De lezer zal nu welligt de goedheid willen hebben met ons bij den heer
Jones terug te keeren, die op het bepaalde uur zijne opwachting maakte
bij mevrouw Fitzpatrick;—maar eer wij het gesprek opteekenen, dat daar
plaats had, zal het noodig zijn, volgens onze gewoonte, een eindje
terug te gaan, om de verandering in het gedrag der dame te verklaren,
die, na van woning veranderd te zijn, ten einde den heer Jones te
vermijden, thans zelve ijverig naar eene gelegenheid gezocht had om hem
te ontmoeten.
Om dit op te helderen, behoeven wij slechts de gebeurtenissen van den
vorigen dag te herinneren, toen mevrouw Fitzpatrick van Lady Bellaston
vernomen hebbende, dat de heer Western naar Londen gekomen was, hare
opwachting bij hem ging maken op zijne kamers in Piccadilly, waar zij
met vele gemeene scheldnamen ontvangen werd, die te grof zijn om hier
herhaald te worden, en hij zelfs dreigde „haar de deur uit te
schoppen.”
Van daar werd zij door eene bejaarde dienstmeid van hare tante Western,
die haar zeer goed kende, naar de woning van deze dame geleid, die haar
geenszins vriendelijker, maar wel met meer beleefdheid behandelde,—of
liever, met eene andere soort van onbeschoftheid. Met één woord, zij
keerde van beide terug in de vaste overtuiging, niet slechts dat haar
plan tot eene verzoening mislukt was, maar dat zij voortaan alle hoop
moest opgeven om, op welke wijze dan ook, daarin te slagen. Van dit
oogenblik bleef zij alleen bezield met wraakzucht, en daar zij in deze
stemming Jones in den schouwburg ontmoette, bood zich als het ware de
gelegenheid aan, om daaraan te voldoen.
De lezer zal zich herinneren, dat mevrouw Fitzpatrick zelve, onder het
verhalen van hare eigene lotgevallen, hem bekend had gemaakt met de
liefde, welke hare tante te Bath voor den heer Fitzpatrick gekoesterd
had, en dat zij zich door haar bedrogen ziende en teleurgesteld in hare
neiging, om die reden zoo verbitterd was geworden tegen mevrouw
Fitzpatrick. Deze twijfelde dan ook niet dat de goede dame even
gemakkelijk ingenomen zou wezen met eene schijnbare verliefdheid van
Jones, als vroeger met die van haren man;—want de heer Jones was
onbetwistbaar een veel bekoorlijker mensch, en zij besloot (met hoeveel
regt zal ik niet beslissen), dat de thans meer gevorderde leeftijd van
hare tante, eerder ten gunste dan ten nadeele van haar voornemen
pleitte.
Toen Jones dus bij haar verscheen, verklaarde zij hem eerst hoe zeer
zij verlangde om hem bij te staan, wat daaraan toe te schrijven was,
dat zij zoodoende Sophia grootelijks verpligten zou, en na eenige
verontschuldiging voor hare vroegere onverschilligheid, terwijl zij aan
Jones ook mededeelde onder wiens hoede Sophia zich thans bevond, wat
zij veronderstelde dat hem onbekend was, legde zij hem zeer duidelijk
haar plan bloot, en ried hem aan, schijnbaar het hof te maken aan de
meer bejaarde dame, ten einde des te gemakkelijker toegang tot de
jongere te krijgen, hem terzelfder tijd herinnerende aan het welslagen
van den heer Fitzpatrick, dat hij aan eene dergelijke list te danken
had gehad.
Mijnheer Jones uitte zijne groote dankbaarheid jegens de dame voor hare
vriendelijke bedoelingen ten zijnen opzigte,—welke uit hetgeen zij hem
voorstelde, zoo duidelijk bleken; want behalve dat hij een gering
vertrouwen had op het welslagen van het plan, daar de dame zijne liefde
tot hare nicht kende,—wat niet het geval was geweest met mevrouw
Fitzpatrick,—zeide hij bevreesd te zijn dat Sophia er nooit in zou
toestemmen eene dergelijke list te gebruiken, daar zij zoo’n bepaalden
afkeer had van al wat op onopregtheid geleek, en nooit haren pligt
tegenover hare tante zoude verzaken.
Mevrouw Fitzpatrick was hierover eenigzins geraakt, en inderdaad, als
wij het er niet voor mogen houden dat Jones zich verpraatte, was het
wel eene kleine afwijking van de beleefdheid, waartoe hij zich nooit
zou hebben laten verleiden, ware het niet, dat de vreugde, welke het
hem veroorzaakte om Sophia te roemen, hem alle voorzigtigheid had doen
vergeten; want deze loftuiting van de eene nicht was iets meer dan eene
bedekte beschuldiging van de andere.
