over de kist:
--As et m'ar niet te laat is.
Geertje kreeg opeens een gevoel, of ze een mond had met holte er in,
met niets dan tanden en scherpe kaken; of 'er oogen loszaten in de
kassen; of er iets uit haar hoofd was genomen.
Moeizaam stootte ze:--Hoe zoo? uit.
--Nou ja.... Je begrijpt me wel.
--We kunne-n-et toch licht perbeere.
--Zeker.... Wacht, ik weet 'en adres.
Uit zijn portefeuille nam hij het uitknipsel van een advertentie.
--Ga daar ven avent es heen.
--Ik?
--Zeg an me vrouw dat je-n-erge's heen mot.
--Laa'st zei je, da' jij ie's mee zou brenge.
--Och nee, da' geeft allemaal niks. Jij mot et doen. En die juffrouw
die help' je.... Gaan we morregenavent nog uit?
Nog nooit had hij dat gevraagd op die toon.
Geertje zag hem even aan. Ze voelde zich slap, of ze zou
bezwijken. Misselijk ook. Ze was zeker zwanger. Even dacht ze: kon
ik maar doodgaan.
Toen keek ze hem weer aan, en zei:
--As je wil.
Blij was ze, dat nu juist Sefie kwam, brengend koffie voor hen
beiden. Kéék de slet weer vreemd en spottend? 't Kon 'er niet schelen
wat die mocht denken. Als ze nu maar morgen uit kon! Bijna veertien
dagen al was Jan niet mèt haar geweest. Zou hij.... zòu hij genoeg
van 'er hebben? 't Móest morg'avond, ze mòcht niet ziek zijn. Zóó
als hij dat nu gezegd had, of het hem heelemaal niets meer kon
schelen.... Och, wel nee, ze was mal met 'er angsten! Jan, nou ja,
hij braniede graag! En als dat hem nou plezier dee', dat het leek,
als gingen ze enkel om háár.... Waarom had hij haar nu hier geroepen,
als het niet was, om haar zoo iets te vragen! Malligheid, bang zijn.
De koffie werkte. Ze was niet zoo koud meer, maar plots kreeg ze
buikpijn.
Ze zei nog:
--Dus mor'ge?.... Dan ga-n-ik venavent.
En toen knikte hij.... ja, heusch! tevreden.
Het was laat, toen ze 's avonds gaan kon. Zaterdagavond, het viel
zóó lastig! 't Mensch had als een spin gekeken.
Zij had maar weer wat barnsteen genomen. Dat was verwarmend en
kalmeerde. Groo'moe nam het ook zoo dikwijls. 's Middags was ze het
gauw wezen halen. Toen, op een lepeltje suiker; en nou.
Jan had haar gezegd, hoe ze gaan moest. Met de tram tot haast buiten
de stad. Dan 'en singel en daar de eerste dwarsstraat. Ze vond de
straat, maar het huis niet gemak'lijk. Je kon de nummers d'er bijna
niet lezen! Op het singel had ze voorzichtig geloopen, om geen natte
voeten te krijgen. Hier baggerde ze telkens door slik. Juist toen
ze méénde de cijfers te zien, trapte ze zoo hard in een plas, dat ze
het water hoorde opspatten om d'er laars. Ze stampte een paar keer op
het smalle randje hooger gelegde tichels vóór de deur; toen schelde ze.
Een vrouw, die zei dat ze wel wat laat kwam en dat er nog andere
menschen wachtten, liet haar in een klein vertrek, door een hanglamp
flauw verlicht, waar drie juffrouwen zwijgend zaten, elk in het midden
van een wand op een stoel.
Geertje ging aan tafel zitten, zij voelde zich van drie kanten
bekeken. Zij was zeer verlegen. Een van de juffrouwen was verkouden
en scheen geen zakdoek bij zich te hebben. Haar doen maakte Geertje
zóó zenuwachtig, dat zij eindelijk op dorst kijken en de juffrouw in
't gezicht zag. Goeje hemel, wat 'en schepsel, wat 'en innig gemeen
gezicht!.... Nu keek Geertje ter sluiks ook eens naar de andere
twee.... En opeens werd ze hevig beangst. Waar was ze hier, met wat
voor deerns! Jan had haar vroeger gezegd: geen kinderen krijgen,
heel gemak'lijk, daar zijn allerlei middelen voor, mannemiddelen,
vrouwemiddelen, iedere dokter kan je helpen, d'er zijn ook juffrouwen
die het kunnen, die je leeren de middelen gebruiken.... en hij had
een woord gezegd, een vreemd woord, Geertje wist niet meer.... Wàs
ze nu bij zulk een juffrouw?--Ze hebben d'er voor gestedeerd, zei Jan
nog.... Kwamen zulke sletten daar?.... Zou het dan iets heel gemeens
zijn?.... En Jan had zóó anders verteld! De meeste getrouwde dames,
zei-d-ie, pasten tegewoordig die middelen toe....
