BEVATTENDE ALLERLEI ZAKEN.

Eer wij tot den heer Jones terugkeeren, moeten wij nog een blik op

Sophia werpen.

Hoewel die jonge dame hare tante in den besten luim gebragt had door de

verzoenende maatregelen, waarvan wij reeds gesproken hebben, had zij

haar toch niet kunnen overhalen om het minst in haren ijver te

verflaauwen voor het huwelijk met Lord Fellamar. Deze ijver werd dan

ook aangeblazen door Lady Bellaston, die mejufvrouw Western den vorigen

avond verzekerd had, dat zij door het gedrag van Sophia en door hare

houding tegenover Milord, overtuigd was, dat eenig uitstel hoogst

gevaarlijk zou zijn, en dat de eenige wijze om te slagen, zou zijn om

het huwelijk zoo overhaast door te zetten, dat de jonge dame geen tijd

kreeg om zich te bedenken, en zich hare toestemming liet afpersen eer

zij eigenlijk wist wat zij deed. Op deze wijze, hield zij vol, worden

de meeste huwelijken onder menschen van hoogen stand gesloten;—een feit

dat hoogst waarschijnlijk ontegenzeggelijk is, en waaraan, denkelijk,

de onderlinge liefde toe te schrijven is, welke later onder zoo vele

gelukkige paren heerscht.

Een wenk van dezen aard werd door dezelfde dame aan Lord Fellamar

gegeven en beiden waren zóó met den raad ingenomen, dat, op verzoek van

Milord, de volgende dag vastgesteld werd door mejufvrouw Western, voor

de eerste ontmoeting van het jonge paar onder vier oogen. Dit werd aan

Sophia door hare tante medegedeeld, die er zoo stellig en vast op

aandrong, dat Sophia, na te vergeefs alles in het midden te hebben

gebragt, wat zij bij mogelijkheid bedenken kon, eindelijk genoodzaakt

was, het hoogste bewijs van beleefdheid te geven, dat men van eene

jonge dame vergen kan, en er in toe te stemmen dat zij Milord zou

ontvangen.

Daar gesprekken van dezen aard weinig onderhoudends opleveren, zal men

het ons ten goede houden, indien wij het geheele onderhoud niet

herhalen, gedurende hetwelk Milord op de meest hartstogtelijke wijze

zijne opregte en vurige liefde betuigde, tot dat Sophia, die tot dus

ver gezwegen en gebloosd had, eindelijk moed vatte, en met eene zachte,

bevende stem zeide:

„Milord, gij moet zelf u bewust zijn of uwe vorige houding

overeenkomstig is geweest met uwe tegenwoordige verzekeringen.”

„Is er dan geene wijze,” hernam hij, „waarop ik vergiffenis kan krijgen

voor mijn waanzin? Ik vrees maar, dat mijne handelingen u bewezen

moeten hebben, dat de hevigheid mijner liefde mij van het verstand

beroofd had.”

„Het hangt inderdaad alleen van u af, Milord,” zeide zij, „om mij een

bewijs eener toegenegenheid te geven, hetwelk ik op hoogen prijs zou

stellen, en waarvoor ik u werkelijk dankbaar zou wezen.”

„Noem het slechts!” riep Milord, met vuur.

„Milord,” hernam zij, de oogen nederslaande op haren waaijer, „ik weet

dat het u bekend moet wezen hoe ongelukkig ik gemaakt word door deze

uwe geveinsde liefde—”

„Kunt gij de wreedheid hebben,” riep hij, „om ze geveinsd te noemen?”

„Ja, Milord,” luidde haar antwoord; „alle liefdesbetuigingen tegenover

menschen, die wij vervolgen, zijn beleedigende voorwendselen. Uw

aanzoek wordt voor mij nu eene wreede vervolging;—ja,—gij maakt een

onedelmoedig gebruik van mijn ongelukkigen toestand!”

„Beminde, aanbiddenswaardige!” riep hij, „beschuldig mij niet van eene

onedelmoedige vervolging, terwijl ik geene andere gedachte koester dan

om tot uw belang, uwe eer bij te dragen,—terwijl ik alleen met het

voornemen bezield ben, om mijzelven, mijn stand, mijn vermogen, mijn

alles aan uwe voeten neder te leggen!”

