HETGEEN DEN HEER JONES IN DE GEVANGENIS OVERKWAM.

De heer Jones bragt meer dan vier en twintig uren zeer droevig in de

eenzaamheid door,—alleen getroost door het gezelschap van

Partridge,—tot mijnheer Nightingale eindelijk terugkeerde. Men

verbeelde zich echter niet, dat deze waardige jonge man zijn vriend

verlaten of vergeten had, want, inderdaad, het grootste gedeelte van

dien tijd, had hij ten zijnen behoeve besteed.

Na onderzoek, had hij vernomen, dat de eenige menschen, die het begin

van den ongelukkigen strijd gezien hadden, tot de manschap behoorden

van een oorlogschip, dat toen te Deptford lag.

Daarheen ging hij dan, om de menschen te zoeken, die, zoo als hij

vernam, allen aan wal waren. Hij spoorde hen na, van huis tot huis, tot

hij er eindelijk twee van vond, die met een vreemde zamen zaten te

drinken, in eene herberg aan den weg bij Aldersgate.

Nightingale verzocht thans om Jones onder vier oogen te mogen

spreken,—want Partridge was er toen hij binnentrad,—en zoodra zij zich

alleen bevonden, vatte hij Jones bij de hand en riep uit: „Hoor eens,

beste vriend, gij moet u niet uit het veld laten slaan door hetgeen ik

u kom melden.—Het spijt mij de overbrenger van slechte tijdingen te

zijn;—maar ik houd het voor pligt om u niets te verbergen.”

„Ik gis al wat die slechte tijding is,” hernam Jones; „de arme

Fitzpatrick zal overleden zijn?”

„Ik hoop van neen,” hernam Nightingale; „hij leefde nog heden morgen,

hoewel, volgens de berigten, welke ik kreeg, ik u niet vleijen kan, dat

de wond niet doodelijk is. Maar, als de zaak zich zóó toegedragen

heeft, als gij zegt, zoudt gij, wat er ook gebeure, niets te vreezen

hebben dan uwe eigene gewetenswroeging;—maar, vergeef me, waarde Tom,

als ik u smeek, met de meeste openhartigheid tegen uwe vertrouwde

vrienden te spreken; als gij ons iets verbergt, zult gij slechts u

zelven benadeelen!”

„Mijn waarde Jaap,” riep Jones, „welke aanleiding heb ik u ooit kunnen

geven, mij met zulke wreede verdenkingen te pijnigen?”

„Geduld maar,” hernam Nightingale, „en ik zal u alles mededeelen. Na

lang zoeken, vond ik eindelijk twee der menschen, die tegenwoordig

waren geweest bij dezen ongelukkigen twist, en het spijt mij te moeten

zeggen, dat zij de zaak minder voordeelig voor u voorstelden, dan gij

dat zelf doet.”

„Wel! wat zeggen zij dan?” vroeg Jones.

„Inderdaad, iets dat het mij spijt te moeten herhalen, daar ik vrees

dat het treurige gevolgen voor u zal hebben. Zij verklaren, dat zij te

ver afstonden om iets te vernemen van de woorden, maar zij zijn het

beiden eens, dat gij den eersten slag hebt gegeven.”

„Dan spreken zij onwaarheid, bij mijne ziel!” riep Jones. „Hij gaf mij

niet slechts den eersten slag; maar hij deed dat zelfs zonder eenige

aanleiding daartoe van mijn kant. Wat zou die schelmen kunnen bewegen

om mij valsch te beschuldigen?”

„Ja, dat kan ik in de verste verte niet gissen,” hernam Nightingale,

„en als gij zelf, en ik, die zoo zeer uw vriend ben, geene reden kunnen

bedenken waarom zij u lasteren zouden, dan laat ik aan u zelven over te

beslissen, welken grond een onpartijdige regter zou kunnen aanvoeren om

hun geen geloof te schenken? Ik deed hun de vraag herhaaldelijk, en dat

deed ook een andere heer, die er bij zat,—en die, denkelijk, een zeeman

is, en wezenlijk zich op de meest vriendschappelijke wijze gedroeg;

