Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina
meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig
weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze 's Zondags-, zoo min als
's Zaterdags-avonds durven vertoonen.
's Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met
verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de
vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.
Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:
--Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z'en
huis....
Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. 't Was een prachtige
Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat
maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag
de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid
was ze opgestaan, na 's avonds niet te hebben kunnen slapen van 't
prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo
zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins
z'en groote zaken, en van de flinkheid van z'en vriend Heins--als
meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.... nou! Nee,
veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von' ze-n-et
onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen,
over "al de verandering", en "de slechte vrinden", en "de goddeloosheid
die zichzelf straft"--maar Oom scheen het dan toch ook leelijk te
hebben laten zitten aan de Binnenweg--bij de juffrouw stond er ook
nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze
haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden
die twee menschen plezierig samen: 'en drukke zaak, en Mien die d'er
veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld
aanloop--van de kinderen van Mien d'er broer; en van die ou'e juffrouw
Grietje die op het hofje aan 't Schiedamsche Singel woonde en gisteren
eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.... en van Arie,
Mien d'er "vriend", met z'en zuster:--Mien d'er leventje lag klaar,
dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen
gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben'.... Want, daar
had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom
was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer
in ie's anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag--uiterlijk alles
zoo eenvoudig; 't winkeltje, wat leek et nou? maar d'er ging wat om--en
zoo mit alles.... Wat zou dat nou zijn bij die Heins--ook natuurlijk
weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.... O, ze snàkte, dat ze
der uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode
was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.... Maar juffrouw
Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d'er naaimenschen....
--Wa's 't vol op 't Singel, zei Tante.
--Met zu'k prachtig weer, zei Oom.
Bij Tivoli bleven ze even kijken naar de bonte platen met poppen
en reuzeletters.
--Wiwwe daar v'en avent is heen?
--Hai je de cente?
Tante zei 't snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer
ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep,
omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo'va dat
is gehoord en gezien had!...
Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang
was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee' of-ie Oom niet
zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een
stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als
winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt
gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke
winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.
--Di's?.... et Hang, lichtte Tante in.
--Dáá'lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.
En even later, met waardigheid:
--Hier!
Twee deuren naast mekaar, d'eene met glas, naast een groote winkelruit,
waar met wit en rood op stond:
"Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co."
Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit
en gordijn hing een strook met niets dan "Visitekaartjes" er op. Op
de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt,
daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier
met bloempjes.
Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich
voorzichtig om, en trok z'en manchetten wat uit, en monsterde Geer,
met oogen van: zie je d'er nou wel knap genoeg uit? en ook langs
Tante zag Geer zijn oog glij'en, haastig, dof.... Maar krachtig was
zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde,
of menéér thuis was.
--U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.
Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.
--Dat gaat ook na 't ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur
in de gang. Toen--Tante, die het laatst kwam, had de voordeur
gesloten--moesten ze vrijwel in 't donker naar boven strompelen,
eerst een kleine trap, dan een die wentelde.--Geer was doodsbang de
ijzeren leuning te verliezen. Op de overloop, voor een keukendeur,
stond een slons van 'en meid.
--Wel, Sefie, gaat 't altoos goed? vriendelijkte Oom.
De meid beloonde:
--Ja, menéér Naikerk....
--Nog 'en trap, zei Oom tegen Geertje.
Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op,
niet donker, maar even smal als de eerste.
--Zóó.... Niekerk, kom j'es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke
mannestem boven.
En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid,
een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood
van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.
--Hoe gaat 'et vriend?.... O, is dat nou je nichie.... Dag juffrouw
Niekerk, 't is me-n-en klim, hé.... Komme jullie maar us hier, gaat
d'er nou maar gauw bij zitte.... Ja, me vrouw zel voort wel komme,
och, je weet.... Kom, steek us op...
Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom
had dus niet te veel gezeid. Weze'lijk een groote boel. Wat 'en huis,
en, hier, wat 'en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik
tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout
met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige
pe'dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en 'en dubbel stel gordijnen
voor spiegelramen....
--Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d'er tege
kon, zou 'k zegge, la' me wat gaan raije-n-in 'en ope bakje....
Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.
--'En beste sigaar, Heins, zei Oom, met 'en gezicht of-ie wàt 'en
kenner was.
--Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht
z'in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.... Wacht ik zel me vrouw
is roepe....
--Nou? wat ze' je d'er van? he'k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen
meneer de kamer uit was.
--Nee Oom! erkende Geertje.
Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd
misschien wel aan 'er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet
veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! 't Was.... voornaam hier,
die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen
en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote
pertret aan de wand, was dat niet....?
--Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.
--Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins....
--Nou? wàt meneer Heins?
--O, me man sprak geen kwaad van u!
--'k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet 'et nie' minder.... Van
dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da' was....
--Och jawèl Oom!
--Dat portret? 'Et is maar fotegrefie!
--Maar met kleur d'er op!
--Ja, mit kleur.
Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.
Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam
binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje
zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen,
waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood
op een mager, rimpelig groezelgezicht.
--Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.
Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder
gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar
de juffrouw d'er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:
--Zuwwe de kinders niet is zien?
Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:
--De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan,
mit Sefie.
--Die is hier ook al 'en heele poos, waagde nu Tante in 't hokkend
gesprek.
--Ja, ferandere doe-n-ik nie' graag, zei juffrouw Heins met
zelfbewustzijn.
--'t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.
Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.
--Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.
Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open;
daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; 't oudste, een
jongetje, dat leek op de moeder; 't tweede, een meisje, 't gezicht
van 'er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan
verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok
een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde--ook
Geertje was 't een verrassing--uit zijn zak twee kleine prentenboekjes,
dingies uit hun winkel, van 'en stuiver.
--Kijk is hier, voor ieder een....
Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.
--Nou? zei Oom.
--Koos, pak is an van meneer, da's voor jullie, zei de vader.
't Meisje lachte en wrong met 'er kopje; 't leelijke jongetje zei op
het laatst:
--'k Hep feell mooier boekies....
--Hahaha!
Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer
meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve
gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.
--Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie,
pak! anders gaan ze-n-in de zak....
En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog Koos er op aan,
en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, 't leelijke bleeke
ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.
--Wel jou....!
't Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa,
waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met
gemaakte boosheid zei hij:
--'k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de
kamer uit, zonder gedag zegge....
--'t Binne me d'er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal
de deur uit waren.
Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van
een stuiver:
--'t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.
En zonder plichtpleging liep ze hen na.
--'t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw
zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d'er niemand
as Sefie: we motte d'er nog 's 'en juffrouw bij neme, ook voor et
huishoue, maar we stellen et telke's uit....
Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken,
naar Oom.... maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou
iets zei.... Maar de deur ging alweer open.... Nu deed juffrouw Heins
vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .... gelukkig
vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en
Tante, of dat ze terug ging naar d'er Groo'va....
Nu dorst Oom zich dan toch haasten:
--Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.
En daarbij keek Oom meneer aan.
Die, met iets als weifeling:
--Zoo, wilt u dàt!.... Wel dan most u maar bij ons komme!
--Hahaha!
Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze
niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:
--Nou, ik wil wel.
Juffrouw Heins werd nu zeer strak.
En al spoedig zei Oom:
--Vrouw, wille we-n-es.
Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig
oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de
deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog
wel aardig om te zien--'t b'lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een
kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen--in
de lucht.... Te minste zoo leek het.... maar het was niet zoo. Door
een raam bracht meneer d'er op een plat dak, met leuning, en daar
had je zoo'n aardig gezicht.... Hu, ze werd er haast duizelig van,
toen ze pal naar beneden keek: in 't water!
--Ja, da's et Steiger, vertelde meneer.
Maar er was zóó 'n wind op het plat; Oom zei ook: je kon 'er niet
staan haast.
--'s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.
En Geertje antwoordde in d'er gedachten: dus je denkt er niet meer
aan dat ik hier als juffrouw zou komen....