„Milord,” hernam zij, „het is juist door uw stand en vermogen dat gij

een voordeel bezit, waarover ik me beklaag. Dat zijn bekoorlijkheden,

welke mijne bloedverwanten verleid hebben;—ik ben er geheel

onverschillig voor. Als gij, Milord, mij werkelijk dankbaar wilt maken,

is er slechts één middel—”

„Vergeef me, schoonste,” viel hij haar in de rede, „daar kan geen

middel bestaan om uwe dankbaarheid te verdienen! Al wat ik voor u zou

kunnen doen, komt u van regtswege toe en zal mij zoo gelukkig maken,

dat er geene sprake kan wezen van dankbaarheid.”

„Maar werkelijk, Milord,” hernam zij, „staat het aan u om mijne

dankbaarheid, mijne welwillendheid, en mijne meest vriendschappelijke

wenschen in alle opzigten waarin ik zulks vermag, te verwerven;—ja, en

dat kunt gij gemakkelijk doen;—want, het zal een edel hart niet veel

kosten om aan mijn verzoek te voldoen. Laat mij u smeeken dan eene

vervolging te staken, waarin gij nooit slagen kunt. Om uwentwil,

evenzeer als om den mijne, smeek ik deze gunst van u af; want gij zijt

zeker te edelmoedig om er behagen in te scheppen een ongelukkig wezen

te kwellen. Wat kunt gij, Milord, u anders voorstellen dan kwellingen

ook voor u zelven door eene volharding, welke op mijn woord, ja, bij

mijne zaligheid!—bij mij niets bewerken zal, aan welke ellende gij mij

ook daardoor moogt blootstellen!”

Milord slaakte thans een zwaren zucht en zeide: „Is dit daaraan toe te

schrijven, mejufvrouw, dat ik het ongelukkige voorwerp ben van uwen

afkeer en uwe verachting,—of,—vergeef mij de veronderstelling,—is er

iemand anders—?”

Hier aarzelde hij, en Sophia hernam, met eenige drift: „Milord, ik ben

u geene verantwoording schuldig voor mijn gedrag. Ik ben u zeer

dankbaar voor uw eervoel aanzoek; ik beken dat het mijne verdiensten en

verwachtingen verre overtreft; maar ik hoop, Milord, dat gij er niet op

staan zult, dat ik u eenige redenen geef, als ik zeg, dat ik het van de

hand moet wijzen.”

Lord Fellamar gaf een heele boel hierop tot antwoord, dat niet zeer

verstaanbaar was, en hetwelk welligt niet al te zeer onvereenkomstig de

regels van de taalkunde en van het gezond verstand was; maar hij

eindigde zijne hoogdravende redevoering met te zeggen: „Dat als zij

reeds aan den een of anderen fatsoenlijken man verloofd was, hoe

ongelukkig hij zich ook gevoelde, hij zich uit eergevoel genoodzaakt

zou zien om zich verder terug te trekken.”

Welligt legde Milord te veel klem op het woord „fatsoenlijk man,”

anders weten wij de verontwaardiging niet te verklaren, waarmede Sophia

thans bezield was, die in haar antwoord zeer vertoornd scheen over de

eene of andere beleediging, welke hij haar toegevoegd had.

Terwijl zij nog met meer verheffing van stem dan gewoonlijk sprak, trad

mejufvrouw Western in de kamer, met gloeijende wangen en vlammende

oogen.

„Ik moet mij schamen, Milord,” riep zij, „over de wijze waarop gij hier

ontvangen wordt! Ik verzeker u, Milord, dat wij allen zeer gevoelig

zijn voor de eer, welke gij ons aandoet, en ik moet u, mejufvrouw,

verklaren, dat de geheele familie eene gansch andere houding van u

eischt!”

Hier kwam Milord ten behoeve der jonge dame tusschenbeide, maar te

vergeefs;—de tante hield vol tot Sophia den zakdoek te voorschijn

haalde, zich op een stoel wierp en een vloed van tranen stortte..

Het overige van het gesprek tusschen mejufvrouw Western en Milord, tot

deze laatste zich verwijderde, bestond uit bittere klagten van zijn

kant en uit de krachtigste betuigingen van de hare, dat hare nicht

toegeven moest, en dat ook doen zoude.

„Inderdaad, Milord,” zeide zij, „het meisje heeft eene allerdwaasste

opvoeding gehad, die noch met haar vermogen, noch met hare afkomst

overeenkomstig was. Het spijt mij te moeten bekennen, dat haar vader

schuld aan alles heeft. Het meisje is behebt met eene domme,

plattelandsche bedeesdheid. Het is anders niets, Milord, daar geef ik u

mijn woord op. Ik ben ook overtuigd dat het haar eigenlijk niet aan

verstand hapert, en dat zij spoedig naar rede zal luisteren.”

