Het was volstrekt niet moeijelijk om toegang tot de jonge dame te
krijgen; want, daar zij nu op den meest vriendschappelijken voet met
hare tante leefde, had zij volmaakte vrijheid, om zoo vele bezoekers,
als zij verkoos, te ontvangen.
Sophia was juist bezig met zich te kleeden, toen men haar kwam zeggen,
dat er eene dame beneden was, die haar verlangde te spreken. Daar zij
niet vreesde om iemand van haar eigen geslacht te ontvangen en niets
had waarvoor zij zich behoefde te schamen, werd jufvrouw Miller
dadelijk boven gelaten.
Nadat de gewone groeten en pligtplegingen tusschen vrouwen, die elkaar
vreemd zijn, gewisseld waren, zeide Sophia:
„Ik heb toch niet het genoegen van u te kennen, jufvrouw?”
„Dat is zoo, mejufvrouw,” antwoordde de andere, „en ik moet u wel
verschooning vragen als ik u kom lastig vallen. Maar als gij weet, wat
mij genoopt heeft om bij u te komen—”
„Wel, wat is er tot uwe dienst?” vroeg Sophia, al eenigzins ontroerd.
„Mejufvrouw, ik zou u gaarne onder vier oogen spreken,” hernam jufvrouw
Miller, zachtjes.
„Betsy, ga maar naar beneden,” zei Sophia.
Zoodra de kamenier weg was, zeide jufvrouw Miller:
„Een jonge heer, die zeer ongelukkig is, verzocht mij u dezen brief
over te geven.”
Sophia verbleekte toen zij het adres las, daar zij het schrift wel
kende, en zeide eindelijk aarzelende:
„Naar uw uiterlijk te oordeelen, jufvrouw, zou ik me niet verbeeld
hebben, dat gij mij iets van dezen aard te zeggen hadt. Van wien ook
dezen brief kome, ik zal hem niet open maken. Het zou mij spijten
iemand onbillijk te verdenken;—maar gij zijt mij geheel onbekend.”
„Als ik niet te veel van uw geduld verg, jufvrouw,” hernam de andere,
„zal ik u zeggen wie ik ben en hoe ik aan dien brief ben gekomen.”
„Ik ben hoegenaamd niet nieuwsgierig, jufvrouw,” hernam Sophia, „en
moet er op staan, dat gij den brief terug brengt aan den persoon, die
hem u gegeven heeft.”
Jufvrouw Miller viel nu op de knieën, en riep met de meeste
hartstogtelijkheid haar medelijden in; waarop Sophia zeide:
„Wel, jufvrouw, ik sta verbaasd, dat gij zooveel belang stelt in dien
persoon! Ik zou niet willen denken, dat—”
„Gij moet niets denken dan de waarheid, jufvrouw!” riep de andere; „ik
zal u alles vertellen en gij zult u er niet over verwonderen dat ik
belang in hem stel. Hij is de goedaardigste mensch ter wereld!”—Hierop
ging zij voort met het verhaal van hetgeen er met Henderson was
gebeurd.—Daarna vervolgde zij met te zeggen: „Dit, jufvrouw, is slechts
één staaltje van zijne goedheid; maar ik heb nog verpligtingen van veel
teederder aard aan hem. Hij heeft mijne dochter van den ondergang
gered.”—En hiermede, onder vele tranen, verhaalde zij alles, alleen met
uitzondering van die omstandigheden, welke hare dochter benadeeld
zouden hebben, en eindigde met te zeggen: „En nu, jufvrouw, laat ik het
aan u over te oordeelen, of ik ooit genoeg kan doen voor zulk een
vriendelijken, goedigen, edelmoedigen jongeling,—die zeker de beste en
waardigste der menschen is!”
Alle veranderingen op het gelaat van Sophia, waren, tot dusver,
voornamelijk op kosten harer schoonheid geweest, daar ze haar sterk
hadden doen verbleeken;—maar nu bloosde zij, zoo mogelijk, rooder dan
karmozijn, en riep uit:
„Ik weet werkelijk niet wat ik zeggen moet!—Zeker, kan men u niets
kwalijk nemen, wat gij alleen uit dankbaarheid doet;—maar, ik begrijp
niet, waartoe het dienen zou als ik dezen brief van uw vriend las, daar
ik vast besloten heb—”
Hier begon jufvrouw Miller op nieuw met smeeken, en zeide, Sophia’s
vergiffenis inroepende, dat zij den brief toch niet terugnemen kon.
„Nu, jufvrouw,” hernam Sophia, „het is mijne schuld niet als gij mij
het schrijven opdringen wilt!—Het staat aan u den brief hier te laten
of niet,—met of tegen mijn zin!”
Wat Sophia bedoelde, en òf zij iets bedoelde, waag ik niet te
beslissen; maar jufvrouw Miller vatte dit als een wenk op, en den brief
op tafel nederleggende, nam zij afscheid van haar, na eerst verlof
gevraagd te hebben om nog eens bij haar te mogen aankomen,—een verzoek
waarop Sophia ja noch neen zeide.
