HOE DE LANDJONKER ER TOE GEKOMEN WAS OM ZIJNE DOCHTER TE ONTDEKKEN.

Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel

onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan

te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een

genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu

toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt

had, waar zich zijne dochter bevond.

In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk

(want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede

te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om

verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu

eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst

bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich

den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg,

besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich

bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om

verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.

„Geachte Tante!

De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen

zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten,

hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de

schrijfster zelve anders welkom zou zijn.

„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in

mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest

toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan

mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan

weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het

haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde

noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig

berokkend heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te

slaan.

„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs

gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en

ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou

te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend

werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem

te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht

zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich

bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom

voor hare veiligheid gezorgd heeft.

„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te

deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en

die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor

hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel

wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te

wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis

eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote

mededeeling van het feit.

„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze

gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie,

mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo

veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van

ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap

weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk

uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn

toekomstig heil.

„Ik verblijf, geachte tante,

met den meesten eerbied,

uwe verpligte en steeds dankbare nicht

en meest onderdanige dienaresse,

Henriette Fitzpatrick.”

Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen

brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia

steeds gebleven was, ten einde hem in zijne droefheid te troosten. Van

dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds

vroeger een staaltje gegeven.

Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de

vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost

mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief

aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:

„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het

geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt

hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren

zult.”

Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel

op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop

riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou

brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan

halen.

Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de

armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:

„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich

verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”

„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig

beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte

drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er

uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de

poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene

kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al

mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den

rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn

gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”

„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min

denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal

ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt

ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de

regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt heb op mijn

eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te

vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb

ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn

vrederegters te Londen even goed als elders!”

„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer

zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen.

Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van

stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u

zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en

u wat ordentelijke kleêren aangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder,

gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij

eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om

uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat

stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast

gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij

elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik

overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal

verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze

mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen

iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”

„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat

fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven

zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met

eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil

ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik

weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven

waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene

zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij

zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”

„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid

dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”

„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel

verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze

tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een

hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras

behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe

het hoort dan een heele boel andere menschen!”

„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen

wat u goed dunkt. Je vous méprise de tout mon coeur! Dus zal ik me niet

eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen

Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware

belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia,

die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar

Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte

afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja,

Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige

onderhandelingen!”

„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer

versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik

je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar

gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet

boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als

eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te

krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten

ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft,

ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van

u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts

tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens

voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet

heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit

geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even

dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in

het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”

„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”

„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”

Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand

gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé

verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij

beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich

gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.

Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den

predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best

alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan

veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.

Tom Jones · 第 264 / 340 题