VERVOLG DER GESCHIEDENIS.

Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer

Allworthy niet nalaten te zeggen:

„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten

opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”

„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik

gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u

tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken

ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik

mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb

aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken

hebt.”

„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige

gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij

niet de vader van den jongen?”

„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt

herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt

wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig

gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde

niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”

„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.

„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij,

„die Summer heette.”

„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer

geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap

koesterde.”

„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den

jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik

meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik

moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd

heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand,

fatsoen en beschaving.”

„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht

niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik

begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind

was.”

„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”

„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”

„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij

leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er

op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als

grieven zal!”

„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef

niets te vreezen.”

„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe

kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd

te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en

als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van

dien jongen!”

„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”

„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van

den jongen;—maar ik was de moeder niet.”

„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene

onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten.

Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts

de schuld vermeerdert.”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om

alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”

„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer

als u verheugen, als het blijkt dat gij waarheid spreekt; maar herinner

u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”

„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het

was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel

zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje

was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne

geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”

„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.

„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw

Waters.

„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep

Allworthy.

„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.

Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij

hadt eene zuster, mijnheer!”

„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.

„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de

moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”

„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”

„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u

de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam

mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het

behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in

de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij

haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde

veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf

mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik

een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de

deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje

bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot

bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij

een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven

gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken

van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te

vragen, of men ook in mijne moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam

dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij

daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar

pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat

mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen

dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar

naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene

dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren

hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef

bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde,

dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van

dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de

huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind

was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde

kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt

van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald

werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik

er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw

Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar

omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te

bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta

dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had,

zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam

de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was

om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen,

opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd

de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en

van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het

bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van

jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd.

Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van

uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle

welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan

inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”

Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt

waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef

ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik

twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk

vermeerderen.”

„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik

sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine

omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang

te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden

dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster

ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo

veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn

vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien;

maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene

beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede

hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker

onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”

„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds

verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat

zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer

gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en

omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er

geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame

het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u

te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een

zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen,

waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer

Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u

misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”

„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik

ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.

„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:—ik waagde het

niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die

bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar

hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer

Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou

voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde,

wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer

ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en

die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester

Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij

wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne

woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te

Salisbury gekend.”

„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze

Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te

vervolgen?”

„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet

beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde

geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik,

de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders

kon zijn dan gij.”

„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik

maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel

was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de

grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw,

te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk

oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”

Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen

er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het

niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.

Tom Jones · 第 326 / 340 题