want hij drukte hun telkens op het hart, dat eens menschen leven met

die zaak gemoeid was, en vroeg, bij herhaling, of zij zeker wisten wat

zij zeiden;—waarop beiden van ja verklaarden, en dat zij gereed waren

hunne getuigenis met een eed te bekrachtigen. In ’s hemels naam, beste

vriend, bedenk u wel; want als dit het geval bleek te zijn, moet gij er

bij tijds aan denken om alle protectie die gij hebt, in te roepen. Ik

wilde u geen schrik aanjagen; maar gij weet, geloof ik, hoe streng de

wet is op dit punt,—al is men nog zoo zwaar door woorden getergd!”

„Helaas, vriend,” hernam Jones, „hoe zou een ongelukkige als ik eenige

protectie hebben? Gelooft gij ook, dat ik iets om het leven zou geven,

als men mij voor een moordenaar hield? Als ik vrienden had (wat helaas,

het geval niet is!) hoe zou ik dan nog den moed hebben om hunne hulp in

te roepen ten behoeve van een mensch, die om de verfoeijelijkste van

alle misdaden veroordeeld wordt? Geloof mij, op zulken bijstand reken

ik niet;—maar ik heb toch nog eenig vertrouwen op eene hoogere magt,

die mij alle bescherming zal verleenen, die ik verdien.”

Hij eindigde nu met herhaalde, plegtige en vurige verklaringen, dat hij

van het begin af niets dan de zuivere waarheid verteld had.

Nightingale begon nu in zijn geloof te wankelen, en was weder geneigd

om zijn vriend vertrouwen te schenken, toen jufvrouw Miller binnen kwam

en een droevig berigt van den afloop harer zending bragt.

Zoodra Jones dit vernam, riep hij, zeer heldhaftig:

„Nu, vriend, ben ik geheel onverschillig omtrent wat er verder gebeuren

moge,—ten minste wat mijn leven aangaat,—en als de hemel wil dat ik

boeten zal voor het bloed dat ik gestort heb, hoop ik dat de hemelsche

goedheid vroeger of later mijne eer zal zuiveren, en dat men de woorden

van een stervende zal gelooven, als het er op aankomt om alleen zijne

eer te redden.”

Thans volgde er een zeer droevig tooneel tusschen den gevangene en

zijne vrienden, en daar het waarschijnlijk zeer weinige lezers bevallen

zou hebben om er bij te zijn, zullen er ook denkelijk weinigen wezen,

die eene uitvoerige beschrijving daarvan verlangen. Wij zullen dus

alles met stilzwijgen voorbijgaan, tot de cipier binnentrad en Jones

meldde dat er eene dame gekomen was, die hem wenschte te spreken, als

het hem niet ongelegen kwam.

Jones uitte zijne verrassing over deze boodschap. Hij zeide, „dat hij

geene dame ter wereld kende, van wie hij bij mogelijkheid een bezoek

wachten kon.”

Daar hij echter geene reden zag om te weigeren iemand te ontvangen,

namen jufvrouw Miller en Nightingale spoedig afscheid van hem, en gaf

hij bevel om de dame binnen te laten.

Zoo Jones al verrast was door het aangekondigde bezoek eener dame,

stond hij geheel verstomd toen hij ontdekte dat die dame niemand anders

was dan mevrouw Waters! Wij zullen hem dan een oogenblik zoo laten

staan, ten einde aan de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, die,

waarschijnlijk, ook niet weinig verrast zal zijn door het verschijnen

dezer dame.

Wie mevrouw Waters was, weet de lezer zoo wat; wat zij was,—daarvan

heeft hij de bewijzen gehad. Hij zal dus gelieven zich te herinneren,

dat deze dame in dezelfde koets met den heer Fitzpatrick en den anderen

Ier van Upton vertrokken was, en dat zij hem naar Bath vergezeld had.