Dit laatste zeide zij in de afwezigheid van Sophia, die reeds de kamer

verlaten had, met meer uiterlijke vertooning van drift, dan zij ooit

bij eenige vroegere gelegenheid aan den dag had gelegd, en thans nam

ook Milord afscheid van mejufvrouw Western, met vele dankbetuigingen en

vurige verklaringen van eene liefde, die onoverwinnelijk was, en

waarbij hij stellig voornemens was te volharden,—waartoe Sophia’s tante

hem ten sterkste aanmoedigde.

Eer wij nu verder vermelden wat er tusschen mejufvrouw Western en

Sophia voorviel, is het noodig iets te zeggen van eene zeer ongelukkige

omstandigheid, welke tot de drift en plotselinge verschijning van

mejufvrouw Western had aanleiding gegeven.

De lezer moet dan vernemen, dat de meid, die thans Sophia bediende,

door Lady Bellaston aanbevolen was, bij wie zij een tijdlang als tweede

kamenier gediend had. Het was een zeer vlug meisje, dat ook de stipste

bevelen ontvangen had, om hare jonge meesteresse zeer streng te

bewaken. Het spijt ons te moeten bekennen dat deze bevelen haar gegeven

werden door jufvrouw Honour, in wier gunst Lady Bellaston thans zoo

hoog geklommen was dat de hevige liefde, welke de kamenier vroeger

Sophia toegedragen had, nu geheel uitgewischt was door de groote

gehechtheid, welke zij thans koesterde tot hare nieuwe gebiedster.

Zoodra echter jufvrouw Miller weg was gegaan, en Betsy (gelijk zij

heette) bij hare meesteresse terugkeerde, vond zij haar geheel en al

verdiept in de lektuur van een langen brief, en de blijkbare

aandoening, welke zij liet zien bij die gelegenheid, had wel bij het

meisje eenige verdenking kunnen opwekken,—welke echter nog een beteren

grondslag had,—daar zij alles gehoord had wat tusschen Sophia en

jufvrouw Miller voorgevallen was.

Door Betsy werd dan mejufvrouw Western met alles bekend gemaakt, die na

vele loftuitingen en eene ruime belooning voor hare getrouwheid, het

bevel ontving om als die vrouw ooit wederkwam, haar dadelijk bij

mejufvrouw Western zelve te brengen.

Ongelukkig verscheen nu jufvrouw Miller juist terwijl Sophia met Milord

in gesprek was. Volgens het haar gegeven bevel, bragt Betsy haar

dadelijk bij de tante, die al van zoo veel onderrigt zijnde, dat den

vorigen dag gebeurd was, gemakkelijk de arme vrouw er toe bragt om te

gelooven dat Sophia alles medegedeeld had;—waardoor het mejufvrouw

Western ook gelukte om alles van haar te vernemen, wat den brief en

Jones zelven betrof.

Het arme schepsel was dan ook de eenvoudigheid zelve. Zij was een van

die menschen, welke geneigd zijn alles te gelooven wat men hun

vertelt;—die van nature niet voorzien zijn van de offensieve of

defensieve wapens van het bedrog, en die dus voorbestemd schijnen om

door iedereen gefopt te worden, die zich de moeite verkiest te geven om

het te beproeven. Mejufvrouw Western alles uit jufvrouw Miller gehaald

hebbende, wat deze wist, hetwelk inderdaad niet heel veel was, maar

toch genoeg om de tante een heele boel te doen gissen, ontsloeg haar

met de verzekering dat Sophia haar niet zien wilde, dat zij geen

antwoord op den brief wilde geven, en ook geen tweeden ontvangen, en

liet haar niet vertrekken zonder eene strenge les over de verdiensten

van een ambt, dat zij voor niets beters hield dan dat van eene

koppelaarster.—Dit een en ander dan had de tante reeds eenigzins

ontstemd, toen zij in de kamer trad, belendende aan die waarop de

adellijke vrijer ontvangen werd, en waar zij Sophia met zoo veel vuur

het aanzoek van Milord van de hand hoorde wijzen. Hierop brak de toorn,

welken zij zoo lang verkropt had, in volle vlam uit, en zij viel hare

nicht op eene woedende wijze aan, zooals wij reeds beschreven hebben,

tegelijk met hetgeen verder voorviel, tot Milord vertrokken was.

