VERVOLG.

De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze

Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters

te geven, met uit te schreeuwen:

„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen

gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”

„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.

„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik

me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te

zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat

er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te

maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik

ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den

heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling

onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt

had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken

terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend

door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te

lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple;

maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook

anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen

vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in

toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje

houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk

een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai

toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”

„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd

tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te

bezigen.”

„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder

dwang hare toestemming tot het huwelijk gaf. Wat drommel! Mag ik niet

doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar

best op het oog heb!”

„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik

het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”

„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en

misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik

verzeker u dat zij goed over u denkt.”

„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de

jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne

opwachting bij haar komen maken.”

„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei

Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om

dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter

zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten

gesteld zal zijn.”

„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te

doen, of iets in die zaak te ondernemen?”

„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo

straks, uit eigene beweging.”

„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist

nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”

„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want

dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een

hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend

pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer

Nightingale!”

„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u

zijn.”

„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het

niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit

gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet

haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik

haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam

te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals bestraft wordt;—en maak haar ook

bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op

water en brood!”

„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u

dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie

opgenomen te zien.”

„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een

mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar,

dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij

slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek,

die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk

hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf

inmiddels uw onderdanige dienaar!”

Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:

„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie

ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend

zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo

veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”

„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed

toen ik dat voor het eerst vernam.”

„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht

plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef

dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn

slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u

thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker

u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden

werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel

daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden

alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts

een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener

echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft,

na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van

zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”

„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat gij zulk een

verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u

geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven

waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te

verantwoorden hebt.”

„Zoolang hij leefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan

ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat

eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten

is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde

schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo

zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in

mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den

kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw

leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch

naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik

toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling

redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts

weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden

hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs

vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij

welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”

„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit

zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u

koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al

te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze

afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want

hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den

berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs

bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters,

dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan

geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”

Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een

vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne

goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.

Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe,

en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken,

toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die,

zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet

blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast

had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij

het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den

advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had,

hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele

vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn

eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het

dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men

zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.

Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en

daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:

„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij

weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”

„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.

Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens,

mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs

wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet

en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al

wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”

„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens

gezien.”

„Waar, mijnheer?”

„In hare eigene woning.”

„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”

„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van

mijnheer Jones.”

„En wie zond u er heen, vraag ik?”

„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen

zond.”

„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”

„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—

„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te

frisschen?”

„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer

Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou

verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld

komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk

ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne

woorden waren.”

„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.

„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik

geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”

„En was dat op last van mijnheer Blifil?”

„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn

gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden

hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat

geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.

„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het

bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer

Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte

waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet

uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld

zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee

menschen te Aldersgate te ondervragen?”

„Ja, mijnheer.”

„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en

herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”

„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen,

die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij

door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden

worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts

diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets

verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne

medepligtigen worden. Hij zeide, dat het hem gebleken was, dat gij zeer

verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het

niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”

„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.

„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter

wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”

„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.

„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om

welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig

maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis

afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden

werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets

verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te

houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den

anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar

zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf,

dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”

„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep

Allworthy.

„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet

bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou

ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”

„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te

verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef

was!” merkte Allworthy op.

„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen,

dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.

„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”

„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij

hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist

het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil

tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar

stond, en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen

heeft.”

„Welken brief?” riep Allworthy.

„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling,

„en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”

„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat

zeide mijne zuster?”

„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief

overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan

mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel

zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep

dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen

weinige oogenblikken was alles gedaan.”

Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en

zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe

gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”

„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij

destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het

geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij

beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde

gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit

vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de

nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een

woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te

houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt,

zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen,

tegen u of iemand anders.”

Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de

waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het

geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het

thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden

dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings

stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu

best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed

om alles te bekennen, wat hem afgeperst werd door het vooruitzigt op

vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van

Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo

onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.

Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en

na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien

heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op

zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het

laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er

inmiddels beneden in huis geschied was.

Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw

Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem

zeide:

„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij

weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen

niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder

was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook

zonder eenige wreedheid van uwen kant.”

„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover

ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op

mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij

zult alles vernemen.”

De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters

toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij:

„Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij

bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den

jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren

noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met

mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van

die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw

Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam

dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik

ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik

bedrogen ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor

een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”

De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen

om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het

verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een

verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen

zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep

zij uit:

„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van

deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven

om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”

„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook

dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”

„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te

danken hebt?”

„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.

„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de

hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne

goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad

bedreven!”

Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel

spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door

zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones

had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten

gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te

laten.

Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn

neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit

moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven

verder alleen.

Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar

beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij

zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene

beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter

de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom

welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy antwoordde ook hierop

met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te

klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak

dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij

uwe moeder op haar sterfbed zond!”

Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts

benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.

Tom Jones · 第 328 / 340 题