[1] Door dit woord bedoelen wij altijd menschen zonder deugd of
verstand, in welken stand der maatschappij ook; en vele zeer hoog
geplaatsten worden er onder begrepen. Noot van den Schr.
[2] Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis
vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat
in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de
huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder
zullen schijnen dan heden ten dage het geval is. Noot van den Schr.
[3] Eigenlijk Sehnsucht. Fielding kon in het Engelsch ook geen woord
vinden om desiderium te vertalen,—en gebruikte in de noot onder den
tekst eene lange omschrijving. Noot van den Vert.
[4] De Pretendent.
[5] Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten
van dit werk, iederen lezer ter wereld. Noot van den Schr.
[6] „Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”
[7] Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze
beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen
door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van
hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen
voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de
slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan. Noot van den Schr.
[8] Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.
[9] Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone
tailles, welke zij de dames wist te maken. Noot van den Schr.
[10] Bedoelde zij welligt Circassische? Noot van den Schr.
[11] Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had. Noot van den Schr.
[12] Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.
[13] „Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord,
Waar geen geboomte, struik noch hagen
Het zomerkoeltje ruischen hoort,
En waar door mist en nevelvlagen
Geen enkle hemellichtstraal boort;
Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord,
Te digt bij Phoebus zonnenwagen,
Steeds zal mij Lalage behagen,
Wier gulle lach, wier vriendlijk woord
Me altijd en overal bekoort.”
[14] Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.
[15] Zie Odyss. B. II. 175.
[16] Opdat de nakomelingschap niet door deze woorden in de war gebragt
worde, verklaar ik ze door eene advertentie, welke verscheen op 1
Februarij 1747.
„Let wel! De heer Broughton stelt zich voor, om met de noodige hulp
eene Akademie te openen in zijn huis in de Hay-Market, voor het
onderwijs van diegenen, die ingewijd wenschen te worden in de geheimen
van het boxen; waar de geheele theorie en praktijk van die echt
Britsche kunst, met de verschillende slagen, finten, enz., door de
kampvechters gebruikt, geleerd en verklaard zullen worden. En ten einde
personen van rang en onderscheiding, niet af te schrikken om dezen
Akademischen Cursus te volgen, zal men met de uiterste zorg en
teederheid te werk gaan, met een oog op den fijneren ligchaams-bouw en
het gestel van den leerling, om welke reden hij met opgevulde, weeke
handschoenen voorzien zal wezen, die hem geheel en al vrijwaren tegen
blonde oogen, gebroken kakebeenen en een bebloeden neus.” Noot van den
Schr.
[17] Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond
sterling. Noot van den Schr.
[18] Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in
Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een
zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene
handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken
en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van
de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke
natuur. Noot van den Schr.