DE GESCHIEDENIS NADERT HOE LANGER ZOO MEER DE ONTKNOOPING.

Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en

mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was

door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend

van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door

wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene

beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar

bevond, hem liet ontslaan.

Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en

dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne

vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen

aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten

had, wie Jones was.

Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het

volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston,

gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had,

toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop

ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer

Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest

hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was.

Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben

willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals kon halen,

begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.

Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den

Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap

bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen

regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide

dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld

was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij

verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om

hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten

scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte

als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar

was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht

omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen;

want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf

gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou

doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen

edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke,

naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te

dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de

arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken,

onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig

opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.

Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de

onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien

ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden,

dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al

de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al

als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg,

verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en

groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw

Waters, na hare ontmoeting met Dowling.

Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen wat in zijne magt

stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo

grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen

(want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens

invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den

geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde

dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis,

waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.

Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer,

en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem

verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.

Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar

maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.

Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn

oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem

wenschte te maken.

Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij

welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer

Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.

„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.

„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne

boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het

vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo

schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”

„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd

dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien.

Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen

mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor

wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed

niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al

het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen,

die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten;

maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen

voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken,

oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk,

waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”

Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in

de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind

kunnen zijn voor zooveel goedheid?”

Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt

te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van

zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën,

en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er

gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in

de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal

geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde

gelukwenschen tot Allworthy wendde.

Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad

onuitsprekelijk gelukkig!”

Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven

hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar

beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig

gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer

Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren

bruidegom.

Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat

hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer,

want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar

beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal

tegenwoordig zouden zijn.

Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest;

„want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder

mijn dak schuilt.”

Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.

„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over!

Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—daarvoor sta ik u borg! Ik heb

een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”

„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy.

„Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk

vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”

„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn

leven iets liever doen!”

Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd

had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de

boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe

gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in

mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken,

oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij

hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme

jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”

Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de

kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te

goed voor deze wereld!”

Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.

„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de

goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel

verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd

tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke

gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei

hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem

zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat

eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”

Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand

vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene

minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp

zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in

tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van

eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of

vervallen is;—wat soms der menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij

den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het

schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden,

hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te

gevoelen.

Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te

schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones

uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om

Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom

mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan,

hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles

vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan

streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om

eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.

Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog

zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om

ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij

smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor

Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als

hij vroeger slecht was geweest.

Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid,

in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn

broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te

dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in

zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de

verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en

verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop

Jones tot zijn oom terugkeerde.

Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke

hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.

„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot

mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet

niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte

ondankbaarheid van dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een

straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”

„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me

oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De

verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van

mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen.

Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor

ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht

is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit

vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen

hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij

mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood

mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben.

Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in

zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en

zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien

aard.”

„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze

vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts

zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk

voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt

dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne

ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als

wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver

gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik

beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van

de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den

regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige

verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid

vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid,

moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en

vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en

hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”

Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast

achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het

bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij,

dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep

dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar

eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om

hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.

Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks

gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te

verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een

waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones

kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als

hij zich zelven verkleedt.

Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich

dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis

er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en

andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van

zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te

zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel

had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te

maken.”

Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker

verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld

waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme

kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.

Tom Jones · 第 334 / 340 题