De liefde was te vast geworteld in het hart van Lord Fellamar om door
de ruwe handen van den heer Western uitgeroeid te worden.
In zijn eerste opwelling van drift had hij inderdaad eene boodschap
gezonden door den kapitein Egglane, welke deze zeer overdreven had bij
de overbrenging,—en ze zou ook in ’t geheel niet zijn overgebragt als
het Milord gelukt ware den kapitein te vinden nadat hij Lady Bellaston
gesproken had, den morgen na dien namiddag, waarop hij door den heer
Western beleedigd was geworden. Maar de kapitein was zoo ijverig in het
vervullen van zijne dienst, dat hij, na de woning van den landjonker
eerst ’s avonds laat gevonden te hebben, den heelen nacht in een
wijnhuis op bleef zitten, ten einde den heer Western den volgenden
morgen niet mis te loopen, en dus het schriftelijke tegenbevel van den
Lord, dat deze naar zijne kamers gezonden had, niet ontving.
Milord, gelijk wij gezegd hebben, legde een bezoek af bij Lady
Bellaston, die het karakter van den landjonker zoodanig afschilderde,
dat Milord duidelijk inzag dat hij zich belagchelijk zou maken door
zich beleedigd te toonen door iets, dat Western zeggen kon,—vooral daar
Milord zulke eervolle bedoelingen koesterde ten opzigte van de dochter
des landjonkers. Hij legde daarop Lady Bellaston uit hoe hevig zijne
liefde was, en zij nam volgaarne op zich zijne belangen verder te
bevorderen, en moedigde hem aan met het zekere vooruitzigt op de meest
gunstige ontvangst bij alle meer bejaarde leden der familie, even als
bij den vader zelven, als die eens nuchter was en eindelijk begreep
welke eer zijner dochter aangeboden werd. Het eenige gevaar, voegde zij
hierbij, was te duchten van den mensch van wien zij hem vroeger
gesproken had,—zekeren bedelaar en landlooper, die op de eene of andere
wijze, haar onbekend, zich fatsoenlijke kleeren verschaft had en voor
fatsoenlijk man speelde.
„Nu,” zeide zij, „om den wille mijner nicht, heb ik me de moeite
gegeven om over dezen mensch berigten in te winnen; ik heb ook gelukkig
zijne woning ontdekt,”—waarmede zij Milord bekend maakte, „en ik heb
wel eens gedacht,” voegde zij er bij, „daar het onmogelijk is voor u,
Milord, u met zulk een gemeen schepsel persoonlijk te bemoeijen,—of het
niet doenlijk zou zijn voor u om hem voor de zeedienst te laten pressen
en dadelijk aan boord van een schip te doen brengen? Noch regt, noch
geweten kunnen eenig bezwaar hiertegen opleveren; want hoe mooi gekleed
die vriend ook loopt, verzeker ik u dat hij slechts een landlooper is,
een best slag van mensch om in de zeedienst geprest te worden. En wat
het geweten betreft, is het zeker eene hoogst verdienstelijke daad om
eene jonge dame van den ondergang te redden,—en zelfs wat den jongen
zelven aangaat, als hij niet slaagt bij mijne nicht,—en dat verhoede de
hemel!—zoudt gij hem welligt daardoor van de galg redden en hem in
staat stellen om op eene eerlijke wijze fortuin te maken.”
Lord Fellamar bedankte Milady opregt voor hare vriendelijke deelneming
in deze zaak, van welker welslagen zijn toekomstig geluk geheel
afhankelijk was. Hij zeide, voor het oogenblik geen bezwaar te zien in
haar plan, en dat hij overleggen zou hoe het ten uitvoer te brengen.
Daarop smeekte hij haar zeer ernstig om hem de eer te bewijzen van zijn
aanzoek aan de familie mede te deelen, aan wie hij zich gereed
verklaarde carte blanche te geven bij de regeling van alle geldzaken.
Na nu zeer opgewonden en met de meeste verrukking over Sophia gesproken
te hebben, nam hij afscheid en vertrok, maar niet voordat zij hem
nogmaals gewaarschuwd had om op zijne hoede te zijn ten opzigte van
Jones, en om geen tijd te verliezen met hem zóó te bezorgen, dat het
onmogelijk voor hem zou wezen om verder eenige pogingen te doen om de
jonge dame in het ongeluk te slepen.
Zoodra mejufvrouw Western hare kamers betrokken had, zond zij een
kaartje met hare groeten bij Lady Bellaston, die het pas ontvangen had,
of zij vloog, met al het ongeduld van een minnaar, naar hare nicht,
zich verheugende over de schoone gelegenheid, welke zich zoo onverhoopt
voordeed;—want het beviel haar veel beter om het aanzoek van Milord te
doen bij eene verstandige vrouw, die de wereld kende, dan bij een man,
dien zij met de benaming van Hottentot vereerde,—ofschoon zij zelfs van
hem geene weigering vreesde te ondervinden.
Zoodra de twee dames elkaar ontmoetten, kwamen zij, na zeer korte
pligtplegingen, tot de zaak,—welke ook zonder eenig tijdverlies
afgedaan werd. Want zoodra mejufvrouw Western den naam van Lord
Fellamar hoorde, tintelden hare wangen van genoegen;—en toen zij vernam
hoe hevig zijn hartstogt was, hoe ernstig hij het meende met zijn
aanzoek, en hoe mild zijne aanbiedingen waren, gaf zij hare
tevredenheid op de meest onbewimpelde wijze te kennen.
