Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons
leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in
deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij
slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.
Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die
hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich
alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk
gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik
bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden,
ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven
betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan
heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze
wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere
Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van
alle zinnelijke lusten.
Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt)
eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis
bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als
om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het
zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan,
naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met
al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch
berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms
verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen
door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.
Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te
betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken,
die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest
deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte
te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest,
welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem
geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.
Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar,
daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien
hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als
onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze
inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede
oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.
Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit),
thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe
overgaan om daaraan te voldoen.