Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller
niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op
zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en
vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste
van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich
beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw
aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich
verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust
van dien aard in huis te zaken.
Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier
oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden
morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest
namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy, welke
met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo
nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man
behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.
Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef
te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij
hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te
stellen om zijn plan onmiddellijk uittevoeren, wijn op tafel laten
zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel
hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer
van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan
beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men
zegt, „de hoogte,” kreeg.
De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef
gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo
zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk
vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.
Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne
dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne
afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en
ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan
geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden,
zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er
iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.
Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij
dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de
zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast
zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.
Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te
brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het
verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in
plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men
een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde
bevelen ontvangen had om dit niet te doen, gehoorzaamde hij zonder
bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller
gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als
wij reeds gemeld hebben.
Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog
niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig
gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en
zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar
jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke
vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot
een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.
De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar
gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te
leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne
dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok,
en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog
onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het
noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze
zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig
einde te brengen.
Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner
ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen
kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een
onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en
gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen
had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen
opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich
zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen
worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van
slechtheid te doorwaden.
Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt
verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl
anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het
geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de
hoofdzaak,—welke denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer
Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger
uiteinde.