Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange
reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten
wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene
dagen bij elkaar zijn geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine
twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend
worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen
met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze
laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk
nooit wederzien.
Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te
blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit
laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste
eindje zamen reist.
Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen
achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit
aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het
gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.
Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u,
lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer
beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek
bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier
belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die
misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te
redden.
In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen
aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en
inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke
dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het
mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.
En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere
daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien
ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste
wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks
werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of
uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op
hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere
verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een
zeer smerigen kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar.
Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen
is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan
ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap
heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die
menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering
gelasterd hebben.
Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen
wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne
eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den
gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne
lasterende tijdgenooten overleven.