Geertje hàd opgezien tegen het bezoek. Ze had zoo gehoopt, dat
Jàn iets zou hebben.... Toen ze hier kwam, was ze verlegen. Maar
nu.... Als Jan zich eens vergist had!.... Aldoor dacht z'aan dat
verhaaltje, dat Juffrouw Koenders d'er eens had gegeven, blaadje van
de middernachtzending, over De Gevaren van een groote stad; daar werd
verteld van stille huisjes, niemand wist wat d'erin voorviel, en het
waren heel gemeene.... God! als 't hier een gemeen huis was! Dìe drie,
nee, die deugden niet veel, en die vrouw die d'er opegedaan had....
Zóu ze opstaan? heel gauw weggaan? En als ze dan werd
tegengehouden?.... Ze kònden zeggen: je bent hier eenmaal, je moet
betálen, en dan, en dan....
Trappelend van ongeduld, gaf zij er zich rekenschap van, dat beide
haar voeten in de laarzen kleefden, zóó nat waren ze. Meteen voelde
ze kramp in de buik. Gotogot! En hier!.... Hoe doen nu? Straks had
ze neergekeken op dat mensch, dat daar zoo zat te snotteren omdat ze
geen zakdoek bij zich had.... Maar diëree was nog veel erger!....
De deur werd geopend en met een hoofdbeweging wenkte de vrouw de meid
zonder zakdoek om mee te gaan. Geertje zàg in het donkere gangetje, zàg
dat ze vlàk bij het voordeurtje zat.... Opspringen?.... Reeds was de
kamerdeur toe. En ze zag één van de twee naar haar kijken. Zeker omdat
ze niet rustig neer zat. Maar het duurde ook zóó lang! Daar sloeg 'en
klok.... Groote God, hàlf èlf. En de laatste tram moest ze hebben!....
--Half tien, zei, schor, een van de vrouwen.
Gut, daar had ze zonder erg gespróken.... Mal gedaan. Zou ze méér
hebben gezeid? Nee, nee, alleen: "half elf." Maar.... half tien was
óók al laat toch.
Even geaarzeld.... Toen wàs zij op. Mompelde iets van:--"Ik kan
niet meer wachten." Gàuw naar de kamerdeur, gàuw nu er uit.... Aan
de voordeur stond de vrouw!--Met een andere vrouw te praten. Even
deinsde Geertje, ontzet. Toen wóu ze. Kalm klonk:--Ik kàn niet
wachte.... Ze zàg de vrouw aan, die norsch keek, minachtend; zweeg;
voor d'er uitweek.... Ze was op straat.
Eerst op het singel kon ze denken.
Och maar--dan was het ook niet wat ze vreesde! Zelfs geen wóórd om
haar tegen te houden!.... Och maar natuurlijk, Jan wist dat ook
wel.... Hè! weer was ze laf geweest, aak'lig laf, net 'en klein
kind....
Ze voelde zich rustig, toen z'in de tram zat. Maar ze was bang om
het Jan te vertellen....
's Nachts droomde ze vreeselijk. Een man die haar vasthield, en
vrouwen die lachten....
Terwijl ze de stof-afnam in de mooie kamer, kwam Jan het sigarenkistje
vullen.
--Wel? vroeg hij zacht.
En zij dorst het niet zeggen. Ze was zóó bang, dat hij niet zou
mee gaan....
--Venavent, zei ze, met een blik naar de deur, als vreesde zij,
dat iemand haar zou hooren.
--Hier is 'en brief.
Jan haalde hem uit zijn zak.
--Niet van Groo'va toch? zei hij en lachte.
Nu zag ze pas: uit Amerika.
En dat Jan dat nu weer zien moest!
--'k Zal 'em niet leze, zei ze.
Maar toen ze de brief doorscheuren wilde, bleek hij te dik.
