EENE ONTDEKKING, DOOR PARTRIDGE GEDAAN.

Terwijl Jones zich nog verheugde in het bewustzijn zijner eerlijkheid,

kwam Partridge springende en dansende in de kamer, volgens zijne

gewoonte, als hij goede tijdingen bragt, of zich verbeeldde die te

brengen. Zijn meester had hem dien morgen vroeg uitgezonden met het

bevel om te trachten door de dienstboden van Lady Bellaston, of op

welke andere wijze dan ook, te ontdekken waarheen men Sophia gevoerd

had, en hij keerde nu terug en vertelde onzen held, met een van vreugde

schitterend gelaat, dat hij den verloren vogel gevonden had.

„Ik heb,” zeide hij, „den Zwarten George gezien, den jager, een der

dienstboden, die mijnheer Western mede naar Londen heeft gebragt. Ik

herkende hem dadelijk, hoewel ik hem in vele jaren niet gezien

had;—want, zoo als gij weet, mijnheer, is hij een zeer merkwaardig

mensch,—of beter gezegd, hij heeft een zeer opmerkingswaardigen baard,

den zwartsten dien ik ooit gezien heb. Het duurde echter een heelen

tijd eer de Zwarte George wist wie ik was.”

„Nu ja!” riep Jones; „maar welke tijding brengt gij? Wat hebt gij van

Sophia vernomen?”

„Dat zult gij dadelijk hooren, mijnheer;—ik vertel u alles geregeld.

Gij, echter, zijt zoo ongeduldig, mijnheer,—gij begint dadelijk met de

gebiedende in plaats van de onbepaalde wijs! Zoo als ik zeide,

mijnheer, het duurde een heelen tijd eer hij zich mijn gelaat—”

„De drommel hale uw gelaat!” riep Jones; „wat is er van Sophia?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „ik weet niets meer van jufvrouw

Sophia, dan hetgeen ik u vertellen wilde;—en ik zou u al alles verteld

hebben als gij mij niet telkens in de rede gevallen waart;—maar als gij

zoo kwaad begint te kijken, zult gij mij geheel in de war brengen,—of

liever, mijn geheugen zal me begeven. Ik heb u nooit zoo kwaad zien

kijken sedert dien dag toen wij uit Upton vertrokken,—en dien dag zal

ik me herinneren, al worde ik honderd jaar oud!”

„Nu, ga uw gang maar,” zei Jones. „Ge hebt u voorgenomen mij tot

razernij te brengen,—dat zie ik—”

„Om alles ter wereld, niet!” riep Partridge; „daar heb ik genoeg van

gehad! En, zoo als ik straks zeide,—dat vergeet ik niet tot het laatste

uur van mijn leven!”

„Nu ja,—maar die Zwarte George!” smeekte Jones.

„Wel! Zoo als ik zeide, mijnheer, het duurde al heel lang eer hij wist

wie ik was;—want ik ben ook werkelijk zeer veranderd sedert wij elkaar

zagen. Non sum qualis eram! Ik ben heel ongelukkig geweest, en niets

doet den mensch meer veranderen dan het leed;—ik heb wel eens hooren

zeggen, dat het eens menschen haar in één nacht kan doen vergrijzen.

Hoe dat ook zij, hij herkende me eindelijk, dat is waar; want wij zijn

beide van denzelfden leeftijd en zijn zamen op de armen-school geweest.

George was wel een groote stommerik, maar dat komt er niet op aan;—niet

alle menschen komen in de wereld vooruit naar verhouding tot hunne

geleerdheid! Dat durf ik gerust zeggen; daar heb ik mijne redenen

voor;—maar over honderd jaren, zal het er niet op aan komen! Nu,

mijnheer—wacht eens! Waar was ik?—O ja!—nu—zoodra wij elkaar herkenden,

drukten wij elkaar hartelijk de hand en spraken af om naar de kroeg te

gaan, en een glas bier zamen te drinken;—en gelukkig, was het, geloof

ik wel, het beste bier, dat ik nog geproefd heb, sedert ik te Londen

ben.—Nu, mijnheer, nu kom ik tot de zaak; want naauwelijks had ik u

genoemd en hem verteld hoe gij en ik zamen naar Londen gekomen en bij

elkaar gebleven waren, of hij bestelde eene tweede kan, en zwoer, dat

hij op uw welzijn zou drinken;—en dat deed hij, zoo hartelijk, dat het

me verheugde te zien dat er nog zoo veel dankbaarheid in de wereld

bestond;—en toen het bier op was, zeide ik, dat ik ook eene kan betalen

wilde, en die ledigden wij ook op uwe gezondheid, en daarop haastte ik

me naar huis te komen om u het nieuws te melden.”

