HETGEEN SOPHIA BELEEFDE IN HARE GEVANGENSCHAP.

De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al

zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te

vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen

bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te

vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te

vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare

gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd

had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den

landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene

belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n

vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.

Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare

maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen

had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de

landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard

zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide

voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne

dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld

om haar het een of ander genot te verschaffen.

Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George een kip naar

boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit

zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den

schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want

hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij

behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen

betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen

beschouwd kunnen worden.

Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij

verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te

nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat

het hoen gevuld was.

Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een

groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken

toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om

zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig

aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer

verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden

hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten

wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem

slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de

deur verscheen.

George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot

de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus

niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg

droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip

waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven

zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets

gebruikt.

Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle

menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust

meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te

Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart

niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen

daartegen zeggen.

Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip te snijden, die

ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.

Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat

het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene

kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er

toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke

waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt

tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik?

Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd,

en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen

aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw

en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die

een brief had in zijn krop.

Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alle Académies des

sciences in Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig

houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen

de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief

was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.

Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd

geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde,

rukte hem open en las als volgt:

„Mejufvrouw,

Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende,

zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn

verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door

jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen

beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo

zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den

hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar

Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er

eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon

verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is?

Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt. Ze is, mijne Sophia,

de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding

ben tot uw lijden.

„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene

eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze

verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn

bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne

folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest

volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste

liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan

uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk

opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in

die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te

beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle

schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet

de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter,

integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp

beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere

uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te

herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor

altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te

dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart

bezware.

„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn

hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o

waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun

me te zeggen, die wensch is nog, om u als de gelukkigste der

vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te

vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is

bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één

ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig

blijft,

Mejufvrouw,

in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,

uw getrouwe

Thomas Jones.”

Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en

hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden.

Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit

niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk

omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook,

onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.

’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij

ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord

door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een

hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij

haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle

klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad

aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van

Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond,

dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het

oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid

onze opwachting maken bij hare tante.

Tom Jones · 第 281 / 340 题