Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.
--Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek
haar te hebben opgebeld uit haar liev'lingsbezigheid, het leggen van
de kaart.
Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed
wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel
het die haar beurt niet was.
Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was
immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze
wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.
Net om negen uur lag ze d'er in, een doek met water en eau-de-cologne
in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig
maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee
hoofdstukken uit Job en de 91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten
kende:--ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van
buiten kende.
's Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst
in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar
zijn zou. Ze was zoo bàng, dat hij nog weer eenige toespeling maken
zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu
ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen
óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in
Johannes en de Korinthe.
Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest op haar nachtpon
gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met
zijn tol.
Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar
en blij dee' zij stil haar werk.
Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was,
schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze 't kunnen droomen! Ook
nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen
koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen
had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met
reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.... "Van binnen uit
het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze
dingen komen voort van binnen en ontreinigen den mensch".... "De
Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen"....
Zoo bracht zij de koffie binnen.
Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God
dank! Hij heeft dat gis'tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man
zijn ijver.
--Is 't al zoo laat, schrikte hij.
Keek nu wel haar aan, wat vreemd.
Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.
--Geertje! hoorde ze zijn stem.
Wat zou er nog zijn?
O, de gulden! Hij toonde een gulden.
--Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.
Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht
haar hand, klemde die, als gisteren.
En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.
Plots'ling was zij een andere.
Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen,
van de vrede van de morgen.
't Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek,
èn ze voelt een gloed, een dringen.
Ja, ze hééft Hem aangekeken, kon niet anders, in die oogen.
In de keuken is z' alleen. God! Sefie kan da'lek komme. Moet wat
water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d'er polsen, op de hand,
nu.... O, Hij! Hij! Zoo als Hij nu keek, zacht lachend.... Màg
niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis
uit! Vluchte--van die lieve ooge.... Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze
moet is met 'em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.... Jee, Sefie....
--Draug ie je mit die doek af?
Och jee! da's toch uit vergissing.
Hè, dat monster van 'en meid.
Wat moet ze nou ook doen?
God, ze is d'er gedachten kwijt.
Eve.... Ja, ze mòet naar bove.
Eve alleen en met 'er Bijbel.
Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van
vele, ontstelt'nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van
haar kamertje greep z'altoos op 't zelfde plekje: achter in de la
van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in
zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood,
als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet;
't was immers voor 't heil, voor de rust van het huis, dat zij zich,
even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd
uitschreide, uitbad.
Want Hij liet nu niet meer af. Zij wist nu zeker dat Hij haar
liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het
plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen
en haar tot de rand gevoerd had, boven 't water: diep de stad, diep
in de vormen verdoez'lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten,
doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden,
beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht,
en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde
leggen. Sinds zij wist dat hij dàt wou, had zij meer nog hem gemeden,
en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij
had zoo droef gevraagd:--"Wil je nou zelfs geen vriendin zijn?" en
zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó
verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar
't hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes
van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van
haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, 't spoor
der and're weg te nemen.
Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit
meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap--zoodra
hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch
bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange
lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en
aan niets meer denken. Telkens stond z' opnieuw verschrikt voor dat
vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang
om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar
oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte
ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem
woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand,
aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst,
door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag,
duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee
glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar
oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij
ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een
knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide
haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek,
onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch,
als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.
Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over
haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend in de hand;
toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met 'en uiterste inspanning
zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het
Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; 't lag er
met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling
voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding,
nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte,
troost en raad, verlossing haast.
Toen kwam opeens de brief van Groo'va.
Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan
had gezien, toen hij onlangs over was, Groo'moe in de laatste tijd
weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje,
naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.
Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo'moe, Groo'va, 't dorp,
haar thuis. Daar es even, even rusten.
't Eerst sprak zij met Hem erover, als over iets, dat de Juffrouw goed
zou moeten vinden. Ze wilde 's Zaterdags morgens gaan en Dinsdags
terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar
plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.
--Vindt u et niet goed dat ik ga?
--Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.
Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.
En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.
Maar even later kwam hij weer:
--Ik vin et best hoor, da'je ga. Maar vraag et zelf maar aan de
Juffrouw.
De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo'va's
brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al 's morgens, 's Zaterdags
in de late middag, na 't verschoonen van de kinders.