BEVATTENDE TWEE BRIEVEN IN GEHEEL VERSCHILLENDEN SCHRIJFTRANT.

„Zeer waardige vriend!

„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der

wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne

ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene

tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij

zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij

namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap

bestaat.

„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte

daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal

dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te

toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden

zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te

vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter

daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren.

De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven,

is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de

troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de

ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of

eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den

geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de

gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting

daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven,

dat de dood eene ware weldaad is.

„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging

van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der

onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich

wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben

door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig

leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop

zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar

welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo

met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer

dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder

geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de

onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was

het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen

werd.

„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar

ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen

geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de

hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van

ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad mij

mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der

waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.

„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel

van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.

„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets,

dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan

ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw

aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand

geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele

ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde

vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men

hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u

noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd

voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.

„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige

persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en

hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne

dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn

leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang

slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan

te klagen.

„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel

hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste

eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot

sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder

volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u.

Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet,

zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.

„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles

zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere

aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid

te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en

om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.

„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen om de

gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst

te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit

leven ontvangen kan,

Mijnheer,

uw zeer verpligte,

gehoorzame en onderdanige dienaar,

Thomas Square.

De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de

gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een

anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden

aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de

laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien

heer te vernemen.

Mijnheer,

Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw

staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien

godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog

zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet

moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en

tandengeknars eeuwigdurend zijn!

„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te

gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij

steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt

gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter

zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u

vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn

pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u

tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na

te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener

treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om

niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan,

die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.

„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste

ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat

duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het

begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar

het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!

„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton

beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij

had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij

vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer

dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene

regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele

godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd.

Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik

verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet

vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne

opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij

alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de

dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze

vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.

„Ik verblijf, mijnheer,

uw getrouwe en dienstwillige dienaar,

Roger Thwackum.”

Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover

Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te

betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten

graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.

Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat

hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid

gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles

behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid

in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij dat hij

onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne

eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne

godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte

noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg

te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt

scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot

gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al

wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.

Tom Jones · 第 320 / 340 题