Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij
dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich
dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat
de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.
Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker tooneel voor te
stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw
Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het
geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te
boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te
beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.
Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt,
en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel
heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke
vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke
verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor
berokkend?”
„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal
zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O,
waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en
al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals
bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door
mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen
te worden!”
„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed
behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en
herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich
daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.
„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad
altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der
stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in
die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar
te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen.
Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was.
Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te
overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend
had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk
waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de
straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een groot
zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd
heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet
schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en
fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te
gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij
hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”
„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo
verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de
huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van
anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan
hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de
onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen
kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven
verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te
verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan
hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als
iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat
anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te
bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze
voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn
jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over
vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u
herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw
troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden,
welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan
slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt
ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch
eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd,
hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren,
welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de
slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos
verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt
worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken. Het afkeurend oordeel der
menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het
openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te
zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als
een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan.
Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een
ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de
oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij
omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit
ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij,
als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn
tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem
daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw
geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen
heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u
dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en
het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te
wezen.”
Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem
ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees
dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat
onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”
„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy:
„ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u
onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van
uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt:
namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen
gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek
waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie
aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader
thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het
vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat
zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij
meer zal bukken.”
„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in
eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u
ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van
slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik
het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet
mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige
herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal
genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is
de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken
kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”
„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw
kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een
onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift
verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij
welligt beter dan ik zelf verklaren.”
„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik
heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en
hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen
tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie
dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid
kan mij niet van den ondergang redden!”
Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western
beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot
den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen
stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te
houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man
gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de
spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.
Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem
namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog
zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van
zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er
bijvoegde: „Ik wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon
wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn
leven niet gezien!”
Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.
„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles
uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij
kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik
overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed
te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had.
Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te
meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil
geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij
besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat
gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op
eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik
daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven
en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven
zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs.
Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben
kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig
mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u
herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer
aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een
heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik
ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij
zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik
verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste
goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die
naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het
beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn
best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en
onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”
„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat
ik dezen engel verloren heb!”
„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet
verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en
wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene
andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die
doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik
zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan
hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben
wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig
troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders
dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte;
maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed
op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het
niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””
Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die
niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van
Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op
hem vermogt.
Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik
ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten
en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben,
daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand
anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar
driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te
nemen!”
„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele
verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te
vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”
„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan
gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje
brengen!”
Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom
noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in
toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij
Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western
te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te
maken.
Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger
voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij
echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het
genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag
geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.