V.

Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.

--Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek

haar te hebben opgebeld uit haar liev'lingsbezigheid, het leggen van

de kaart.

Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed

wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel

het die haar beurt niet was.

Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was

immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze

wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.

Net om negen uur lag ze d'er in, een doek met water en eau-de-cologne

in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig

maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee

hoofdstukken uit Job en de 91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten

kende:--ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van

buiten kende.

's Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst

in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar

zijn zou. Ze was zoo bàng, dat hij nog weer eenige toespeling maken

zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu

ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen

óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in

Johannes en de Korinthe.

Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest op haar nachtpon

gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met

zijn tol.

Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar

en blij dee' zij stil haar werk.

Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was,

schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze 't kunnen droomen! Ook

nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen

koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen

had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met

reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.... "Van binnen uit

het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze

dingen komen voort van binnen en ontreinigen den mensch".... "De

Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen"....

Zoo bracht zij de koffie binnen.

Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God

dank! Hij heeft dat gis'tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man

zijn ijver.

--Is 't al zoo laat, schrikte hij.

Keek nu wel haar aan, wat vreemd.

Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.

--Geertje! hoorde ze zijn stem.

Wat zou er nog zijn?

O, de gulden! Hij toonde een gulden.

--Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.

Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht

haar hand, klemde die, als gisteren.

En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.

Plots'ling was zij een andere.

Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen,

van de vrede van de morgen.

't Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek,

èn ze voelt een gloed, een dringen.

Ja, ze hééft Hem aangekeken, kon niet anders, in die oogen.

In de keuken is z' alleen. God! Sefie kan da'lek komme. Moet wat

water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d'er polsen, op de hand,

nu.... O, Hij! Hij! Zoo als Hij nu keek, zacht lachend.... Màg

niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis

uit! Vluchte--van die lieve ooge.... Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze

moet is met 'em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.... Jee, Sefie....

--Draug ie je mit die doek af?

Och jee! da's toch uit vergissing.

Hè, dat monster van 'en meid.

Wat moet ze nou ook doen?

God, ze is d'er gedachten kwijt.

Eve.... Ja, ze mòet naar bove.

Eve alleen en met 'er Bijbel.

Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van

vele, ontstelt'nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van

haar kamertje greep z'altoos op 't zelfde plekje: achter in de la

van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in

zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood,

als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet;

't was immers voor 't heil, voor de rust van het huis, dat zij zich,

even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd

uitschreide, uitbad.

Want Hij liet nu niet meer af. Zij wist nu zeker dat Hij haar

liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het

plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen

en haar tot de rand gevoerd had, boven 't water: diep de stad, diep

in de vormen verdoez'lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten,

doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden,

beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht,

en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde

leggen. Sinds zij wist dat hij dàt wou, had zij meer nog hem gemeden,

en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij

had zoo droef gevraagd:--"Wil je nou zelfs geen vriendin zijn?" en

zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó

verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar

't hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes

van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van

haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, 't spoor

der and're weg te nemen.

Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit

meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap--zoodra

hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch

bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange

lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en

aan niets meer denken. Telkens stond z' opnieuw verschrikt voor dat

vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang

om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar

oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte

ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem

woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand,

aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst,

door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag,

duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee

glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar

oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij

ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een

knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide

haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek,

onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch,

als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.

Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over

haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend in de hand;

toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met 'en uiterste inspanning

zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het

Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; 't lag er

met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling

voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding,

nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte,

troost en raad, verlossing haast.

Toen kwam opeens de brief van Groo'va.

Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan

had gezien, toen hij onlangs over was, Groo'moe in de laatste tijd

weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje,

naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.

Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo'moe, Groo'va, 't dorp,

haar thuis. Daar es even, even rusten.

't Eerst sprak zij met Hem erover, als over iets, dat de Juffrouw goed

zou moeten vinden. Ze wilde 's Zaterdags morgens gaan en Dinsdags

terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar

plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.

--Vindt u et niet goed dat ik ga?

--Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.

Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.

En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.

Maar even later kwam hij weer:

--Ik vin et best hoor, da'je ga. Maar vraag et zelf maar aan de

Juffrouw.

De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo'va's

brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al 's morgens, 's Zaterdags

in de late middag, na 't verschoonen van de kinders.

Geertje · 第 18 / 53 题