Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de
woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste
gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg
geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat
het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur,
toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat
zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.
Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze
uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te
verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet
nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het
bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop
fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des
te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”
Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk
verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel
opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel
dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem
dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.
De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele
lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en
bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen
elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen
moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun
goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos
zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat
zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook
schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen
blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.
In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te
spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde
slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat
Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van
een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te
naderen, zeide:
„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der
stervelingen geworden.”
„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones
met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”
„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in
hoever gij ze verdiend hebt of niet.”
„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als
ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid
medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”
„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw
eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u
gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”
„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik
van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen
zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker
u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid
vernomen hebt.”
Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale
gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de
zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het
woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer
groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief
ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als
ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”
„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij
wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken,
dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones,
is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te
Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld,
terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij
vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan
ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd
hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben
bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”
„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die
ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn
ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste
Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe
voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het
nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen,
welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O
Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven,
laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe
genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik!
O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”
„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar
vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne
opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter
bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen.
Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat
overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal
om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”
„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.
„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij
kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten
hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten
als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”
„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik
u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”
„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om
mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben
met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen
verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is,
mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude
gelooven?”
„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter
onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder
allen twijfel omtrent mij te laten varen.”
„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.
„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand
vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die
heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel
straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn?
Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor
altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met
andere oogen dan de uwen kondt zien!”
Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder
ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene
beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik
eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer
verwijder.”
„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit
uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van
het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het
hart te maken heeft.”
„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet
verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als
ik zelve.”
„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste
oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat
dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van
haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn
hart!”
„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand,
mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer
verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid
ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen
ook veranderd zijn.”
„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor
uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne
welvaart? Geloof mij, mejufvrouw, om uwentwil alleen stel ik eenigen
prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op
het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver
verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij
niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te
lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen
ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”
„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik,
mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik
zal dat niet dulden!”
„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet
aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken,
een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking
te nemen!”
„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.
„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”
„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet
geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij,
dunkt me, nu wel gerust wezen.”
„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet
met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de
zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne
zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te
beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”
„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”
„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken
mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke
mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en
kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.
Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in
de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan,
jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al
gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of
overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast
besloten!”
„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te
zoeken om—”
„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te
fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat
meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou
gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens
in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog?
Waarom spreekt ge niet?”
„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij
de gave hebt om mijne gedachten te raden?”
„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe
toestemming?”
„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”
„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.
„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”
„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in
hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”
„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.
„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was
het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei
gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is
niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar
vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen
om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”
„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.
„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam
hij.
„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer
Jones,—daar hebt ge mijne hand!”
„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg
Western verder.
„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.
„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.
„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.
Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne
verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en
uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds
met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen,
om op geheel andere dingen te letten!”
Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast
alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.
Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij
mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in
toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”
„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u
ongehoorzaam te zijn.”
„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid
steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote
eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n
bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in
Engeland tot eer strekken.”
„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te
zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was
wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo
ver te brengen.”
„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste
dwang bestaan heeft!”
„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken
alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt
berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”
„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw
zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide
zij.
„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want
ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun
mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik
ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand,
die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig
te zijn.”
„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens,
Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij
morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt
ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik
leef, zullen wij heden avond feest vieren!”
„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn
neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem
zooveel geluk wachtte—”
„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van!
Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar
ik leef—gij blijft hier souperen!”
„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik
heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”
„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.
Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.
„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden
avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom
en het meisje nu te scheiden!”
Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook
spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst
had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.