III.

--Och jonge, wat heb ie nou?

Radeloos keek Geertje hem aan. Omdat er zoo vroeg nog geen versch brood

was! Zou ze dan Sefie uitsturen? Maar dat wou-d-ie ook al niet. Jezes,

mit die baggerboel buiten: alles was wat in de late. En dat hij

niet goed had geslapen! Zij had net zoo min lekker geslapen. Heusch,

ze voelde zich ziek als 'en hond.

--Zeur niet! Was dan in bed gebleve.

--Ik?.... En wie had voor alles gezorgd? Zeker je vrouw! Die is altoos

zoo vroeg! Vooral nou, na twee avonden uit!

--O jee, bei je jeloers?

--Hè, wa's dat toch onplezierig, as jij 's morge's slecht geluimd

ben. 't Kon net zoo gezellig weze. 'En kort oogeblikkie same. Da'lek

mot ik na de kinders.... Zeg, wat heb ie tége me? Je ben de laaste

dage zoo raar. Is dat nou om die ruzie mit Oom?

--Wat ken mijn jou oom verdomme. As-t-ie nog us komt opspele op me

ketoor, laat ik um de winkel uittrappe.

Hoonend was Jan uitgevallen. Toen, beangst door Geertje's tranen,

opeens gemoedelijk van toon:

--Zeg, hou j'in, denk om Sefie.

Geertje zuchtte. Ze voelde: 't was mis. Jan was plotseling

veranderd. Nadat Oom Maandag was komen razen. Toen was 't dadelijk

begonnen. Net of zij daar wat aan doen kon, of Oom d'er ook maar

zóóveel kon schelen!

En ze voelde zich toch al ellendig. Zondag had ze kou gevat, met

dat lange verschoonen, boven. Hè, die sneeuw, nu 't was gaan dooien,

al de smeerboel in deuren en ramen, boven was het huis zoo oud, 't

was of de vocht door de muren heensijpelde, en dan hier de tochtige

platdeur.... net of je zelf in het nat hadt geloopen. Koud! of ze geen

bloed in d'er lijf had en aldoor die schele hoofdpijn en van nacht zoo

misselek.... Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar

de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got,

stond-ie nou al op!....

--Wee je eerst nog niet un kòpje?.... Toe.... blijf nog effetjes....

En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer

zou gaan zitten.

--Wou je zoo graag dat ze-n-et wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!

Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.

Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de

leuning; zoo blééf z'overeind, schoon de grond om haar zonk.

Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond

open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.

God, wat was dit!.... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd

dat hij plots haar begaf. 't Kon toch niet in werk'lijkheid!?....

Nee. Och, nee, nee, ze was gek. Van overspanning en akeligheid. Laatst

had hij haar 's morgens ook ruw behandeld, toen ze haar armen om zijn

hals sloeg:--Pàs toch op! Denk an Sefie.--'s Morgens was hij altoos

bang. 's Avonds niet. Nou ja, 's avonds alleen maar, als ze.... en dan

was Sefie naar bed. Trouwens, hij vroeg het de laatste tijd zelden. Hij

werd veel voorzichtiger. En de schrik zat er in van Dinsdag.

Dàt was et! Dáár zei-d-ie et om! Got, zoo'n eend as ze weer geweest

was! Dáárom was-ie boos op haar. Dat van Oom, dat wist-ie wel, daar had

ze toch heusch geen schuld an. Dat hij tóen boos had gekeken.... Och,

hij keek zoo dikwijls boos. Geen wonder ook, als je zooveel an je

hoofd heb'. Nee maar Dinsdag, zij met 'er vrage:--"As de Juffrouw

et es merkte, denk je dat ze boos zou weze?" en met er prate van

'en kind.... Jan had eerst d'er angekeke, of-t-ie bang wier' dat ze

gek was. En nou mokte-n-ie d'ar nog om.

Go', d'ar sloeg 't al hallef acht. Gauw naar bove naar de kinders....

Halfweg de trap bleef ze staan. 't Was of ze dadelijk zou' spugen. Dom,

dat ze vergeten had wat te eten! 't Werd wel laat, maar 't moest

toch even....