--D'er zit 'en purtret in.
Groote God, zoo'n ellendige Willem!
--Toe, verbran' jij um.
--Ik dank je wel.
En zij hoorden Sefie in de gang.
Toen zij alleen was in de huiskamer, nam zij de brief snel uit de
zak en bond er met wol een stuk steenkool om. Toen tripte ze het plat
over; het was er glad, door dat vriezen na regen; ijlings tripte zij
tot de rand, keek even om.... niemand? weg dan de brief.
Maar ze schrikte van de plomp.
God! als ze zelve zoo eens neerviel!
De oude Juffrouw, de feeks, hersteld, kwam "met het zonnetje"
middageten. Geertje trachtte vroolijk te wezen: kleine Truus toch
had zóó'n pret!
Anders kon 'et haar niet veel meer schelen. 't Liep nu tòch mis,
't liep vast mis.... Sefie had haar straks weer zoo aangekeken. Ze
wist het ook wel, ze zag er vreemd uit. Ze zou'en het nu wel niet meer
gelóóven, dat ze "laa'st wat kou gevat had." Toch wàs dit zoo. Ja,
ze wàs ziek. Maar ze moest, ze móest op de been zijn....
Zij had haar lange uitgaansavond en om vijf uur trok ze de deur
dicht. Het was lastig, gevaarlijk loopen: die zóó natte straten,
nu plots'ling bevroren; maar de lucht deed Geertje goed.
Tante was 's Woensdags jarig geweest; zij had toen enkel een briefkaart
gestuurd, doch beloofd dat ze 's Zondags zou komen. Nu moest ze zeggen,
dat ze gauw weg ging. Jan zou haar om acht uur wachten....
Zij viel in ruzie van Oom en Tante. Van festijnen was geen sprake. Op
de schoorsteen lei'en twee Aanmaningen van de belasting. Zij kwam
maar dadelijk met haar present. Dat ze niks had weten te kiezen:
of Tante zelf hier iets voor wou koopen. En ze reikte het muntje
over. 't Was Jan zijn eerste gróóte kedo. Hij had haar zoo làng
"ie's van goud" beloofd. Maar zou zij dat kunnen dragen? Nu ze in de
zware rouw was? En dan toch.... 't zou argwaan geven.... Ook wist Jan
niet wat te kiezen.... Toen, opeens, had hij:--Hier! gezegd, en haar
't muntbiljet gegeven. 't Was lief van hem, erg goed van hem; toch,
och nee.... wat moest zij met dat geld doen? Ze had nog zooveel geld
van d'er loon. Daarom gaf ze dit nu aan Tante.
De gift brak de ruzie en maakte verlegen. Ze zag het wel: geld was
hier welkom. Kalm zei ze, dat ze niet lang kon blijven. Tante noch
Oom scheen het vreemd te vinden.
--Maar je drink' toch wel 'en kop koffie?
Ja, ze had tot half acht tijd. Zou zij even water opzetten?
In de keuken--wat een rommel! 't Stonk er. Hu, wat 'en vieze boel! Daar
lag wat vuile wasch in 'en hoek. IJlings stal Geertje een banddoek
van Tante. Wrong die, koortsig-snel, haar zak in. Als Tante het
merkte.... haar een zorg! Zou toch zeker niet denken: gestolen. En
zij was gered, voor háár wasch.
Half-acht precies zei ze:--Nou moet ik gaan. Veel te vroeg was ze waar
Jan haar zou wachten. Eindelijk kwam hij. Ze dròng zich aan hem. Hij
wilde weer naar dat aak'lige huis toe. 't Kon haar niet schelen,
nu. Als ze maar met hem was. Maar ze wou wel graag wat drinken. Vond
hij het goed? Ze had lust in een grokje.
--La' we dan hìer effe gaan. Dáár mo'k driemaal meer betale.
Hij nam een cognacje.
--Toe, neem d'er nog een.
--Meid, wat hei je?
--Toe, neem d'er nog een! 'k Wou da' we-n-allebei vroolek ware.
En haar oogen lonkten.... Hij deed het.
Toen wist ze vast, dat hij nu van haar was. Dàt ze hem geluk zou
geven. Ze sprak heel weinig. Ze zag hem aan. Plotseling rukte hij
van zijn stoel op.
Naast hem trippelend, lenig, vlug, voelde zij zich kind, zóó blijde,
want hij wàs toch nog van haar.