De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn
vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd.
Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd,
om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.
Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen
Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in
aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars
stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden,
zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat
van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze
wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door
Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn
zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde
om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.
Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van
zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene
verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich
zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te
willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich
voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met
eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen
werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man
verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.
Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap
verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra
zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van
Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij
gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.
Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van
menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig waren, als de leden van dit
gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst
gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in
weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere
reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de
keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene
geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als
tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge
dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren
echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van
Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar
vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet
aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw
Miller opgeofferd had.
De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig
verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar
der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze
omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide
echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel
zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een
bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene
aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij
onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als
door hare overige volmaaktheden.
De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren
gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest
geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk
in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden
kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het
verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral
na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te
zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones
en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western
merkte dit met veel ongeduld op, en riep herhaaldelijk uit: „Waarom
praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge
stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”
En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige
liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de
verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit
laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten
verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een
paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens
begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen
gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar
hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde
geroepen.
Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de
opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat
allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen.
Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was
geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde
kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien
morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons,
waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige
getuigen van de plegtigheid waren.
Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het
gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend
gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller
opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.
Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest,
dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen
zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het
tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch
bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen
beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de
glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme
blozende Sophia, om wier wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid
echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het
gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller
had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had
het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de
overigen.
Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te
verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd
langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den
jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer
Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij,
en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van
haren verrukten echtgenoot gevoerd had.
Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde
gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe
verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet
toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk
geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.
Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze
geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent
hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne
nieuwsgierigheid voldoen.
Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te
zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones,
door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te
geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft.
Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen,
ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks
tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement,
waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der
naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden,
in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die
goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.
Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden brief
geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne
pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen
van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te
dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun
rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer
Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van
Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te
vertrouwen.
Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine
overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam,
leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het
geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar
inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden
met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door
vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame
te danken heeft.
Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft
een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een
deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg
zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem
zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.
De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats
gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw
Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de
prettigste wijze met elkaar omgaan.
Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden:
mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond
sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op
Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.
De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men
heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld
aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly
kreeg op verre na het grootste aandeel.
Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij heeft weer
eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan
vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en
mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak
waarschijnlijk gelukken.
Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die
twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder
naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en
het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug
getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het
graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf
den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen
wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de
oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven,
volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en
spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken
met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als
vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook
verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste
wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar
bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader
doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.
Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en
een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van
zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het
gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden
oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in
geheel Engeland.
Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat
geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken
zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat
in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd
door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk
met de schoone en deugdzame Sophia. Door na te denken over zijne
vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg
geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig
karakter.
Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee
menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij
bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks
vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche
achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens
hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne
goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er
geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent,
waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.