Sofie kwam uit de keuken geloopen: of zij wel wist, dat het half

acht was. O die ellendeling.... Gauw wat gesneden, eene hap, de rest

zoo mee.... Hè, die kilte van 's och'ends in donker! En et mensch

lag lekker te slapen. Je hoorde d'er snorken, op de trap. Net 'en

varke.... Och die hoofdpijn! Als ze maar eens warm kon worde....

't Kamertje stonk van kille bedomptheid. Geertje's eerste beweging

was naar het venster om het gordijn weg te trekken. Maar ze bedacht

zich--die grijzelige schemer! Net als gist'ren weer de kaars aan,

bij 't nachtlichtje kon ze niet zien met wasschen. Als et mensch wat

dorst zeggen!....

Truusje's oogen lachten haar tegen, stralend in de schijn der kaars.

--Ben je wakker?

't Kind zei niets, sloeg de armpjes uit, met een hunkerend opbuigen

van het lijfje. Dat doet ze niet, als d'er moeder komt, dacht Geertje,

't Stemde haar meer oproerig dan blij:--wat? zij hier weg? wie wàs

hier de moeder, wie Jan zijn vrouw, op wie dreef het huishouden? Toch

niet op dat mensch dat daar ronkte, met open deur, ongesjeneerd als

een varken, terwijl het heele gezin op de been was? Omdat ze gisteren

naar de kemedie geweest was! Mooie manieren, de Juffrouw gaat uit,

jawel, de Juffrouw mot naar de kemedie, mit Meneer, twee avonde-n-uit,

eerst op pertij, en dan naar de kemedie. En de volgende morge sláápt

ze-n-uit! En dan Geertje maar alles doen....

--Toe jonge, haas' je wat! Máák dan toch voort!

Zij zag dat Truusje verwonderd haar aankeek. Ja, ze was boos, kon

d'er niks an doen.... Hè, die kille, klamme kou, waardoor ze telkens

van die inwendige rillingen had!.... Als de kinderen maar niet zoo

treuzelden!....

--Wie an maakt, krijgt 'en pepermuntje!....

't Zakje lag in haar nachttafellaadje, tusschen veters en lint en een

dot watten. Om het daar tusschen uit te nemen, moest ze haar bijbeltje

verschuiven. In hoe lang had ze er niet in gelezen?.... Ze hield even

haar hand er op, doch liet het liggen, wat zou ze nú?

--Toe, Geer, wat is-t-er?

Truus had gezien: Geertjes oogen lagen vol tranen!

--Niks, kind, 'k voel me-n-'en beetje raar.

't Mocht niet. Ze moest zich beheerschen, ze móest het. Nu niet

nadenken.... "Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde,

men zou hem ten eenen male verachten".... Hoe kwam d'er dat nou in

de gedachte! Uit het Hooglied!.... Die bruidsnacht thuis.... Go', 'en

traan in Koos z'en nek!.... Gelukkig, de jongen merkte 't niet. Liet

ze toch ophou'en, nou, met huilen.... 't Gaf toch niks.... Het wàs

zoo erg niet. Jan was bang. Had-ie geen gelijk? Zij metter malle

gedachten van 't mensch. Mos' je d'er net zóó een hebben. Gunde-n-'en

ander nog niet dàt. Nee, ze moesten blijven huichelen. Was ze zwanger,

dan moest ze weg.

Borstelend het haar van Truusje, voelde ze zich als vervloeien in

weemoed. Zij hier weg! Niet meer hier in dit kamertje. Zoo aak'lig

als 't was, zoo laag en zoo somber, toch had zij het lief. Zij niet

meer slapen bij Truus. Niet meer redderen in huis, niet meer alles,

alles doen, hier. Niet meer, in niets meer, zorgen voor hem....

Met heftig gebaar schoof zij open 't gordijn. Koos schrikte, zoo

heftig deed ze 't.

--Ja, 't is dag.

't Wàs, mistgrauwe, dag. Wasem deinde over de daken, langs de gore pap

van sneeuw, die slijmig klefferde tegen de pannen; mistvlagen waarden,

sloegen wentelend neer; overal leekte en droop kil de vocht, onder die

hemel van aschgrijze zakken, eind'looze zakken die dreigden te barsten.

