WAARIN EEN ZEER ZWARTE AANSLAG TEGEN SOPHIA GEOPENBAARD WORDT.

Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als

kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.” Ik zal dit wonderlijk

gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele

schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de

uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in

hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen

dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te

ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.

Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil

van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde

tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar

en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of

andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich

eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.

De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg

verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge

heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de

bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar

haren draagstoel bragt.

Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia

herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene

groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich

nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo

vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men

zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar

verliefd was geworden.

Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich

thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet

voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij

haar een bezoek kwam brengen.

Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne

opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij

geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen

avond.

Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot

eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare

verovering. De tijd vloog dus ongemerkt voorbij, en de edele Lord was

al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn

bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve

Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou

hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker

bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne

liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner

uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te

worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang

was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.

Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en

de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen,

welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds

den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij

begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet

bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus

aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij

verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een

plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat

Milord gaarne op zich nemen zoude.

Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar

binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:

„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist

had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene

belangrijke zaak had kunnen spreken.”

„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat

gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben

meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje

gebleven te zijn.”

„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer

aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”

„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit

ontmoet heb. Zeg me toch, Lady Bellaston, wie is deze schitterende

ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”

„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde

verwondering.

„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette,

die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie

ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”

„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster,

Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en

is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”

„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot

gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel

verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”

„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”

„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij

inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”

„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen

groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind,

en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”

„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor

de beste partij in geheel Engeland.”

„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt,

wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”

„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult

gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam

aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”

„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.

„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt,

dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk

eene gewigtige zaak?”

„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader mededeelen,”

zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich

door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat

toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het

er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger,

Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de

geheele wereld overwinnen zult.”

„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe,

die me vreesselijk treft!”

„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw

vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik

verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt

gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te

treden.”

„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik

niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar,

ik bid u, wie is toch de gelukkige?”

„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te

bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige

mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een

bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts,

Milord!”

„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als

uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”

„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten

lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij

vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren

een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel

saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”

„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te

voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een

ramp moet voorkomen worden!”

„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het

mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en

laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u

de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen tijd te

vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”

„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam

Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen,

wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen

bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht,

Milady, om zelve met haar te redeneren?”

Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij

moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een

meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de

juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het

eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het

een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik

voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier

toegepast kan worden.”

„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig

middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om

zulk een prijs te winnen!”

„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte

stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen

uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij

gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik

gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij,

Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en

om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker

verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde

waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat

inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het

zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”

„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide

hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou

inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk

eene gelegenheid deed terugdeinzen.”

„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees

haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel

zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene

wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld

toevertrouwen zal.”

Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want

zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt

wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.

„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan

denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle

andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden

hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western

iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen

mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en

de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik

zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets

ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit

gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien

ik u gesproken heb.”

Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en

zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des

voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.

Tom Jones · 第 258 / 340 题