BEVATTENDE IETS TER INLEIDING.

Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk

heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel

der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij

hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.

Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer

toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het

den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar

zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden

van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat

Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene

mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men

veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft

dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden

en eenige zedespreuken.

Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den

tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en

gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos

schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.

Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de

eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te

bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte

van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen

overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven

zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der

wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van

vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten

wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig

behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het

hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder

de galg te Tyburn.

Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men

veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van

die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver

te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer

belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel

vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om

zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet

schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg

stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid

opofferen, of het geloof van den lezer schokken.

Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne

fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst

heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een

geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand,

om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de

uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den

ligtgeloovigen lezer.

Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene

land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de

andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer

beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de

gevangenis wil redden.

De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne

verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven

moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van

deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen

beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones

kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is,

dat mij in het oor fluistert, dat hij het ergste wat hem wacht, nog

niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit

vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek

der toekomst.

Tom Jones · 第 297 / 340 题