Met hekel aan alles keek Geertje naar buiten. Hè! wat 'en weer, wat

'en stad, wat 'en leven. Waarom was ze hier heen gekomen? Anders

schonk ze nu thee voor Groo'va, luisterde zij daar hij las uit de

Bijbel, in een lekker-warme kamer, och!.... ze kon....

Zij liep snel uit de kamer.

Even naar de zolder maar. Even alleen zijn. Uithuilen. Och! wat was ze

rampzalig! Hòe ver was het met 'er gekomme!.... Hè?--En Jan?--M'en Got,

wat had ze! Ongelukkig? Zìj, bij hem?.... Alleen moest ze oppassen. Jan

had gelijk. Ja, zij was niet voorzichtig. Als iemand het merkte,

was het uit. Jan, toch zoo slim! Nog nooit gebeurd, in al de tijd

die Geertje hier was, dat hij twee avonden achtereen was uitgegaan

met zijn vrouw. Natuurlijk gedaan om het mensch te vangen, vóór dat

ze iets vermoedde. O, zoo'n slimmert!--Zij óók slim zijn. Noodig. En

hij vond het prettig. Hij had zoo'n eerbied voor klevvere menschen,

altijd sprak-ie van klevver, klevver.... 't mòest zoo iets wezen als

drommels leep.... Geertje zou ook klevver wezen. Dat Bijbelwoord,

waar zij straks aan gedacht had--misschien had Gòd het 'er in de

gedachte gegeven. Want zij mòest vol zijn van liefde. Zooals ze

in haar Bruidsnacht beloofd had. 't Was anders geloopen: dàt was

gebeurd.... Maar nu moest zij niet méér begeeren. Een kindje zou zij

nimmer hebben....

Toen zij terug kwam bij de kinderen, zaten die, tegen haar bed aan,

te wachten. Blijkbaar had zij hen verschrikt. Anders waren zij wel

gaan spelen. Zij stotterde een jokkentje van nat goed, dat boven hing

te drogen, waar zij vergeten had naar te kijken.

Het was Zaterdag. Geertje hielp bij de winkel-schoonmaak.

Ze had een gevoel, of ze nu zou sterven. Soms wist ze heelemaal niet

wat ze deed. Dan ontwaakte ze plòts, en dan werd ze zóó angstig. Het

beste was, als ze gedachteloos voortging. Met Reinders, de nieuwe

winkeljongen, deed ze de kasten. Bos sorteerde prentenboeken, en

kreeg telkens ruzie met de moeder van Sefie, die dweilen wou, waar

hij moest wezen. Meneer was achter in 't pakhuis bezig.

Plotseling sjorde de katroldeur en Meneer riep:

--Geertje, kom es!

Zij schrikte. God, wat was er nu weer! Straks had hij Sefie

uitgescholden: hij was in zoo'n slechte luim door de herrie met

die smous, die 't weekblad nu weer niet anders wou drukken, dan met

aandeel in de winst.... Geertje sleepte zich naar achter.

Maar hij keek weer vriendelijk.

--Help es effe....

Een kist met mooi briefpapier. Meermalen had zij meegesorteerd. Toch

was ze verheugd, dat hij haar had geroepen. Dikwijls deed hij het

met Reinders. Zij was ook eer bij de schoonmaak noodig. Zij hoopte,

dat hij iets had te vragen.

Hij zei alleen:

--Je ziet nog bleek, zeg.

--Ja, ik voel m' ook niet lekker.

Verder werkten zij zwijgend voort. Een paar maal raakten hunne handen

elkander, bij 't overgeven van het papier. Hij lett'er niet op. Ging

rustig door.

Toen dorst zij fluisterend vragen, of hij soms al eens rondgehoord had.

--Rondgehoord? Waarvoor?

Ze had een vermoeden, dat hij begreep, doch er plezier in vond,

dat zij het zeide.

--Nou je weet wel, voor dat middel.

--O!....

Weer reikte hij haar een vel over. En, zich bukkende over de kist:

--As et m'ar niet te laat is.

Geertje kreeg opeens een gevoel, of ze een mond had met holte er in,

met niets dan tanden en scherpe kaken; of 'er oogen loszaten in de

kassen; of er iets uit haar hoofd was genomen.

Moeizaam stootte ze:--Hoe zoo? uit.

--Nou ja.... Je begrijpt me wel.

--We kunne-n-et toch licht perbeere.