„Wezenlijk, mijnheer,” hernam dus de dame, met eenige drift, „ik kan me
niet verbeelden, dat er iets gemakkelijker kan zijn, dan eene oude
vrouw van verliefden aard met eene liefdesverklaring te foppen,—en
hoewel zij mijne tante is, moet ik bekennen, dat ik nooit een
gevoeliger wezen op dat punt gekend heb. Kunt gij niet voorwenden, dat
de wanhoop om hare nicht te krijgen, die aan Blifil beloofd is, u er
toe gebragt heeft, uwe gedachten op haar te vestigen? Wat mijne nicht
Sophia betreft, ik kan me niet verbeelden, dat zij zoo dwaas zou zijn
als gij haar voorstelt, en dat zij eenig bezwaar zou hebben, of er
eenig kwaad in zien om eene van die oude heksen te straffen voor al het
kwaad dat zij in eene familie doen door hare tragischkomische
hartstogten,—waarvan het mij spijt dat ze niet volgens de wet strafbaar
zijn. Ik zelve zag geen bezwaar in zoo iets, en toch hoop ik dat nicht
Sophia zich niet beleedigd zal achten als ik verklaar dat zij geen
grooteren haat kan koesteren voor de onopregtheid dan hare nicht
Fitzpatrick. Jegens mijne tante inderdaad, veins ik niet eenige
verpligtingen te hebben,—en zij verdient ook niet dat ik haar ontzie.
Ik heb u echter mijn raad gegeven, mijnheer, en als gij weigert hem op
te volgen,—zal ik maar iets minder gunstig over uw verstand
denken,—anders niets!”
Jones zag thans duidelijk zijne dwaling in, en deed zijn uiterste best
om ze weder goed te maken; maar hij stamelde en stotterde slechts en
verviel tot onzin en tegenspraak. Om de waarheid te zeggen, het is soms
veiliger bij de eerste vergissing te blijven, met hare gevolgen, dan te
trachten om ze te herstellen; want door dergelijke pogingen, in plaats
van ons er uit te redden, werken wij ons gewoonlijk hoe langer hoe meer
er in, en slechts weinige menschen bezitten de goedaardigheid van
mevrouw Fitzpatrick, die eindelijk met een glimlach zeide:
„Gij behoeft u niet meer te verontschuldigen; want ik weet gemakkelijk
een trouwen minnaar alles te vergeven, waartoe de liefde tot zijne
schoone hem gebragt heeft.”
Daarop hernieuwde zij haar voorstel, en beval het hem zeer ernstig aan,
geene beweegreden vergetende, welke zij bij die gelegenheid bedenken
kon; want zij was zoo geweldig boos op hare tante, dat zij zich
naauwelijks een grooter genoegen kon voorspiegelen, dan om haar ten
toon te stellen, en, als eene echte vrouw, kon zij geene bezwaren zien
in de uitvoering van een geliefkoosd plan.
Jones echter volhardde met te weigeren om de onderneming te wagen,
welke inderdaad ook geheel wanhopig was. Hij begreep best welke
beweegredenen mevrouw Fitzpatrick had om zoo vurig daarop aan te
dringen. Hij zeide echter, dat hij de teedere en hartstogtelijke
liefde, welke hij tot Sophia koesterde, niet loochenen kon; maar dat
hij zoo overtuigd was van het groote onderscheid van hunne onderlinge
positie, dat hij zich nooit met de hoop zou durven vleijen dat zulk een
goddelijk meisje zich verwaardigen zou aan zoo’n onwaardigen man als
hij was, te denken;—ja, hij betuigde, dat hij er naauwelijks toe komen
kon om zoo iets te wenschen. Hij eindigde met nog veel meer edelmoedige
gevoelens te uiten, welke wij geen tijd hebben om hier in te lasschen.
Er zijn sommige schoone vrouwen (want ik durf hier niet al te veel in
het algemeen te spreken), bij wie haar eigen ik steeds zoodanig op den
voorgrond blijft, dat zij het nooit van eenig onderwerp, van welken
aard ook, kunnen afscheiden, en daar de ijdelheid bij haar een
heerschende trek is, eigenen zij zich gaarne allen lof toe welken zij
aanhooren, en hoewel die anderen toekomt, beschouwen zij hem als
uitsluitend voor haar bestemd. In het bijzijn dezer dames is het
onmogelijk iets ten gunste van eene andere vrouw te zeggen, dat zij
niet op zich zelve toepassen;—ja, zij zijn zelfs dikwerf in staat om
den lof welken zij zich toeëigenen te overdrijven, door, bij voorbeeld,
tegen zich zelve te zeggen; „als hare schoonheid, haar geest, hare
fatsoenlijkheid, hare goedaardigheid, zoo zeer te prijzen zijn, wat
verdien ik niet, die in zoo veel hoogere mate deze hoedanigheden
bezit?”
