Er was zekere dame, mevrouw Hunt genaamd, die Jones dikwerf bij zijne
hospita gezien had, bij wie zij zeer gemeenzaam in huis kwam als eene
vertrouwde vriendin van jufvrouw Miller. Zij was van omstreeks
dertigjarigen leeftijd,—want zij zeide dat zij zes en twintig was;—hare
gelaatstrekken en gestalte waren fraai,—alleen wat veel naar lijvigheid
zwemende. Zij was in hare jeugd gehuwd geweest met een bejaarden
koopman, die op de Levant handelde, en die na een groot vermogen
verworven te hebben, zijne zaken opgaf. Zij leefde onberispelijk, maar
niet gelukkig met hem, en betoonde de meeste zelfverloochening
gedurende ongeveer twaalf jaren, en hare deugd werd bij zijn dood
beloond, toen hij haar in een zeer welvarenden toestand naliet. Het
eerste jaar harer weduwschap was juist voorbij, en zij had het in
volstrekte afzondering gesleten, daar zij slechts eenige goede vrienden
zag, en haar tijd verdeelde tusschen hare godsdienstoefeningen en het
lezen van romans, waarop zij altijd zeer verzot was geweest. Eene
uitmuntende gezondheid, een zeer vurig temperament en veel
godsdienstzin, maakten het tot eene bepaalde noodzakelijkheid voor haar
om weder een man te nemen en zij besloot ditmaal, in de keuze van een
echtgenoot, haar eigen zin te volgen, even als zij den eersten keer,
hare familie den zin gegeven had. Van haar werd het onderstaande
briefje aan Jones gerigt.
„Mijnheer,
Sedert ik u voor den eersten keer zag, vrees ik dat mijne oogen u
maar al te duidelijk verraden hebben, dat gij me niet onverschillig
waart; maar mond noch hand zouden dat ooit verraden hebben, zoo de
dames van het huis waar gij woont, u niet zoo geroemd hadden, wat
uw karakter betreft, en mij zulke bewijzen gegeven hadden van uwe
deugd en goedheid, dat ik overtuigd ben dat gij niet slechts de
innemendste, maar ook tevens de waardigste der mannen zijt. Ik heb
ook het genoegen van haar te vernemen dat ik wat uiterlijk,
verstand en karakter aangaat, u niet ongevallig ben. Ik heb
vermogen genoeg om ons beide gelukkig te maken;—maar dat mij,
zonder u, niet gelukkig maken kan. Door mij aldus aan te bieden,
weet ik wel, dat ik mij de berisping van de wereld op den hals zou
halen; maar als ik u niet meer beminde, dan ik het oordeel der
menschen vrees, zou ik uwer onwaardig zijn.
„Slechts één bezwaar schrikt me af. Ik verneem dat gij eene
intrigue hebt met zekere voorname dame. Als gij het de moeite waard
acht, om dat alles om mijnentwil op te offeren ben ik de uwe;—zoo
niet vergeet mijne zwakheid en laat dit een eeuwig geheim blijven
tusschen u en
Arabella Hunt.”
Bij het lezen van dezen brief ontstelde Jones hevig. Zijne geldmiddelen
waren toen haast uitgeput, daar de bron waaruit ze tot dus ver gevloeid
hadden, op eens afgesneden was. Van al wat hij van Lady Bellaston
ontvangen had, bleven hem geene vijf guinjes over, en juist dien morgen
was hij door een leverancier om het dubbele van die som gemaand. Het
meisje, dat hij eerlijk beminde, was in haar vaders magt, en hij kon
naauwelijks eenige hoop koesteren om haar ooit weder te verlossen. Om
op hare kosten te leven van het kleine vermogen, dat zij onafhankelijk
van haar vader bezat, was in strijd met zijn hoogmoed zoowel als met de
kieschheid zijner liefde. Daarentegen zou het vermogender andere dame
hem best te pas komen, en hij kon ook in geenerlei opzigt iets tegen
haar hebben. Integendeel, hij hield even veel van haar als van iedere
andere vrouw, behalve Sophia. Maar om Sophia op te geven en met eene
andere te huwen, was eene onmogelijkheid voor hem;—hij kon volstrekt
niet daaraan denken.—Maar waarom zou hij het toch niet doen, daar het
duidelijk was, dat Sophia nooit de zijne kon worden? Zou het ook niet
om harentwil beter zijn, dan haar verder gebonden te houden aan eene
hopelooze liefde tot hem? Moest hij, om harentwil, niet toestemmen? Dit
denkbeeld dreef boven voor eenige oogenblikken, en hij had bijna
besloten om trouweloos te worden aan Sophia, alleen uit eergevoel;—maar
hij bleef niet lang bestand tegen de stem der natuur, die hem toeriep,
dat zulke vriendschapsdienst hoogverraad was aan de liefde gepleegd.
Eindelijk greep hij naar pen en papier en schreef aan mevrouw Hunt als
volgt:
Mevrouw,
Het zou slechts eene zeer geringe vergelding zijn van de gunst
welke gij mij bewijst, om eenige intrigue op te offeren ten einde u
te bezitten,—en dat zou ik ook dadelijk doen, ware ik niet geheel
vrij, wat thans het geval is, van iets van dien aard. Maar ik zou
de eerlijke man niet zijn, waarvoor gij mij houdt, als ik u niet
beleed dat ik mijne liefde geschonken heb aan eene andere,
deugdzame dame,—iemand die ik nooit verzaken kan, hoewel het
waarschijnlijk is dat zij nooit de mijne zal worden.
„De hemel verhoede dat ik u ooit uwe goedheid vergelden zou door u
mijne hand zonder mijn hart aan te bieden. Neen! Liever zou ik van
honger sterven, dan mij aan zoo iets schuldig maken. Al ware zelfs
mijne beminde de echtgenoote van een ander, ik zou u mijne hand
niet bieden, eer iedere herinnering aan haar uit mijn hart gewischt
ware. Wees verzekerd dat uw geheim niet veiliger kan zijn in uw
eigen hart dan in dat van
uw zeer verpligten,
dankbaren en onderdanigen dienaar,
T. Jones.”
Zoodra onze held dezen brief opgesteld had, liep hij naar zijn
secretaire, haalde de mof van mejufvrouw Western er uit, kuste ze
herhaaldelijk, en stapte in de kamer heen en weêr met meer
zelfvoldoening dan een Ier ooit gevoelde, die eene vrouw met vijftig
duizend pond sterling geschaakt heeft.