Jufvrouw Miller had een lang gesprek met den heer Allworthy, toen hij,
na tafel, naar huis kwam, waarin zij hem vertelde hoe de heer Jones,
ongelukkig al het geld verloren had, hetwelk zijn weldoener bij hunne
scheiding hem gegeven had, en hem verhaalde van den nood waarin hij,
ten gevolge van dat verlies, verkeerd had;—wat zij zelve vernomen had
van den getrouwen babbelaar Partridge. Daarop legde zij uit welke
verpligtingen zij aan Jones had, zonder evenwel alles te zeggen van
hare dochter; want hoewel zij het meeste vertrouwen stelde in den heer
Allworthy, en er geene hoop bestond om de zaak geheim te houden, die
reeds aan meer dan een half dozijn menschen bekend was, kon zij toch
niet over zich verkrijgen om die omstandigheden, welke de arme Nancy
tot schande strekken moesten, te vermelden;—maar onderdrukte dat
gedeelte van hare getuigenis even voorzigtig, alsof zij voor den regter
geroepen ware geweest en het meisje wegens kindermoord te regt stond.
Allworthy antwoordde haar, dat er slechts weinige menschen waren, zoo
geheel bedorven, dat zij hoegenaamd tot niets goeds in staat zijn. „Ik
kan echter niet ontkennen,” zeide hij, „dat gij eenige verpligtingen
aan dien vent hebt, hoe slecht hij ook zij, en ik zal u dus alles wat
er voorgevallen is, vergeven; maar sta er toch op, dat gij hem nooit
weder in mijn bijzijn noemt; want ik verzeker u, dat ik slechts na de
duidelijkste en meest overtuigende bewijzen, heb kunnen besluiten tot
de maatregelen, waartoe ik me verpligt zag ten zijnen opzigte.”
„Nu, mijnheer,” hernam zij, „daaraan mag ik volstrekt niet twijfelen;
maar, met der tijd, zal alles in het ware daglicht verschijnen, en dan
zult gij overtuigd worden, dat deze arme jongen meer goeds van u
verdient dan andere menschen, die ik me wel wachten zal te noemen.”
„Jufvrouw,” riep Allworthy, eenigzins driftig; „ik wil geene
betichtingen hooren van mijn neef, en als gij ooit weder een enkel
woord van dien aard zegt, zal ik oogenblikkelijk uw huis verlaten. Hij
is een beste, brave jongen, en ik herhaal nog eens, dat hij eigenlijk
zijne vriendschap tot dien vent tot zwakheid toe overdreven heeft, door
te lang de zwartste misdaden, die hij bedreven had, geheim te houden.
Ik ben het meeste kwaad om de ondankbaarheid van dien ellendeling ten
opzigte van dezen goeden jongen; want, jufvrouw, ik heb zeer gegronde
redenen om te veronderstellen dat hij een plan beraamd had om mijn neef
in mijne gunst te verdringen en om hem door mij te doen onterven.”
„Ik weet zeker, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, niet zonder
benaauwdheid;—want hoe zoet en bekoorlijk ook de glimlach van den heer
Allworthy was, had zijn vertoornde blik steeds iets zeer
ontzagwekkends,—„dat ik nooit een woord zal zeggen tegen iemand met
wien gij ingenomen zijt. Ik ben overtuigd, mijnheer, dat zoo iets mij
zeer misstaan zou, vooral als het een uwer naaste bloedverwanten is;
maar, mijnheer, gij moogt werkelijk niet op mij boos worden omdat ik
partij trek voor dien ongelukkige!—Zóó mag ik hem nu zeker noemen;
hoewel gij stellig eens boos op mij zoudt geweest zijn, als ik het
gewaagd had om zijn naam zonder den meesten eerbied uit te spreken! Hoe
dikwerf heb ik u niet hem uw zoon hooren noemen? Hoe dikwerf hebt gij
niet met vaderlijke liefde van hem gesproken? Neen, mijnheer! Ik kan al
de liefderijke uitdrukkingen, het vele goede niet vergeten dat gij mij
verteld hebt van zijne schoonheid, zijn aanleg, zijne deugden, zijne
goedaardigheid en zijne edelmoedigheid! Neen, mijnheer, dat kan ik niet
vergeten; want ik weet nu dat alles waar was! Ik heb er bewijzen van
gehad in mijn eigen huisgezin. Hij is de redder mijner familie geweest.