Nu was er toen zeker ambt, dat de heer Fitzpatrick te vergeven had,

tijdelijk onbezet,—namelijk dat van zijne echtgenoote; want de dame,

die tot dusver dat ambt bekleed had, had haar ontslag genomen,—of had

ten minste de dienst verzaakt. De heer Fitzpatrick dus, na mevrouw

Waters op reis onderzocht te hebben, bevond dat zij de vereischte

hoedanigheden bezat, en bood haar, bij hunne aankomst te Bath, het ambt

aan, dat zij zonder schroom op zich nam. De heer en de dame hadden dus

als man en vrouw te Bath geleefd, en als man en vrouw kwamen zij te

Londen aan.

Hetzij dan dat de heer Fitzpatrick te wijs was om de ééne op te geven

eer hij de andere teruggevonden had,—of dat mevrouw Waters haar ambt

zoo goed vervulde, dat hij haar in het bezit daarvan wilde laten, en

zijne vrouw slechts als plaatsvervangster gebruiken (wat meer

gebeurt),—zeker is het dat hij nooit zijne vrouw bij haar noemde, haar

nooit den brief mededeelde, hem door mejufvrouw Western gegeven, en

haar zelfs nooit een wenk gaf, dat hij steeds naar zijne vrouw

zocht;—terwijl hij den naam van Jones niet eens genoemd had. Want

ofschoon, hij zich voorgenomen had met hem te vechten waar hij hem ook

vond, handelde hij niet naar het voorbeeld van zekere voorzigtige

menschen, die zich verbeelden, dat eene vrouw eene moeder, eene zuster,

of soms zelfs de geheele familie, bij dergelijke gelegenheden de

veiligste getuigen zijn. Het eerste woord, dus, dat zij van dit een en

ander vernam kwam, over zijne lippen toen hij naar huis gebragt werd

uit de herberg, waar men hem verbonden had.

Daar de heer Fitzpatrick echter nooit op de meest duidelijke wijze iets

wist te vertellen en thans welligt iets meer verward was dan anders,

duurde het een tijdlang eer zij ontdekte dat de heer, die hem gewond

had, dezelfde persoon was, die in haar hart eene wond geslagen had,

welke, ofschoon niet doodelijk, zoo diep was, dat ze een zwaar

lidteeken achterliet. Zoodra zij echter vernam dat de heer Jones zelf

de man was, dien men, wegens den veronderstelden moord, naar de

gevangenis had gebragt, nam zij de eerste gelegenheid waar om den heer

Fitzpatrick aan de zorg der ziekenoppaster over te laten en haastte

zich om zijn overwinnaar op te zoeken.

Zij trad nu met de meeste opgeruimdheid binnen, welke echter dadelijk

getemperd werd door de bedroefde houding van den armen Jones, die,

zoodra hij haar herkende, van verbazing opsprong.

Hierop zeide zij: „Het verwondert me geenszins, dat gij verrast zijt.

Ik denk niet dat gij u voorsteldet mij te zullen zien; want weinige

heeren worden hier geplaagd door andere dames dan door hunne vrouwen.

Maar gij ziet, mijnheer Jones, welke magt gij nog over mij bezit! Ik

dacht weinig, inderdaad, toen wij te Upton van elkaar scheidden, dat

wij elkaar voor het eerst op zulk eene plaats als deze weerzien

zouden!”

„Ik moet u wezenlijk zeer dankbaar zijn voor dit bezoek, mevrouw,”

hernam Jones. „Slechts weinige menschen volgen den ongelukkige,—vooral

niet naar zulk een treurig verblijf als dit.”

„Wel, mijnheer Jones,” riep zij, „ik kan me werkelijk naauwelijks

verbeelden dat gij dezelfde prettige mensch zijt, dien ik te Upton

ontmoette! Wel! Uw gezigt is droeviger dan de droevigste gevangenis ter

wereld! Wat scheelt u toch?”

„Ik verbeeldde mij, mevrouw,” antwoordde Jones, „dat, daar gij wist dat

ik hier was, gij ook weten zoudt om welke ongelukkige reden.”

„Bah!” riep zij; „gij hebt een man in een tweegevecht overhoop

gestoken! Is dat alles?”

Jones drukte zijne verontwaardiging uit over deze ligtzinnigheid, en

sprak met het meeste berouw over hetgeen er gebeurd was.