Aan dergelijke dames beveelt zich een man dikwerf aan door eene andere
vrouw te roemen,—en terwijl hij met geestdrift zijne edelmoedige
gevoelens ten opzigte zijner beminde bloot legt, denken zij slechts
welk een bekoorlijke minnaar deze man zijn zou voor haar zelve, daar
hij reeds zoo opgewonden wordt over verdiensten, welke bij de hare in
geen aanmerking komen. Hoe vreemd dit ook schijne, heb ik toch vele
voorbeelden hiervan gezien, buiten en behalve juist dat van mevrouw
Fitzpatrick, bij wie dit alles werkelijk plaats greep, en die thans
zeker iets voor den heer Jones begon te gevoelen, hetwelk zij veel
eerder begreep dan de arme Sophia zelve gedaan had.
Om de waarheid te zeggen, is de volmaakte schoonheid bij beide
geslachten veel onweerstaanbaarder dan men zich algemeen verbeeldt.
Want hoewel sommigen van ons met een bescheidener lot tevreden zijn en
(even als de kinderen iets van buiten leeren, dat bij hen geen
denkbeeld achterlaat), ook opzeggen, dat wij het uiterlijk verachten en
hoogeren prijs stellen op meer degelijke hoedanigheden, heb ik toch
steeds opgemerkt, dat als de volmaakte schoonheid nadert, deze meer
degelijke hoedanigheden slechts met dezelfde soort van glans
schitteren, als de sterren na zonsopgang.
Toen Jones met zijne pathetische uitroepingen gedaan had, van welke
vele een Orondates zelven niet misstaan zouden hebben, slaakte mevrouw
Fitzpatrick een zwaren zucht, en de oogen van Jones afwendende, op wien
zij ze een tijdlang gevestigd had, sloeg zij ze neder en riep uit:
„Ik heb wezenlijk medelijden met u, mijnheer Jones! Maar het is een
vloek, op zulke liefde, dat zij verspild wordt aan diegenen, die er
ongevoelig voor blijven. Ik ken mijne nicht, mijnheer Jones, beter dan
gij haar kent, en ik moet zeggen, dat iedere vrouw, die zoo’n man zulk
eene liefde niet vergeldt, hem onwaardig is.”
„Wel, mevrouw!” riep Jones, „gij bedoelt zeker toch niet—”
„Wat ik bedoel?” vroeg mevrouw Fitzpatrick, „ik weet niet wat ik juist
bedoel. Er is, geloof ik, iets betooverends in de ware liefde;—weinige
vrouwen ontmoeten ze bij de mannen, en nog weiniger weten ze te
waarderen, als zij ze vinden. Tot nu toe, heb ik nooit zulke
edelmoedige gevoelens gehoord,—en hoe het komt, weet ik niet; maar gij
dwingt mij om u geloof te schenken. Slechts de verachtelijkste der
vrouwen kon voor zulke verdiensten ongevoelig blijven!”
De wijze waarop dit gezegd werd en de blik, die het vergezelde, wekte
een vermoeden bij Jones op, dat wij niet noodig achten regtstreeks in
woorden aan den lezer mede te deelen. In plaats dus van eenig antwoord
te geven, zeide hij slechts:
„Naar ik vrees, mevrouw, heb ik mijn bezoek al te zeer gerekt,”—en hij
stond op om afscheid van haar te nemen.
„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam mevrouw Fitzpatrick. „Wezenlijk,—ik
heb medelijden met u, mijnheer Jones;—dat is werkelijk het geval;—maar,
als gij gaan wilt, denk nog eens aan het plan, dat ik u aan de hand
gegeven heb. Ik ben overtuigd, dat gij het eindelijk zult
goedkeuren,—en laat mij u zoo spoedig mogelijk weerzien.—Morgen vroeg,
als gij wilt,—of in elk geval, morgen in den loop van den dag. Ik zal
den geheelen dag te huis zijn.”
Na vele eerbiedige dankbetuigingen, verwijderde zich Jones, en mevrouw
Fitzpatrick kon niet nalaten hem tot afscheid een blik te schenken,
welken hij, als hij iets van de sprake der oogen verstond, niet nalaten
kon te begrijpen. Hij werd er ook wezenlijk door versterkt in zijn
voornemen om niet weer bij haar terug te komen; want hoe ligtzinnig hij
zich ook tot dusver in deze geschiedenis getoond heeft, waren al zijne
gedachten thans zoo zeer met zijne Sophia vervuld, dat ik vast geloof,
dat geene vrouw ter wereld hem nu weder tot ontrouw had kunnen
verleiden.
Vrouw Fortuna, echter, die hem niet begunstigde, besloot, daar hij haar
geene tweede gelegenheid wilde geven, om van deze gebruik te maken, en
veroorzaakte dus de tragische gebeurtenis, welke wij thans, tot ons
verdriet, te verhalen hebben.