„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd
soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door
stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe,
blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht
zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel
zoekt gij te bereiken?”
„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende,
„dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets
te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten?
Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben
van dien jongen!”
„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger
veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen?
Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen
bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik
dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood.
Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem
ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit
niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal
doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde
gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”
„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem
alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had
gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij
dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de
dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te
doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik
rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte
land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik van
een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen
waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die
zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld
op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig
te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling
tot op bijna dertig pond sterling opdreef, [18] en ik geene middelen
van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.
„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een
regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij
was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede
handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken
heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”
„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de
rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer
aan.”
„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington,
waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook
een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in
geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik
weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen
mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken,
en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat
schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een
trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat
inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die
mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren
verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de
advokaten van mij vertelden! Er was er één, die den regter eene menigte
leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om
mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele
boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur
te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben
dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”
„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen
woord van uw zoon vernomen.”
„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn
zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik
ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork,
want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik
sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”
„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland
kwaamt.”
„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden
landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te
doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en
Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er
ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”
Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste
ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn
verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet
vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy
koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu,
mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige
wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van
Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de
waarheid niet sprak.
„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt
gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw
voordeel zou wezen te bekennen?”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als
gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene
andere wijze overtuigd worden. Ik wenschte maar dat gij u evenzeer
vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”
Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle
blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele
geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had,
dat voor Allworthy verzwegen moest worden.
Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.
„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen
niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet
dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”
Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters,
overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar
ontwaarde, riep hij uit:
„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige
moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet
waar—”
Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig
acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:
„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat
gij mij niet meer herkent.”
„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele
opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u
niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander
van belang dat u hierheen brengt?”
Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel
begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens
haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld
had.
Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel
belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik
moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik
verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”
Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok,
smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te
overtuigen.
„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer
Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”
Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen
den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te
lezen staat.