De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij
jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals
wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de
volgende wijze toesprak:
„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen
wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne
arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”
„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.
„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn
leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”
Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te
stamelen; maar Honour ging voort:
„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”
„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”
„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour; „zij was de beste
meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”
„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar
overkomen?”
„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan
loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen
ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet
van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet
toe wat er van hen wordt!”
„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek
ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”
„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met
mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste
meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te
beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede
meesteresse was—”
„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.
„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat
het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is
naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”
Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd
is.
„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons
beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou
trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij
weggejaagd!”
„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik
verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk
ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene
kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve
Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door
geweld tot een huwelijk gedwongen.”
„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk.
Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;—maar, ach, wat heb ik nog
te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu
ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets
tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo
als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”
„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik
u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat
te vergoeden.”
„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene
goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere
te bezorgen, die niet minder is?”
„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat
zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”
„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen
vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort?
Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit
jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte
dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik
weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u
dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te
loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets
kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen
veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig
zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet
altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft
genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande
zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft,
ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want
als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de
huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter
wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed
genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem
is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar
hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de goede
man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij
achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht
is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb
hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem
te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook
niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de
zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge
vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man
te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede,
haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees
ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is
zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat
zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd
was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben,
eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een
groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven
of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”
Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het
onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel
niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge
in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.
Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets
van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de
laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen
mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf
geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame
bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan
haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist
den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van
digt te trekken.
De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes
en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw Honour hem aangejaagd had, en
de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady
Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen
oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook,
inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding
en de bloeijende kleur op zijne wangen.
Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare
verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige
wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.
Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en
zeide:
„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van
u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u
te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord;
hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te
kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo
opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites
wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit
eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve
den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”
„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van
geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te
wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren
avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn
zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”
„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat
daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is
onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door
de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het
kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter,
dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt
van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op
dit oogenblik het model van een Adonis!”
Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer alleen
beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere
uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het
compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk
van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede
de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.
Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en
pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas
gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve
kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar
vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van
tweegevechten, geene getuigen toelaat.
Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich
verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige
oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die,
zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een
afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord
te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.
Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel
voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een
paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er
weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen
mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem
verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid
redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de
diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.
Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die
stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch
van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner
ledematen te benemen.
Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat
zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de
kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook
open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong,
en hem tegenhield,—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen
drong om te kunnen zien wie op het bed zat.
Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong
er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat
men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter
wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het
geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.
En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug
keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady
Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij
zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een
zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.
Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling
tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon,
vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand
hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar
van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote
verbazing, reeds door eene andere bezet vond.
„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de
dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij
mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”
„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te
voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik
ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige
menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”
Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te
doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon
zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste
mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon
hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen.
Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat
zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te
gebruiken, zeide zij heel bedaard:
„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik
voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik,
maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds
tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig
is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben
haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne
magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”
Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was
hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady
Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.
„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid
voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid
ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het
zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd
heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel!
Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich
het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar
ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene
dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik
ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon
Honour te snikken.
„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op
bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”
Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones
zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar
er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van
hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs
zouden trachten aan te nemen.
Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende,
welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren
draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar
diep stond te buigen.
Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek met Honour,
terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het
onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij
met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de
middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook
om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren,
terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te
sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den
landjonker.
Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van
mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner
lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet
alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor
hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die
hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen
bekend is.