VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS.

Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar

om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven

had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem

tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van

mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.

Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide

plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken,

gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was

voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van

verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon

Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:

„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig

benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op

de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou

hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin

geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat

men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat

het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig

verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan

te bevrijden.”

„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag

is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig als ik alleen van mijnheer

Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze

zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me

werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot

veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de

teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd,

mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen

wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen

zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen,

kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”

„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij

ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon,

dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk

met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel

minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”

„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij

met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u

ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op

toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van

mijn vader niet te gehoorzamen.”

„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van

harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen

wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”

„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid,

waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn

gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten

met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die

ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van

hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer

Blifil getrouwd ware—”

„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar

ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw

Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg

ik, dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien

gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk

is.”

„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”

„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich

daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”

„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de

lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt

zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht

is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”

„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy.

„Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb

ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja,

mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe

besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik

heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik

overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en

wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen

geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen

zult, zijne opwachting bij u te maken?”

Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo

opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke

gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor

het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van

dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de

genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn

huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te

danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u

smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit

ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van

de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even

wreed en ongelukkig!”

„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt gij niets van

dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich

aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene

teleurstelling.”

„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als

ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet

ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen

zal.”

„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u

verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk

kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte,

vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is

met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”

„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat

ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”

„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is

eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer

Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”

„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”

„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene

zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook

niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten

zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst.

Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker

waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en

hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit

kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u

naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat

niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart

heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”

Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia,

zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde

en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:

„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke,

naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al

het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit

zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat

hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden

heeft.”

„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,”

hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij

moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene

zoo begaafde dame als gij zijt—”

„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen

voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten

van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als

iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan

nooit gebeuren!”

„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige

verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik

hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te

verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te

genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij.

Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik

verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”

„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit

medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt

verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn

eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het

altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou

aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind

tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou

kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet

in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in

het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle

reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke huis, en zocht elders

bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn

eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij

steeds vrijspreken.”

„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy.

„Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets

bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik

al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen?

En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den

wille van een man, die u geheel onverschillig was?”

„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne

redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer

Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u

wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik

geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante,

zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat

is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te

dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen.

Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer

Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer

aandoen,—en u gelukkig maken—”

„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar

ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die

overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop

niet, dat hij u misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij

misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat

gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem

niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is,

toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem

hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende

hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze

nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter

wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die

van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet

onaangenamer zijn!”

Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud

te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij,

slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in

drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:

„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien

verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou

zij ten allen tijde gereed zijn!”

Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den

landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij

mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”

„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar

ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt

zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met

mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat

doe!”

„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw

gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar

kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel

mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe

eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer

Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om

iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter

wereld benijden!”

„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat

zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar

af te zijn!”

„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders

dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in

de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij

de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”

„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou

ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik

verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn

zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”

„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare

toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe

toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u

gegeven heeft.”

„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja!

Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je

kamer, gij koppige—”

„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar

werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij

zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest

liefderijke behandeling!”

„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens

hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een

brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij

te kennen te geven, dat die kerel weêr uit de gevangenis los geraakt

is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen.

Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te

moeten passen!”

De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne

eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding,

maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne

verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de

lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.

Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even

veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy

voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich

opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans

evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.

Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen

wat er voorgevallen was in het onderhoud, dat hij pas met Sophia had

gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.

Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen,

maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een

eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het

gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen.

Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot

gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht,

Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker

maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen

in mijn huis hebben!”

Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit

herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij

den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried,

als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij

afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het

dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag

bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den

jongen te kunnen verzoenen.”

Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te

volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide:

„Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet

altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel

geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”

Tom Jones · 第 330 / 340 题