EEN KORT HOOFDSTUK, TOT BESLUIT VAN DIT BOEK.

De lange afwezigheid van den oom en zijn neef had eenige ongerustheid

doen ontstaan bij de achterblijvenden,—te meer, daar in den loop van

het hier voorafgegane onderhoud, de oom meer dan eens de stem verheven

had, zoodat men hem beneden in huis had kunnen hooren,—wat, ofschoon

men niet onderscheiden kon wat hij zeide, bij Nancy en hare moeder, en

inderdaad ook bij Jones zelven, eenige kwade vermoedens opgewekt had.

Zoodra dus het gezelschap weder bijeen was, bespeurde men eene zigtbare

verandering op aller gelaatstrekken, en de opgeruimdheid, welke te

voren op elk gezigt gestraald had, was nu geweken voor eene veel minder

aangename uitdrukking. Het bragt inderdaad eene verandering te weeg,

welke niets ongewoons heeft in dit klimaat, waar zonneschijn en wolken,

Junij en December elkaar telkens afwisselen. Deze verandering werd

echter niet bijzonder opgemerkt door iemand der aanwezigen; want daar

allen druk bezig waren met hunne eigene gedachten te verbergen en met

eene rol te spelen, hadden zij zelve te veel te doen dan dat zij den

tijd zouden gehad hebben, om iets van het tooneel waar te nemen. Dus

ontdekte noch de oom noch de neef eenig spoor van kwade vermoedens op

het gelaat der moeder of dochter, en dezen letten van haar kant niet op

de overdrevene beleefdheid van den grijsaard, noch op de geveinsde

voldoening waarmede de jonge man hem aangrijnsde.

Het komt mij voor, dat men dikwerf iets dergelijks kan opmerken, als de

oplettendheid van twee vrienden geheel geboeid is door de rollen welke

beide spelen, ten einde elkaar te foppen, en dus geen van beide ziet,

of vermoedt, de list welke tegenover hem gebezigd wordt, en dus beide

strijders, om geen ongepast beeld hier te gebruiken, elkaar een steek

toebrengen.

Om dezelfde reden, is het niets vreemds, dat beide partijen bij een

koop gefopt worden, hoewel de eene steeds meer verliezen moet dan de

andere,—zooals hij die een blind paard verkocht en betaald werd met

eene valsche banknoot.

Na verloop van ongeveer een half uur, scheidde ons gezelschap, en de

oom voerde zijn neef mede, maar niet eer deze fluisterend aan jufvrouw

Nancy verzekerd had, dat hij haar den volgenden morgen vroeg bezoeken

zoude, om al zijne beloften te vervullen.

Jones, die het minst betrokken was in dit tooneel, begreep er het

meeste van. Hij vermoedde inderdaad de geheele waarheid; want behalve

dat hij de groote verandering in de houding van den oom, den afstand

waarop hij zich hield, en zijne overdrevene beleefdheid jegens jufvrouw

Nancy opmerkte, was het medenemen van den bruidegom op dat uur van den

avond iets zoo buitengewoons, dat het alleen verklaard kon worden door

de vooronderstelling dat de jonge Nightingale de geheele waarheid

verteld had,—wat nog waarschijnlijker werd wegens zijne bekende

openhartigheid en wegens de opgewondenheid, welke hij aan den wijn te

danken had.

Terwijl Jones nog bij zich zelven overlegde of hij deze arme menschen

met zijne vermoedens zou bekend maken, kwam hem de meid waarschuwen,

dat er eene vrouw was, die verlangde om hem te spreken. Hij verliet de

kamer dadelijk, en het licht van de meid nemende, bragt hij zijne

bezoekster naar boven,—die niemand anders bleek te zijn dan mejufvrouw

Honour, welke hem zulke verschrikkelijke tijdingen mededeelde omtrent

zijne Sophia, dat hij onmiddellijk alle andere menschen vergat, en al

zijn medelijden noodig had voor zijne eigene rampen en van die zijner

ongelukkige beminde.

Wat deze verschrikkelijke zaak was, zal de lezer spoedig vernemen,

nadat wij eerst de veelvuldige gebeurtenissen verhaald hebben welke

daartoe aanleiding gaven,—en die het onderwerp van het volgende boek

zullen uitmaken.

Tom Jones · 第 253 / 340 题