--Zeker.... Wacht, ik weet 'en adres.

Uit zijn portefeuille nam hij het uitknipsel van een advertentie.

--Ga daar ven avent es heen.

--Ik?

--Zeg an me vrouw dat je-n-erge's heen mot.

--Laa'st zei je, da' jij ie's mee zou brenge.

--Och nee, da' geeft allemaal niks. Jij mot et doen. En die juffrouw

die help' je.... Gaan we morregenavent nog uit?

Nog nooit had hij dat gevraagd op die toon.

Geertje zag hem even aan. Ze voelde zich slap, of ze zou

bezwijken. Misselijk ook. Ze was zeker zwanger. Even dacht ze: kon

ik maar doodgaan.

Toen keek ze hem weer aan, en zei:

--As je wil.

Blij was ze, dat nu juist Sefie kwam, brengend koffie voor hen

beiden. Kéék de slet weer vreemd en spottend? 't Kon 'er niet schelen

wat die mocht denken. Als ze nu maar morgen uit kon! Bijna veertien

dagen al was Jan niet mèt haar geweest. Zou hij.... zòu hij genoeg

van 'er hebben? 't Móest morg'avond, ze mòcht niet ziek zijn. Zóó

als hij dat nu gezegd had, of het hem heelemaal niets meer kon

schelen.... Och, wel nee, ze was mal met 'er angsten! Jan, nou ja,

hij braniede graag! En als dat hem nou plezier dee', dat het leek,

als gingen ze enkel om háár.... Waarom had hij haar nu hier geroepen,

als het niet was, om haar zoo iets te vragen! Malligheid, bang zijn.

De koffie werkte. Ze was niet zoo koud meer, maar plots kreeg ze

buikpijn.

Ze zei nog:

--Dus mor'ge?.... Dan ga-n-ik venavent.

En toen knikte hij.... ja, heusch! tevreden.

Het was laat, toen ze 's avonds gaan kon. Zaterdagavond, het viel

zóó lastig! 't Mensch had als een spin gekeken.

Zij had maar weer wat barnsteen genomen. Dat was verwarmend en

kalmeerde. Groo'moe nam het ook zoo dikwijls. 's Middags was ze het

gauw wezen halen. Toen, op een lepeltje suiker; en nou.

Jan had haar gezegd, hoe ze gaan moest. Met de tram tot haast buiten

de stad. Dan 'en singel en daar de eerste dwarsstraat. Ze vond de

straat, maar het huis niet gemak'lijk. Je kon de nummers d'er bijna

niet lezen! Op het singel had ze voorzichtig geloopen, om geen natte

voeten te krijgen. Hier baggerde ze telkens door slik. Juist toen

ze méénde de cijfers te zien, trapte ze zoo hard in een plas, dat ze

het water hoorde opspatten om d'er laars. Ze stampte een paar keer op

het smalle randje hooger gelegde tichels vóór de deur; toen schelde ze.

Een vrouw, die zei dat ze wel wat laat kwam en dat er nog andere

menschen wachtten, liet haar in een klein vertrek, door een hanglamp

flauw verlicht, waar drie juffrouwen zwijgend zaten, elk in het midden

van een wand op een stoel.

Geertje ging aan tafel zitten, zij voelde zich van drie kanten

bekeken. Zij was zeer verlegen. Een van de juffrouwen was verkouden

en scheen geen zakdoek bij zich te hebben. Haar doen maakte Geertje

zóó zenuwachtig, dat zij eindelijk op dorst kijken en de juffrouw in

't gezicht zag. Goeje hemel, wat 'en schepsel, wat 'en innig gemeen

gezicht!.... Nu keek Geertje ter sluiks ook eens naar de andere

twee.... En opeens werd ze hevig beangst. Waar was ze hier, met wat

voor deerns! Jan had haar vroeger gezegd: geen kinderen krijgen,

heel gemak'lijk, daar zijn allerlei middelen voor, mannemiddelen,

vrouwemiddelen, iedere dokter kan je helpen, d'er zijn ook juffrouwen

die het kunnen, die je leeren de middelen gebruiken.... en hij had

een woord gezegd, een vreemd woord, Geertje wist niet meer.... Wàs

ze nu bij zulk een juffrouw?--Ze hebben d'er voor gestedeerd, zei Jan

nog.... Kwamen zulke sletten daar?.... Zou het dan iets heel gemeens

zijn?.... En Jan had zóó anders verteld! De meeste getrouwde dames,

zei-d-ie, pasten tegewoordig die middelen toe....