Zoodra Lord Fellamar zich verwijderd had, keerde mejufvrouw Western tot

Sophia terug, die zij met veel bitsheid het misbruik verweet van het in

haar gestelde vertrouwen,—tegelijk met hare oneerlijkheid, dat zij

briefwisseling onderhield met een man, van wien zij den vorigen dag

zich bij eede had willen verbinden nooit iets meer te zullen aannemen.

Sophia verklaarde dat zij hoegenaamd geene briefwisseling met hem

onderhield.

„Hoe! Wat! Durft gij, gij mejufvrouw Western, loochenen, dat gij

gisteren een brief van hem ontvingt?” gilde hare tante.

„Een brief!” riep Sophia, eenigzins verbaasd.

„Het is niet zeer beleefd, mejufvrouw, om mijne woorden te herhalen,”

hernam de tante; „maar ja, een brief, zeg ik! En ik sta er op dat gij

mij dien laat lezen!”

„Ik zou het beneden mij achten om eene onwaarheid te vertellen, tante,”

hernam Sophia. „Ik heb gisteren wèl een brief ontvangen, maar zonder

mijn toedoen,—ja zelfs, tegen mijn zin, mag ik wel zeggen.”

„Zoo, mejufvrouw!” riep hare tante; „gij moest u schamen te bekennen

dat gij zoo’n brief ontvangen hadt;—maar waar is die brief? Want zien

zal ik hem!”

Op dit stellig bevel aarzelde Sophia een tijdlang eenig antwoord te

geven; eindelijk echter verontschuldigde zij zich met te verklaren dat

zij hem niet op zak had, wat stipt waar was,—waarop haar tante’s geduld

uitgeput scheen, en deze haar kortaf vroeg, of zij Lord Fellamar wilde

trouwen, ja of neen?—Wat Sophia ten stelligste weigerde.

Mejufvrouw Western hernam hierop met een vloek, of met iets dat er

digtbij kwam, dat zij haar den volgenden morgen weder aan haar vader

zou overleveren.

Sophia begon nu op de volgende wijze met hare tante te redeneren.

„Wel, tante, welke noodzakelijkheid bestaat er toch dat ik ooit huwen

zou? Bedenk maar hoe zwaar gij dat zelve, in uw eigen geval vondt, en

hoe veel liefderijker uwe ouders waren, die u vrij lieten! Wat heb ik

gedaan om die vrijheid te verbeuren? Ik zal nooit in het huwelijk

treden zonder mijns vaders toestemming,—of zonder de uwe te vragen. En

als ik die tegen uw zin verlang, zal het vroeg genoeg wezen om mij tot

een ander huwelijk te dwingen.”

„Mijn hemel! Hoe zou ik dit kunnen aanhooren van een meisje, dat met

een brief van een moordenaar op zak loopt?” riep mejufvrouw Western.

„Ik heb dien brief niet bij mij, dat houd ik vol,” hernam Sophia, „en

als het schrijven van een moordenaar komt, zal hij spoedig buiten staat

zijn om u eenige verdere zorg te baren!”

„Hoe, mejufvrouw Western!” hernam de tante, „hebt gij de

onbeschaamdheid om zoo van hem te spreken,—om mij, in het aangezigt,

uwe liefde tot zulk een schurk te bekennen?”

„Gij legt toch mijne woorden op eene zeer vreemde wijze uit, tante!”

riep Sophia.

„Wat mij betreft, mejufvrouw Western,” hernam de andere, „ik verkies

niet langer mij zoo door u te laten behandelen;—gij hebt dat van uw

vader geleerd;—hij heeft u geleerd mij tot eene leugenaarster te maken!

Hij heeft u geheel bedorven, door zijn verkeerd stelsel van opvoeding,

en zoo de hemel wil, zal hij er de schoone vruchten van plukken; want,

nog eens! morgen zal ik u bij hem terug brengen, dat verzeker ik u! Ik

zal mijne strijdkrachten uit het veld terugtrekken, en voortaan, even

als de wijze koning van Pruisen, de strengste onzijdigheid in acht

nemen. Gij verbeeldt u beide te wijs te zijn om u naar mijn raad te

schikken; dus houd u gereed; want morgen zult gij hier de deur uit!”

Sophia deed haar best om haar te vermurwen; maar hare tante bleef doof

voor al wat zij zeggen kon,—en in dezen toestand moeten wij thans die

dame verlaten, daar er geene hoop schijnt te bestaan om haar van zin te

doen veranderen.

Tom Jones · 第 309 / 340 题