De brief echter bleef alleen zoo lang op tafel liggen tot jufvrouw
Miller weg was; want toen greep Sophia daarnaar en brak hem open.
Het schrijven baatte Jones echter zeer weinig; want het bevatte weinig
meer dan de bekentenis van zijne eigene onwaardigheid, en bittere,
wanhopige klagten, tegelijk met de plegtigste verklaringen van
onveranderlijke getrouwheid aan Sophia,—waarvan, zooals hij zeide, hij
haar hoopte te overtuigen, als hem ooit weder het geluk beschoren werd
haar onder de oogen te treden;—terwijl hij hoopte den brief aan Lady
Bellaston zoodanig te kunnen verklaren, dat hoewel hij geen regt kon
doen gelden op vergiffenis, hij vertrouwen mogt, dat zij hem die uit
barmhartigheid zou schenken. Hij eindigde met te zweren, dat hij nooit
eenig voornemen gekoesterd had om met Lady Bellaston in het huwelijk te
treden.
Hoewel Sophia den brief tot tweemaal toe, met de meeste aandacht
overlas, bleef haar zijne bedoeling toch raadselachtig, en kon zij, hoe
zij ook hare verbeelding inspande, geene verontschuldiging voor Jones
bedenken. Zij bleef ook zeker zeer boos op hem, hoewel Lady Bellaston
zelve in zulk eene hevige mate het voorwerp van haren toorn geworden
was, dat er slechts weinig van overbleef ten behoeve van anderen.
Die dame zou, ongelukkig, juist dien dag bij mejufvrouw Western aan
tafel komen, en ’s namiddags zouden alle drie op de receptie gaan bij
Lady Hatchett. Sophia zou zich gaarne overal verontschuldigd hebben,
maar wenschte hare tante niet te ergeren, en wat eene voorgewende
ziekte betreft,—het veinzen was iets zoo vreemds aan haar karakter, dat
zij daar niet eens aan dacht.
Zoodra zij gekleed was, ging zij dus naar beneden, zich onderwerpende
aan al de kwellingen, die haar dien dag nog te wachten stonden,—en die
dan ook bleken niet gering te zijn; want Lady Bellaston nam iedere
gelegenheid waar om haar hoogst beleefd en onder water een steek toe te
brengen, terwijl zij te neerslagtig was om zich te verweren,—en
inderdaad, om de waarheid te bekennen, ten allen tijde slechts heel
middelmatig de kunst verstond om een scherp antwoord te geven.
Een ander ongeluk voor de arme Sophia was het bijzijn van Lord
Fellamar, dien zij in de opera ontmoetten en die haar naar de receptie
volgde. En hoewel beide plaatsen te druk bezocht waren dan dat hij haar
afzonderlijk spreken kon, en zij verder verligt werd door de muzijk in
de ééne en het kaartspel op de andere plaats, kon zij zich echter niet
op haar gemak gevoelen in zijn gezelschap; want er is zekere kieschheid
in de vrouw, welke haar belet om gerust te zijn in de tegenwoordigheid
van een man, die, zooals zij weet, aanspraken op haar maakt, welke zij
niet geneigd is te begunstigen.
Daar wij in dit hoofdstuk reeds tweemaal het woord „receptie” genoemd
hebben,—een woord, dat naar wij hopen onverstaanbaar zal wezen voor het
late nageslacht in de beteekenis, waarin wij het gebezigd hebben,
zullen wij, hoeveel haast wij ook anders hebben, ons een oogenblik
ophouden, om de feestelijkheid te beschrijven, welke hier bedoeld
is,—en dat doen wij te eerder, daar wij heel kort kunnen zijn.
Eene „receptie” dan, is eene vergadering van goedgekleede menschen, van
beiderlei kunne, van welke de meesten aan de speeltafel gaan zitten, en
de anderen niets doen, terwijl de vrouw des huizes de rol van
herbergierster op zich neemt,—en even als deze zich verhoovaardigt over
het aantal harer gasten, hoewel het niet altijd gebeurt, dat zij, even
als de herbergierster, er iets aan verdient.
Geen wonder dus, dat, daar zoovele opgeruimdheid vereischt wordt om
deze droevige tooneelen te verlevendigen, dat wij menschen van hoogen
stand zoo dikwerf hooren klagen over gebrek aan levenslust,—eene
ziekte, die zich overigens bepaalt tot de groote wereld.
Wij kunnen ons dan verbeelden hoe ondragelijk deze ijdele kring voor
Sophia moet geweest zijn, op dit oogenblik,—hoe moeijelijk het haar
viel, om den schijn van vrolijkheid aan te nemen, terwijl hare ziel
vervuld was met de diepste smart en elke gedachte eene kwelling voor
haar opleverde.
De nacht echter schonk haar de eenzaamheid harer slaapkamer, en wij
zullen haar daar laten, om ten minste hare droefgeestigheid tot bedaren
te brengen, hoewel zij, naar wij vreezen, buiten staat zal zijn om
eenige rust te vinden, en zullen thans onze geschiedenis voortzetten,
welke nu,—te oordeelen naar een zeker voorgevoel,—op het punt staat om
eene zeer gewigtige gebeurtenis op te leveren.