Geertje hàd opgezien tegen het bezoek. Ze had zoo gehoopt, dat

Jàn iets zou hebben.... Toen ze hier kwam, was ze verlegen. Maar

nu.... Als Jan zich eens vergist had!.... Aldoor dacht z'aan dat

verhaaltje, dat Juffrouw Koenders d'er eens had gegeven, blaadje van

de middernachtzending, over De Gevaren van een groote stad; daar werd

verteld van stille huisjes, niemand wist wat d'erin voorviel, en het

waren heel gemeene.... God! als 't hier een gemeen huis was! Dìe drie,

nee, die deugden niet veel, en die vrouw die d'er opegedaan had....

Zóu ze opstaan? heel gauw weggaan? En als ze dan werd

tegengehouden?.... Ze kònden zeggen: je bent hier eenmaal, je moet

betálen, en dan, en dan....

Trappelend van ongeduld, gaf zij er zich rekenschap van, dat beide

haar voeten in de laarzen kleefden, zóó nat waren ze. Meteen voelde

ze kramp in de buik. Gotogot! En hier!.... Hoe doen nu? Straks had

ze neergekeken op dat mensch, dat daar zoo zat te snotteren omdat ze

geen zakdoek bij zich had.... Maar diëree was nog veel erger!....

De deur werd geopend en met een hoofdbeweging wenkte de vrouw de meid

zonder zakdoek om mee te gaan. Geertje zàg in het donkere gangetje, zàg

dat ze vlàk bij het voordeurtje zat.... Opspringen?.... Reeds was de

kamerdeur toe. En ze zag één van de twee naar haar kijken. Zeker omdat

ze niet rustig neer zat. Maar het duurde ook zóó lang! Daar sloeg 'en

klok.... Groote God, hàlf èlf. En de laatste tram moest ze hebben!....

--Half tien, zei, schor, een van de vrouwen.

Gut, daar had ze zonder erg gespróken.... Mal gedaan. Zou ze méér

hebben gezeid? Nee, nee, alleen: "half elf." Maar.... half tien was

óók al laat toch.

Even geaarzeld.... Toen wàs zij op. Mompelde iets van:--"Ik kan

niet meer wachten." Gàuw naar de kamerdeur, gàuw nu er uit.... Aan

de voordeur stond de vrouw!--Met een andere vrouw te praten. Even

deinsde Geertje, ontzet. Toen wóu ze. Kalm klonk:--Ik kàn niet

wachte.... Ze zàg de vrouw aan, die norsch keek, minachtend; zweeg;

voor d'er uitweek.... Ze was op straat.

Eerst op het singel kon ze denken.

Och maar--dan was het ook niet wat ze vreesde! Zelfs geen wóórd om

haar tegen te houden!.... Och maar natuurlijk, Jan wist dat ook

wel.... Hè! weer was ze laf geweest, aak'lig laf, net 'en klein

kind....

Ze voelde zich rustig, toen z'in de tram zat. Maar ze was bang om

het Jan te vertellen....

's Nachts droomde ze vreeselijk. Een man die haar vasthield, en

vrouwen die lachten....

Terwijl ze de stof-afnam in de mooie kamer, kwam Jan het sigarenkistje

vullen.

--Wel? vroeg hij zacht.

En zij dorst het niet zeggen. Ze was zóó bang, dat hij niet zou

mee gaan....

--Venavent, zei ze, met een blik naar de deur, als vreesde zij,

dat iemand haar zou hooren.

--Hier is 'en brief.

Jan haalde hem uit zijn zak.

--Niet van Groo'va toch? zei hij en lachte.

Nu zag ze pas: uit Amerika.

En dat Jan dat nu weer zien moest!

--'k Zal 'em niet leze, zei ze.

Maar toen ze de brief doorscheuren wilde, bleek hij te dik.

--D'er zit 'en purtret in.

Groote God, zoo'n ellendige Willem!

--Toe, verbran' jij um.

--Ik dank je wel.

En zij hoorden Sefie in de gang.