In den loop van het gesprek, werd Jones natuurlijk ook genoemd, en
beide nichten beklaagden zeer aandoenlijk de ongelukkige liefde, welke
Sophia tot dien jongen mensch koesterde;—terwijl mejufvrouw Western ze
geheel toeschreef aan het wanbestuur van haren broeder. Zij eindigde
echter met zich overtuigd te verklaren van het gezond verstand van hare
nicht, die, hoewel zij hare eerste liefde ten gunste van Blifil niet
wilde opgeven, zonder twijfel, zeide zij, „zich spoedig zou laten
overhalen om hare neiging op te offeren aan het aanzoek van een man
naar de wereld, die haar een titel en een groot vermogen aanbieden
wilde. Want, werkelijk,” voegde zij er bij; „ik moet Sophia het regt
doen te bekennen, dat die Blifil wel een heel naar soort van mensch
is,—die niets dan zijn geld heeft om hem aan te bevelen.”
„In dat geval,” hernam Lady Bellaston, „verwondert mij het gedrag van
onze nicht niet zoo zeer; want ik verzeker dat deze Jones een zeer
aangenaam mensch is,—die ééne deugd bezit, welke, volgens de mannen,
tot eene groote aanbeveling strekt bij de vrouwen. Zult gij het willen
gelooven, jufvrouw Western?—Het zal u zeker doen lagchen,—en ik kan het
zelve niet zonder lagchen vertellen,—zult gij willen gelooven, dat deze
jongen de onbeschaamdheid heeft gehad om mij zijn hof te maken? Maar,
om u te bewijzen dat ik de waarheid spreek,—hier hebt gij zijn eigen
schrift—waaruit alles genoegzaam blijkt.”
Hierop overhandigde zij haren nicht den brief met het
huwelijksvoorstel, welken de lezer, als hij er lust toe gevoelt, in het
vijftiende boek van deze geschiedenis kan overlezen.
„Ik sta verstomd, op mijn woord!” riep jufvrouw Western. „Dit is
inderdaad een meesterstuk van onbeschaamdheid! Met uw verlof, zou ik
welligt eenig gebruik van dezen brief kunnen maken.”
„Ik geef u de meest volmaakte vrijheid,” riep Lady Bellaston, „om elk
gebruik van het schrijven te maken, dat u goed dunkt. Evenwel, wenschte
ik niet, dat iemand anders het te zien kreeg, dan jufvrouw Western,—en
zij moet het alleen zien, als het noodig is.”
„Nu, mijne lieve, hoe hebt gij dien jongen behandeld?” vroeg mejufvrouw
Western.
„Niet als mijn man,” hernam de dame; „ik ben niet met hem gehuwd, dat
verzeker ik u, mijne beste! Gij weet wel, lieve vriendin, dat ik al
éénmaal van het huwelijksgeluk geproefd heb,—en, me dunkt, ééns is meer
dan genoeg voor een redelijk wezen!”
Lady Bellaston verbeeldde zich dat deze brief voldoende zou wezen om
Sophia verder van Jones afkeerig te maken, en zij verstoutte zich het
schrijven af te geven, gedeeltelijk in de hoop om hem aldus dadelijk te
zien verwijderen en gedeeltelijk om dat zij, na Honour gepolst te
hebben, genoegzaam overtuigd was, dat deze gereed zou zijn om al wat
Milady van haar vergen mogt, te getuigen.
Maar welligt zal de lezer zich verwonderen, dat Lady Bellaston, die in
haar hart Sophia haatte, zoo verlangende was om een huwelijk voor haar
tot stand te brengen, dat zoo voordeelig zou zijn voor de jonge dame.
Ik moet echter een dergelijken lezer verzoeken om zorgvuldig het boek
der menschelijke natuur open te slaan, en wel zoo wat op de laatste
bladzijde, en daar zal hij vinden, in bijna onleesbare letters, dat de
vrouwen, niettegenstaande het bespottelijke gedrag van moeders, tantes
enz. in huwelijkszaken, het wezenlijk voor zulk een groot ongeluk
beschouwen om in de liefde gedwarsboomd te worden, dat zij zich
verbeelden dat er geene grootere reden tot vijandschap kan bestaan dan
deze;—en verder zal men, ongeveer terzelfder plaatse, lezen, dat eene
vrouw, die zich eens in het bezit van een man gelukkig heeft gevoeld,
meer dan half weg naar de hel zal loopen, om te beletten dat eenige
andere vrouw dien zelfden man krijge.
Als de lezer met deze gronden niet voldaan is, beken ik openhartig, dat
ik geene andere redenen ken voor het gedrag van Lady Bellaston, tenzij
wij gelooven mogen, dat zij door Lord Fellamar omgekocht was,—wat ik,
voor mijn part, hoegenaamd geene aanleiding heb te veronderstellen.
Deze zaak,—welke mejufvrouw Western bij Sophia wilde inleiden door
eenige voorafgaande opmerkingen over de dwaasheid der liefde en de
wijsheid van de wettige prostitutie, om geld,—hield juist de dames
bezig, toen zij gestoord werden door het onverwachte binnentreden van
den landjonker met Blifil, en van daar de koelheid waarmede deze door
jufvrouw Western ontvangen werd, en welke haar broeder, volgens zijne
gewoonte, aan eene verkeerde reden toeschreef, terwijl Blifil zelf, die
veel slimmer was, een zweem van de waarheid begon te vermoeden.