WAARIN DE GESCHIEDENIS VOORTGEZET WORDT.

Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller

gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering

aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw

Miller dit opmerkte, zeide zij:

„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend,

niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te

houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen

vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het

schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger

van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te

brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer

Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer

fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft

over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben,

als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen

gemeene landlooper was.”

Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te

begrijpen van al wat zij vertelde.

„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel

iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs

maakten!”

„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg

Allworthy.

„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te

loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”

„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.

„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid

hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”

„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat

gij vertelt.”

„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.

„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden

zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene

herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door

Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus

tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer

Fitzpatrick.”

„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik

dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het

er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”

Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs

eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide

hij:

„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd

ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker,

dat het dezelfde heer was?”

„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.

„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap

geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”

„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur,

onafgebroken!”

„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de

zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die

menschen voorgevallen is?”

„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik

aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat

ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal

volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones

verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot

het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de

zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van

mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik

dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen

te zenden.”

„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.

„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit

oogenblik dat hij dáár geweest is.”

„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt

mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk

met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden

mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op

als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”

„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik

geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier

is;—anders, mijnheer Blifil.”

Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds

mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer

Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde,

dadelijk naar beneden zou komen.

Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten

hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds

eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.

Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig

gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren

geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand

van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer

gesproken had?”

Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch

werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te

verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.

Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen

om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij

de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand

onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen

als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge

antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood

van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge

toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene

verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt

tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer

Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het

naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk

uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”

De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich

daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:

„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker

gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap

niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”

Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb

schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”

„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.

„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar

zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest

beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met

diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene

misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat

ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen

mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel

en nutteloos onderzoek in te stellen, maar om de getuigen op te sporen

en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid,

oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”

„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den

zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”

„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen

zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij

niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot

dusver.”

Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig

niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de

rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze

gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in

den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de

duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,”

als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms

diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half

toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem

opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne

overeenkomst verloopen is.

Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de

gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige

ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht

herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat

Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het

mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum,

die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de

toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.

Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer

Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen.

Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit

goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van

zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende met

een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over,

jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend

te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een

bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”

Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen

verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer

op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit

oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te

verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat

kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om

eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook

reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en

voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om

de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben

laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke

gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s

voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om

hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor

hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer

Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen

vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne

onwetendheid bedreven hebben.”

De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich

nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de

vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden,

vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:

„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar

zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de

gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet

niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd

dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en

thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond,

welke uw bezoek hem zeker verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem

het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn

knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”

„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk

binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester

vragen.”

Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar

liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven

zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te

brengen.

Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij

hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus

thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook

eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds

opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om

hare vrienden te helpen.

„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”

„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge;

„maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem. Non sum

qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”

De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende

Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door

Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid,

maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij

wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de

leer, of het geloof, van dien braven man.

Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller

verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil

wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem

zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.

Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te

lezen staat in het volgende hoofdstuk.

Tom Jones · 第 322 / 340 题