VREEMDE DINGEN BEVATTENDE.

Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar

sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de

jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op

zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het

gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn

neef meer dan eens daar bezocht had.

De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en

wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en

eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de

jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na

inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.

Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen

er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw

Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen,

liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten, en met

een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder

van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke

benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste

der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.

Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide,

niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging

zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken

was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den

volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones

zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van

vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon

brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem

bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.

Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende

welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk

ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon

te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende

op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn

hart lucht gaf:

„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en

zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit

huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als

ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”

Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van

de zaak.

„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het

meisje gehuwd?”

„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles

naar waarheid verteld.”

„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik

hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij

half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u

zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te

maken;—maar er bestaat een groot onderscheid in hoe men handelen moet

in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog

niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien

dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene

lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”

„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in,

dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van

eer, om het te doen?”

„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld

heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge

zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke

verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts

stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man

ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter

of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er

daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te

maken met dergelijke beloften!”

„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet

alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin

betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks

haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar

moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar

het hart te breken.”

„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een

vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai,

mijn jongen!”

„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op

het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe

dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de

kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve

daarin vrijheid zoudt geven.”

„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook

dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet

en zult dit meisje laten loopen!”

„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw

nemen!”

„Gij wilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u

te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook

tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld,

en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen;

maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere

behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te

verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te

weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die

ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder

mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”

„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad

behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht,

als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van

u, om hare neigingen te verzaken.”

„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige

drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al

hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten

doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te

zijn met al wat mij behaagt!

„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om

iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde

achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de

proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen

opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat

ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust

te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne

gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of

hare moeder grieven zou.”

„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,”

antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te

beleedigen; dus stel u daaromtrent gerust. Maar, als ik u dat genoegen

doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”

„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne

onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.

„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om

de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de

voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat

naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die

zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”

Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader,

onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij

beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde

niet minder beleefd dan vroeger te zijn.

Tom Jones · 第 251 / 340 题