Toen zij alleen was in de huiskamer, nam zij de brief snel uit de

zak en bond er met wol een stuk steenkool om. Toen tripte ze het plat

over; het was er glad, door dat vriezen na regen; ijlings tripte zij

tot de rand, keek even om.... niemand? weg dan de brief.

Maar ze schrikte van de plomp.

God! als ze zelve zoo eens neerviel!

De oude Juffrouw, de feeks, hersteld, kwam "met het zonnetje"

middageten. Geertje trachtte vroolijk te wezen: kleine Truus toch

had zóó'n pret!

Anders kon 'et haar niet veel meer schelen. 't Liep nu tòch mis,

't liep vast mis.... Sefie had haar straks weer zoo aangekeken. Ze

wist het ook wel, ze zag er vreemd uit. Ze zou'en het nu wel niet meer

gelóóven, dat ze "laa'st wat kou gevat had." Toch wàs dit zoo. Ja,

ze wàs ziek. Maar ze moest, ze móest op de been zijn....

Zij had haar lange uitgaansavond en om vijf uur trok ze de deur

dicht. Het was lastig, gevaarlijk loopen: die zóó natte straten,

nu plots'ling bevroren; maar de lucht deed Geertje goed.

Tante was 's Woensdags jarig geweest; zij had toen enkel een briefkaart

gestuurd, doch beloofd dat ze 's Zondags zou komen. Nu moest ze zeggen,

dat ze gauw weg ging. Jan zou haar om acht uur wachten....

Zij viel in ruzie van Oom en Tante. Van festijnen was geen sprake. Op

de schoorsteen lei'en twee Aanmaningen van de belasting. Zij kwam

maar dadelijk met haar present. Dat ze niks had weten te kiezen:

of Tante zelf hier iets voor wou koopen. En ze reikte het muntje

over. 't Was Jan zijn eerste gróóte kedo. Hij had haar zoo làng

"ie's van goud" beloofd. Maar zou zij dat kunnen dragen? Nu ze in de

zware rouw was? En dan toch.... 't zou argwaan geven.... Ook wist Jan

niet wat te kiezen.... Toen, opeens, had hij:--Hier! gezegd, en haar

't muntbiljet gegeven. 't Was lief van hem, erg goed van hem; toch,

och nee.... wat moest zij met dat geld doen? Ze had nog zooveel geld

van d'er loon. Daarom gaf ze dit nu aan Tante.

De gift brak de ruzie en maakte verlegen. Ze zag het wel: geld was

hier welkom. Kalm zei ze, dat ze niet lang kon blijven. Tante noch

Oom scheen het vreemd te vinden.

--Maar je drink' toch wel 'en kop koffie?

Ja, ze had tot half acht tijd. Zou zij even water opzetten?

In de keuken--wat een rommel! 't Stonk er. Hu, wat 'en vieze boel! Daar

lag wat vuile wasch in 'en hoek. IJlings stal Geertje een banddoek

van Tante. Wrong die, koortsig-snel, haar zak in. Als Tante het

merkte.... haar een zorg! Zou toch zeker niet denken: gestolen. En

zij was gered, voor háár wasch.

Half-acht precies zei ze:--Nou moet ik gaan. Veel te vroeg was ze waar

Jan haar zou wachten. Eindelijk kwam hij. Ze dròng zich aan hem. Hij

wilde weer naar dat aak'lige huis toe. 't Kon haar niet schelen,

nu. Als ze maar met hem was. Maar ze wou wel graag wat drinken. Vond

hij het goed? Ze had lust in een grokje.

--La' we dan hìer effe gaan. Dáár mo'k driemaal meer betale.

Hij nam een cognacje.

--Toe, neem d'er nog een.

--Meid, wat hei je?

--Toe, neem d'er nog een! 'k Wou da' we-n-allebei vroolek ware.

En haar oogen lonkten.... Hij deed het.

Toen wist ze vast, dat hij nu van haar was. Dàt ze hem geluk zou

geven. Ze sprak heel weinig. Ze zag hem aan. Plotseling rukte hij

van zijn stoel op.

Naast hem trippelend, lenig, vlug, voelde zij zich kind, zóó blijde,

want hij wàs toch nog van haar.

Geertje · 第 28 / 53 题