„Welk nieuws?” riep Jones. „Gij hebt me nog geen enkel woord van Sophia

gezegd!”

„Heere mijn tijd! dat had ik haast vergeten! En wij praatten toch eene

heele boel over jufvrouw Western en George vertelde me alles, en hoe

mijnheer Blifil naar Londen komt om haar te trouwen. „Dan moet hij zich

haasten,” zeide ik; „of iemand anders zal haar nemen, eer hij daar is,

en werkelijk mijnheer Seagrim,” zei ik, „’t zou ook duizendmaal jammer

zijn als die iemand anders haar niet kreeg; want hij houdt zeker meer

van haar dan van alle andere vrouwen ter wereld! Ik wilde wel dat gij

en zij ook begreept, dat het hem niet om haar geld te doen is; want,

dat kan ik u verzekeren, wat dat aangaat,—dat er eene andere dame is,

iemand die van veel hooger stand is en die veel meer geld heeft dan

jufvrouw Sophia, die zoo veel van zeker iemand houdt dat zij hem dag en

nacht naloopt.””

Hier viel Jones Partridge driftig in de rede omdat hij hem op die wijze

verraden had; maar de arme kerel verzekerde dat hij geene namen genoemd

had.

„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „gij kunt er gerust op aan dat George

uw vriend is, en hij zeide meer dan eens dat mijnheer Blifil naar den

drommel kon loopen,—ja, dat hij alles ter wereld zou willen doen om u

te dienen;—en ik ben ook overtuigd dat hij het meende.—Wat! U verraden?

Ik twijfel zelfs of gij, na mij, een beteren vriend ter wereld hebt dan

George, of iemand, die meer zou willen doen om u te helpen!”

„Nu,” zei Jones, eenigzins verzacht, „gij vertelt me dat deze kerel,

die wel geneigd zal zijn mij te dienen, in hetzelfde huis met Sophia

woont?”

„In hetzelfde huis?” hernam Partridge. „Wel zeker, mijnheer, hij is

daar in dienst, en ik verzeker u dat hij heel goed gekleed is, en

zonder dien zwarten baard, niet te herkennen zou zijn.”

„Eéne dienst kan hij mij zeker doen,” zei Jones: „hij kan zeker

middelen vinden om een brief van mij aan Sophia over te brengen.”

„Juist, mijnheer! Gij treft den spijker op den kop—ad unguem!” riep

Partridge. „’t Is vreemd dat ik daaraan niet dacht! Maar ik ben

overtuigd dat hij het op zich zal nemen, zoodra men het hem vraagt.”

„Nu dan,” hernam Jones, „laat me thans alleen, en ik zal een brief

opstellen, welken gij hem morgen vroeg moet geven;—want ge zult wel

weten waar hem te vinden.”

„O ja, mijnheer,” zei Partridge, „ik zal hem zeker weder vinden;—daar

ben ik niet bang voor. Het bier was veel te goed dan dat hij lang weg

zou blijven. Ik twijfel niet dat hij er elken dag komen zal zoo lang

hij in de stad is.”

„Dus weet gij niet eens den naam van de straat waar Sophia woont?” riep

Jones.

„Of ik hem weet!” zei Partridge.

„Nu! Hoe is dan de naam van de straat?” vroeg Jones.

„De naam, mijnheer? Wel! ’t Is hier vlak in de buurt! Eene straat of

wat verder. Precies den naam weet ik wel niet: want daar hij er niets

van zeide, had het zijne verdenkingen kunnen gaande maken, als ik er

naar gevraagd had. Neen, neen, mijnheer! Laat mij maar begaan! Daar ben

ik te slim voor, dat beloof ik u!”

„Ge zijt inderdaad wonderbaarlijk slim!” hernam Jones. „Maar ik zal

toch mijn brief schrijven, daar ik overtuigd ben dat ge slim genoeg

zult wezen om hem morgen in de kroeg te vinden.”

En thans den zeer wijzen Partridge ontslagen hebbende, ging de heer

Jones aan het schrijven, en wij verlaten hem voor een oogenblik terwijl

hij op die wijze bezig blijft. Hiermede eindigen wij ook het vijftiende

boek.

Tom Jones · 第 275 / 340 题