Gij moet mij mijne tranen vergeven, mijnheer,—werkelijk, dat moet gij
doen, als ik bedenk welk een wreeden ommekeer in zijn lot deze arme
jongen, aan wien ik zoo veel te danken heb, ondervonden heeft;—vooral
als ik daarbij het verlies van uwe liefde in aanmerking neem, welke
hij, naar ik zeker weet, op hooger prijs stelde dan zijn eigen leven.
Ja, ik moet, en zal hem beklagen! Al hadt gij een dolk in de hand, om
mij het hart te doorboren, ik zou nog de ellende beklagen van den
ongelukkige, dien gij bemind hebt, en dien ik steeds beminnen zal!”
Allworthy was zeer aangedaan door deze woorden, maar naar het scheen
volstrekt niet vertoornd, want, na eene korte stilte, reikte hij
jufvrouw Miller de hand en zeide, zeer liefderijk: „Kom, jufvrouw,
laten wij thans over uwe dochter spreken. Ik kan het u niet kwalijk
nemen, dat gij u zoo ingenomen toont met een huwelijk, dat zoo
voordeelig belooft te zijn; maar gij weet wel, dat dit laatste
grootendeels afhangt van eene verzoening met haren schoonvader. Ik ken
den ouden heer Nightingale zeer goed, en heb vroeger zaken met hem
gehad; ik zal hem dus een bezoek brengen en trachten u in deze zaak bij
te staan. Ik geloof wel dat het een heel wereldsch mensch is; maar daar
het zijn eenigen zoon geldt, en aan de zaak thans niet meer te
veranderen valt, zal hij welligt op den duur geneigd zijn naar rede te
luisteren. Ik beloof u mijn best voor u te doen.”
De arme vrouw dankte Allworthy herhaaldelijk voor dit vriendelijk en
edelmoedig aanbod, maar kon niet nalaten op nieuw de gelegenheid waar
te nemen, om van hare dankbaarheid tot Jones gewag te maken.
„Aan hem,” zeide zij, „is het toe te schrijven, dat ik nu in het geval
ben om gebruik van uwe goedheid te kunnen maken.”
Allworthy legde haar vriendelijk het stilzwijgen verder op; maar hij
was een te goed mensch om zich werkelijk beleedigd te gevoelen door de
uitwerking van zulk een edel grondbeginsel als dat waarmede jufvrouw
Miller thans bezield was;—en wezenlijk, als hetgeen hem pas van Jones
verteld was door Blifil zijn toorn niet weder opgewekt had, is het niet
onmogelijk, dat hij eenigzins gunstiger voor hem gestemd zou zijn
geworden na het vernemen van eene handeling, welke de boosheid zelve
aan geene slechte beweegreden had kunnen toeschrijven.
De heer Allworthy en jufvrouw Miller waren reeds meer dan een uur bij
elkaar geweest, toen hun gesprek afgebroken werd door de komst van
Blifil met iemand anders,—namelijk, met den zeer gewigtigen mijnheer
Dowling, den zaakwaarnemer, die een groote gunsteling was geworden van
den heer Blifil en dien de heer Allworthy, op verzoek van zijn neef,
tot zijn rentmeester benoemd had, terwijl hij hem tevens aan den heer
Western aanbeval, van wien de zaakwaarnemer de belofte ontving van ook
door hem tot hetzelfde ambt benoemd te worden zoodra de gelegenheid
zich daartoe voordeed. Inmiddels was hij bezig met eenige zaken te
Londen,—welke betrekking hadden tot een hypotheek,—voor den landjonker
in orde te brengen.
Dit was de voornaamste aanleiding tot mijnheer Dowlings aanwezigheid in
Londen, terwijl hij de gelegenheid waarnam om zich met wat geld voor
den heer Allworthy te belasten, en hem zijn rapport te doen over andere
zaken,—waarin wij den oom, den neef en den zaakwaarnemer verdiept
zullen laten, daar ze veel te vervelend van aard waren om in deze
geschiedenis vermeld te worden,—terwijl wij ons met iets anders bezig
houden.