„Kom, kom!” riep zij, „als gij het u zóó aantrekt, mijnheer, zal ik u

dadelijk licht geven! Die mijnheer is niet dood, en ik ben zoo wat

zeker, dat er geen gevaar voor zijn leven bestaat. De heelmeester, die

het eerste verband legde, was een jong mensch, die goedvond om de zaak

zoo ernstig mogelijk voor te stellen, om des te meer eer in te oogsten

als hij hem genas; maar ’s Konings heelmeester is er later bij

geroepen, en zegt, dat als er geene koortsen bij komen, waarvan tot nu

toe geen spoor is te bemerken, zijn leven volstrekt niet in gevaar is.”

Het gelaat van Jones helderde op bij dit berigt, welks juistheid zij

bevestigde door te zeggen: „Door een der vreemdste toevallen ter

wereld, woon ik in hetzelfde huis met hem, en heb ik dien heer zelve

gesproken. Ik kan u verzekeren, dat hij u regt laat wedervaren, en

zegt, dat, wat ook de gevolgen zijn, hij de eerste aanvaller was en dat

gij hoegenaamd geen schuld hebt.”

Jones was zeer verheugd over hetgeen mevrouw Waters hem mededeelde, en

maakte haar thans bekend met allerlei dingen die zij reeds wist, zoo

als wie de heer Fitzpatrick was, de aanleiding tot diens wrok, enz. Hij

deelde haar ook het een en ander mede dat haar onbekend was, zoo als

het avontuur met de mof, en andere bijzonderheden, terwijl hij alleen

den naam van Sophia verzweeg. Daarop betreurde hij de dwaasheden en de

ligtzinnigheid, waaraan hij zich schuldig had gemaakt, welke, naar hij

zeide, zulke treurige gevolgen hadden gehad, dat het onvergeefelijk zou

zijn als hij ze niet als eene waarschuwing beschouwde, om voor het

vervolg alles van dien aard te vermijden. Eindelijk besloot hij met

haar te verzekeren, dat hij zich vast voorgenomen had nooit meer te

zondigen, ten einde zich geene zwaardere bestraffing op den hals te

halen.

Mevrouw Waters dreef zeer geestig den spot met dit voornemen, als niets

anders dan het gevolg van neerslagtigheid en opsluiting. Zij rakelde

een oud spreekwoord op, over den duivel, „die monnik wilde worden toen

hij ziek was,” en verzekerde hem, „dat zij de gegronde hoop koesterde

van hem spoedig in vrijheid te zien, en even levenslustig als vroeger;

en dan,” zeide zij, „twijfel ik niet dat uw geweten bevrijd zal blijven

van al die knagingen, welke slechts door een ziekelijken toestand

worden veroorzaakt.”

Zij zeide nog veel meer van dezen aard, waarvan een heele boel haar

weinig tot eer zou strekken in de meening van den lezer,—en wij zijn

ook maar half overtuigd dat sommige lezers niet spotten zouden met de

antwoorden van Jones. Wij zullen dus het overige van dit gesprek

verzwijgen, en slechts verzekeren, dat het in alle eer en deugd afliep,

en veel meer tot het genoegen van Jones dan tot dat der dame; want hij

was zeer verheugd over de tijding welke zij hem bragt, terwijl zij

minder in haar schik was met het berouwvolle gedrag van een man, van

wien zij bij de eerste ontmoeting een heel ander denkbeeld opgevat had,

dan zij thans koesterde.

Dus werd de droefheid door het berigt van den heer Nightingale

veroorzaakt, voor goed uitgewischt, terwijl zijne neerslagtigheid over

de tijding door jufvrouw Miller gebragt, steeds voortduurde. Hetgeen

zij hem gemeld had, kwam zoo goed overeen met de woorden van Sophia

zelve in haar brief, dat hij er volstrekt niet aan twijfelde, dat zij

zijn schrijven aan hare tante medegedeeld had, en vast besloten had om

hem op te geven. De kwellingen, welke deze gedachten veroorzaakten,

konden nog slechts geëvenaard worden door eene andere tijding, welke

hem te wachten stond, en die wij in het tweede hoofdstuk van het

volgende boek zullen mededeelen.

Tom Jones · 第 311 / 340 题