Wij kunnen den lezer geen beter denkbeeld geven van den gemoedstoestand
van den heer Jones en van de folteringen, welke hij nu ondervond, dan
door te zeggen, dat zijne ellende zoo groot was, dat zelfs Thwackum hem
haast beklaagd zou hebben. Maar, hoe rampzalig hij ook zij, zullen wij
hem thans verlaten,—even als zijne beschermengel (zoo hij er ooit een
heeft gehad), schijnt gedaan te hebben.
En hiermede sluiten wij het zestiende boek van onze geschiedenis.